Direct naar de inhoud.

Drenthe

Drenthe 800-1046

Drenthe 800 – 1046

In 1046 kreeg de bisschop van Utrecht naast de kerkelijke macht over Drenthe ook de wereldlijke macht. Hij werd de nieuwe landsheer. Dit had grote gevolgen voor de politieke en juridische ontwikkeling van Drenthe vanaf de Saksische periode tot de elfde eeuw. Oorspronkelijk maakte Drenthe deel uit van het Saksische stamgebied. De Saksen waren geen eenheid onder één koning, maar een confederatie van stammen die bestuurd werden door gekozen stamhoofden. Volgens de ‘Vita Lebuini Antiqua’ hadden zij geen koning, maar per gouw (pagus) een bestuurder. Jaarlijks kwamen de stamhoofden bijeen in Marklo om recht te spreken en besluiten te nemen over oorlog of vrede. In oorlogstijd werd door loting een legeraanvoerder aangewezen.

Drenthe onder Frankisch gezag en het graafschap Hamaland

Saksenoorlogen en Frankisch gezag

Deze samenleving veranderde ingrijpend door de Saksenoorlogen (772-804), waarin Karel de Grote het gebied onderwierp en kerstening afdwong. Drenthe werd rond 802 definitief onder Frankisch gezag gebracht. Daarmee werd het onderdeel van het rijk dat later het Heilige Roomse Rijk zou worden genoemd. De Frankische heersers vervingen het Saksische gouwbestuur door een feodaal systeem van graafschappen. De graven werden niet langer gekozen, maar door de koning benoemd en functioneerden als diens vertegenwoordigers. Zij waren belast met rechtspraak, belastinginning en militaire organisatie. Hoewel de Saksen aanvankelijk hun gebruiksgronden mochten behouden, beschouwde de koning de uitgestrekte wouden en woeste gronden als koninklijk domein. Tegelijk werd het gewoonterecht geïnventariseerd. In Drenthe leidde dit uiteindelijk tot het Drentse Lantrecht van 1412.

Gouw en graafschap

De gouw Drenthe maakte onderdeel uit van de graafschap Hamaland. Een gouw was primair een geografische aanduiding, vaak begrensd door natuurlijke elementen, en had niet noodzakelijk een bestuurlijke functie. Het graafschap daarentegen was een bestuurlijke eenheid onder leiding van een graaf. In de Karolingische tijd vielen vaak meerdere gouwen onder één graafschap. Drenthe werd zowel als gouw (pagus Thriente) als graafschap (comitatus Drenthe) aangeduid. In de periode 794-1044 maakte Drenthe deel uit van het grotere graafschap Hamaland, bestuurd door de graven van Hamaland. Dit machtscomplex omvatte ook Salland en andere gebieden. Naast de gouw Drenthe wordt in oorkonden uit 944 ook een ‘pagus forestensis’ genoemd. Dit was waarschijnlijk een bosrijk grensgebied tussen Drenthe en Friesland, waaronder delen van het latere Stellingwerf en mogelijk het land van Vollenhove. Het is onduidelijk of dit een aparte gouw was of later in Drenthe opging. De schenking van 944 bestaat in twee versies: één waarin gesproken wordt over de gouw Drenthe, en één waarin sprake is van de Foreestgouw. In beide gevallen gaat het om de overdracht van jachtrecht en foreestrecht aan de bisschop van Utrecht.

De graven van Hamaland en hun machtsgebied

Hamaland lag langs de IJssel en strekte zich uit over delen van het huidige Gelderland, Overijssel en Drenthe. De precieze omvang van het graafschap is onderwerp aan discussie. Sommige noordelijke gouwen, zoals Fivelgo en Hunsingo, worden in verband gebracht met het huis Hamaland, maar het bewijs is beperkt. Wel staat vast dat leden van het Hamalandse gravenhuis daar bezittingen hadden. Binnen het geslacht vond herhaaldelijk verdeling en herverdeling van bezit plaats. Na de dood van Wichman II werd het vermogen verdeeld tussen zijn zonen. Uiteindelijk leidde politieke rivaliteit en opstand tegen de koning tot confiscaties en herverdelingen. Meginhard IV verloor in 938 zijn grafelijke rechten na een opstand tegen Otto I.

Verzwakking van het Hamalandse machtscomplex

In 944 herstelde Otto I het huis deels in zijn gunst, maar splitste het machtscomplex. Everhard III werd graaf van Salland en Drenthe. Later kwamen grafelijke rechten in handen van Balderik van Duffelgouw via zijn huwelijk met Adela van Hamaland. Door interne twisten, moorden en ingrepen van de keizer werd het Hamalandse machtscomplex verder verzwakt.

Overdracht van Drenthe aan de bisschop

Uiteindelijk werd in 1024 het graafschap Drenthe aan de bisschop van Utrecht geschonken, maar deze beslissing werd aangevochten door Gozelo van Verdun, die in 1025 opnieuw graaf werd. Na diens dood in 1044 kon keizer Hendrik III in 1046 het graafschap definitief aan de bisschop van Utrecht overdragen. Daarmee eindigde het wereldlijk bestuur door de graven van Hamaland in Drenthe.

Regalia en foreestrecht

Om de betekenis van deze schenking te begrijpen, zijn de zogenaamd regalia van belang, de rechten die aan de koning toekwamen. Er werd onderscheid gemaakt tussen regalia maiora (zoals belastingheffing, rechtspraak, muntrecht) en regalia minora (zoals tolrecht, visrecht en het recht op onbeheerde woeste gronden). Tot de regalia minora behoorde ook het foreestrecht (forestica). De precieze betekenis daarvan is omstreden. Oorspronkelijk betrof het waarschijnlijk het koninklijke gebruiksrecht op woeste en niet-ontgonnen gronden, inclusief jacht en bescherming van wild. Door koninklijke ban kon een gebied tot foreest worden verklaard. In de loop der tijd versmalde het begrip tot voornamelijk jachtrecht. Toch omvatte het foreestrecht ook bestuurs- en jurisdictiebevoegdheden binnen het betreffende gebied.

Wildban en foreestrecht

Het wildbanrecht betrof het exclusieve recht om in een bepaald gebied op groot wild te jagen. Het was een verbodsrecht: anderen mochten zonder toestemming niet jagen. Dit betekende niet dat de ontvanger eigenaar werd van de grond. Bij een banwoud lagen eigendom en gebruiksrechten dichter bij elkaar. Daar werd een bestaand koninklijk woud met alle bijbehorende rechten overgedragen. In dat geval gingen foreestrecht en wildban samen over. In Drenthe lijkt sprake te zijn geweest van een dergelijke gecombineerde schenking. In 944 werd bepaald dat niemand zonder toestemming van de bisschop mocht jagen op herten, beren, everzwijnen en bepaalde andere dieren. Tevens werd het foreestrecht in het gehele gebied toegekend.

Ontginning en grondheerlijkheid

Een belangrijk discussiepunt is of het ontginningsrecht – het recht om woeste gronden uit te geven voor kolonisatie – voortvloeide uit het foreestrecht, het wildbanrecht of uit de grafelijke rechten. Onderzoek wijst erop dat het ontginningsrecht niet rechtstreeks uit het jachtrecht of foreestrecht kan worden afgeleid. Historicus Hein Vera betoogt dat niet het koninklijk regaal, maar het grondbezit en de grondheerlijkheid doorslaggevend waren. Wie als heer over een domein beschikte, kon ontginning toestaan. Na 1046, toen de bisschop ook de grafelijke rechten en dus de grondheerlijkheid verkreeg, kreeg hij waarschijnlijk de beslissende bevoegdheid over ontginning. Toch menen sommige onderzoekers dat de foreestschenking van 944 de basis legde voor grootschalige ontginningen in West-Drenthe en Stellingwerf. In dat gebied ontstonden in de twaalfde en dertiende eeuw vele nieuwe parochies.

De foreestjurisdictie

Na de onderwerping van de Saksen werden versterkingen aangelegd, waaronder bij Coevorden. Groningen werd een koninklijk steunpunt met een hof. Twee eeuwen later beleende bisschop Hartbert van Utrecht zijn broers met de prefectuur van Groningen en het burggraafschap Coevorden. Volgens onderzoek was dit geen overdracht van grafelijke rechten, maar van foreestrechten en de bijbehorende jurisdictie. In latere beschrijvingen worden in deze gebieden rechten genoemd zoals tienden, schuldmudden (foreestvergoedingen), tol en visserij. Dit wijst op een uitgebreide foreestheerlijkheid met hoge en lage rechtspraak.

Van gouw tot graafschap

De ontwikkeling van Drenthe van Saksische gouw tot graafschap onder de bisschop van Utrecht was het resultaat van een complex samenspel van koninklijke machtspolitiek, familieverhoudingen en juridische constructies. De schenking van foreest- en wildbanrechten in 944 gaf de bisschop aanzienlijke invloed in het gebied, maar pas met de definitieve overdracht van de grafelijke rechten in 1046 verkreeg hij volledige wereldlijke macht. De precieze grondslag van het ontginningsrecht blijft onderwerp van debat. Waarschijnlijk speelde de combinatie van foreestrecht, grafelijke rechten en grondheerlijkheid een rol. Met de schenking van 1046 werd Drenthe definitief onderdeel van het wereldlijk gezag van het Sticht Utrecht, waarmee een nieuwe fase in zijn bestuurlijke geschiedenis begon.