Steenwijk

Ontstaan in 7e of 8e eeuw
Steenwijk vindt zijn oorsprong vermoedelijk in de zevende of achtste eeuw, toen zich langs de belangrijke Heirweg van Staveren naar Duitsland een nederzetting ontwikkelde. De ligging was strategisch: op de grens van de stuwwallen van de Woldberg en de Havelterberg en het uitgestrekte laagveengebied van Giethoorn, de Wieden en de Weerribben. Door dit landschap stroomde van oorsprong de Steenwijker Aa, een kleine rivier ontstaan uit smeltwater. Later werd deze gekanaliseerd en stond vanaf Steenwijk bekend als het Steenwijkerdiep, waardoor de plaats beter bereikbaar werd voor de scheepvaart.
Legende dat er drie kastelen aan de oevers van de Aa stonden
Bisschoppen van Utrecht
Kapittelkerk voor Land van Vollenhove
Bestuurlijk maakte het gebied deel uit van het Land van Vollenhove, dat onder invloed stond van de bisschop van Utrecht. Reeds in 944 verkreeg bisschop Balderik jachtrechten in Vollenhove, en in 1024 verwierf hij het graafschap Drenthe, waartoe ook dit gebied behoorde. Waarschijnlijk werd Steenwijk in deze periode gesticht, mogelijk onder Balderik of een van zijn opvolgers. Volgens een latere legende ontstond de plaats uit drie kastelen aan de oevers van de Aa: Oostwijk, Middelwijk en Westwijk. Het middelste kasteel, Middelwijk, zou uiteindelijk zijn naam hebben gegeven aan Steenwijk. De eerste concrete vermelding van Steenwijk dateert uit 1141. In dat jaar schonk bisschop Hartbert de kerk van Steenwijk aan de Benedictijner abdij te Ruinen. Deze Sint-Clemenskerk groeide uit tot een belangrijk religieus centrum en werd later verheven tot kapittelkerk voor het Land van Vollenhove. Vanuit deze moederkerk werden talrijke parochies gesticht in Friesland en Drenthe, waaronder Oldeholtpade en Meppel. In de dertiende eeuw nam het belang van Steenwijk verder toe. Rond 1229 werd er een troepenmacht gelegerd onder leiding van bisschop Wilbrand van Oldenburg, die het gebied moest beschermen, hoewel echte verdedigingswerken nog ontbraken.
Stadsrechten en stadsmuur
Tegen het einde van de eeuw, in 1295, wordt Steenwijk voor het eerst genoemd als versterkte plaats, vermoedelijk met aarden wallen en houten palissaden. In deze periode moet ook de verlening van stadsrechten hebben plaatsgevonden, waarschijnlijk tussen 1255 en 1295. Een bevestiging hiervan is te vinden in een afschrift uit 1327 van een brief van bisschop Jan van Diest. In de veertiende en vijftiende eeuw ontwikkelde Steenwijk zich verder als stad. In 1413 verleende de bisschop toestemming om een stadsgracht te graven, waarvan de aanleg rond 1419 begon en ongeveer dertig jaar duurde. Tegelijkertijd werd een stadswal opgeworpen. De Sint-Clemenskerk werd rond 1500 voltooid en vormde het religieuze hart van de stad. Rond deze tijd werd ook een cartularium van het kapittel samengesteld, een belangrijke bron voor de middeleeuwse geschiedenis van Steenwijk.
Tachtigjarige Oorlog
Grote brand in 1523
De zestiende eeuw bracht grote politieke en militaire veranderingen. Door het huwelijk van Filips de Schone met Johanna van Castiliƫ kwamen grote delen van Europa onder Habsburgs gezag. Hun zoon, keizer Karel V, erfde onder meer de Nederlanden. De strategische ligging van Steenwijk maakte de stad tot inzet van conflicten, vooral in de strijd met de hertog van Gelre. In 1522 werd een aanval op de stad ondernomen door Cornelis van Meurs, maar deze mislukte. Een jaar later, in 1523, slaagde een Gelderse troepenmacht er wel in Steenwijk te veroveren en grotendeels te verwoesten. De stad werd in brand gestoken en het stadsarchief ging verloren. De bezetting duurde echter kort: op 4 november 1523 heroverde Karel V de stad en bracht haar onder het gezag van zijn stadhouder George Schenck van Toutenburg.
Herbouw van Steenwijk
Na deze gebeurtenissen werd Steenwijk herbouwd, maar de politieke situatie bleef instabiel. In 1528 droeg de bisschop van Utrecht zijn wereldlijke macht over aan Karel V, waardoor Steenwijk onderdeel werd van Overijssel binnen het Habsburgse rijk. Met het Verdrag van Venlo in 1543, waarbij ook Gelre onder Habsburgs gezag kwam, kwam er een einde aan de langdurige strijd in de regio. Een periode van relatieve rust volgde, maar deze werd doorbroken in de tweede helft van de zestiende eeuw. In 1555 droeg Karel V zijn macht over aan zijn zoon Filips II. De centralisatiepolitiek en religieuze maatregelen van de Spaanse koning leidden tot groeiend verzet onder de Nederlandse adel, onder leiding van Willem van Oranje. Dit mondde in 1566 uit in de Beeldenstorm, waarbij ook in Steenwijk grote schade werd aangericht aan de Sint-Clemenskerk.

Wisselend onder Staats en Spaans gezag
Met het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog in 1568 werd Steenwijk opnieuw een belangrijk strijdtoneel. In datzelfde jaar wist het stadsbestuur de inkwartiering van Spaanse troepen nog af te kopen. In 1572 werd de stad ingenomen door Willem IV van den Bergh namens Willem van Oranje, maar deze bezetting was van korte duur. Na de herovering van Zutphen door Spaanse troepen trok het Staatse leger zich terug en kwam Steenwijk weer onder Spaans gezag.


Aansluiting bij de Opstand 1580
Tot 1577 bleef een Waals garnizoen in de stad om de Spaanse macht te handhaven. Uiteindelijk wisten de Staten van Overijssel deze troepen te laten vertrekken door betaling van achterstallige soldij. In 1580 kozen zij definitief de zijde van de Opstand, waarmee Steenwijk zich aansloot bij de strijd tegen het Spaanse bewind. Zo ontwikkelde Steenwijk zich van een vroege nederzetting langs een handelsroute tot een strategisch en religieus centrum, dat in de loop van de middeleeuwen en vroegmoderne tijd een belangrijke rol speelde in de politieke en militaire geschiedenis van Noordoost-Nederland.
