Direct naar de inhoud.

Noord-Nederland

Oversticht Utrecht

Uitoefenen van landsheerlijkheid
Het Oversticht Utrecht was het noordelijke gedeelte van de Stichtse landheerlijkheid waarover de bisschoppen van Utrecht in de Middeleeuwen als vorst de landsheerlijkheid uitoefenden. Het kwam grotendeels overeen met de huidige provincies Overijssel en Drenthe. Ook het gebied om de stad Groningen, het zogenaamde Gorecht, hoorde voor een tijd bij het Oversticht, maar de stad Groningen was betwist gebied. Tot 1309 behoorden tevens de Stellingwerven tot het Oversticht. In Drenthe was het gezag van de bisschop tamelijk zwak. Deventer was met zijn kapittel aan de Sint-Lebuïnuskerk bestuurlijk en religieus de belangrijkste stad van het Oversticht.

Geestelijke en politieke zeggenschap over Neder- en Oversticht

Heilige Roomse Rijk

Vorming van het grondgebied

Sinds de onderwerping en kerstening van Noordoost-Nederland door de Frankische keizer Karel de Grote in de negende eeuw, viel dit gebied in religieus opzicht onder het bisdom Utrecht. Na het uiteenvallen van het Frankische imperium behoorde Nederland tot het Heilige Roomse Rijk. Binnen dit uitgestrekte rijk zagen regionale leenheren kans om steeds meer macht naar zich toe te trekken. In Nederland gold dat met name voor de graven van Holland en Gelre. Zij beschouwden de gebieden die ze in leen hielden van de Duitse keizer geleidelijk als hun eigendom. Om tegenwicht te bieden aan deze regionale machthebbers, verleende de keizer de bisschop van Utrecht, die vanwege het celibaat geen natuurlijke erfopvolger had, politieke zeggenschap over de regio Utrecht (het Nedersticht) en over Overijssel, Drenthe en de stad Groningen en omgeving (het Oversticht).

Schenking van Vollenhove 944

Het eerste steunpunt van de bisschop van Utrecht over de IJssel was Vollenhove en omgeving. In 944 gaf Otto de Grote aan bisschop Balderik van Kleef (897-975) van het bisdom Utrecht toestemming om op o.a. elanden te jagen in ‘Silva Fulnaho’ (het woud van Vollenhove). In 1010 schonk keizer Hendrik II het gebied aan het bisdom Utrecht. In de elfde eeuw werd het ontgonnen en in de twaalfde eeuw liet bisschop Godfried van Rhenen aan het Almere in Vollenhove de burcht het ‘Olde Huys’ bouwen, met een donjon en een kapel.

Schenking Cruoninga 1040

Bisschop Adelbold II werd in 1024 graaf van Drenthe en legde daarmee de basis van het Sticht (waarvan de rechten in 1046 werden bevestigd). Adelbold II kreeg in 1026 ook grafelijke rechten in Teisterbant. In 1040 schonk keizer Hendrik III het in het graafschap Drenthe gelegen landgoed ‘Cruoninga’ (de latere stad Groningen) aan de kathedrale kerk van de heilige Martinus in Utrecht. De op deze plek gegroeide stad Groningen werd door een door de bisschop aangestelde prefect bestuurd die in Groningen zetelde. In 1042 werd bisschop Bernold graaf aan de Oostoever der Zuiderzee en in 1046 graaf van Hamaland.

Macht in Twente en Salland

De toenemende bisschoppelijke greep op dit gebied culmineerde in de bouw van een stenen burcht in 1165, een symbool van zijn militaire macht. Ook Twente kwam rond de millenniumwisseling onder bisschoppelijke invloed. Met de verwerving van Deventer en omgeving in 1046 en de IJsselgouw ofwel Salland in 1086 was het grondgebied van het huidige Overijssel op hoofdlijnen afgebakend. De Overijsselse delen van het Oversticht groeiden in de eeuwen daarna uit tot een min of meer samenhangend geheel. Het afgelegen Drenthe en het handelscentrum Groningen lieten zich weinig aan de Utrechtse kerkvorst gelegen liggen en voeren een eigen koers. Bisschop Koenraad van Zwaben werd graaf van Stavoren in 1077, graaf van de Oostergouw en de Westergouw in 1086 en graaf van de IJsselgouw in 1086. De bisschoppen lieten hun goederen beheren door voogden en leengraven. Vooral de vrijheidslievende Drenten waren er niet gelukkig mee dat al hun rechten en vrijheden in handen van de bisschop kwamen en zij daar hoge belastingen voor moesten betalen.

Coevorden keert zich tegen de bisschop

De kasteelheren van de Drentse stad Coevorden (aanvankelijk vazallen van de bisschop) werden steeds meer tegenstander van hun Utrechtse ‘baas’ en kozen de kant van de Groningse familie Gelkinge in een conflict met de Groningse prefect Egbert.

Benoeming bisschop door de paus vanaf 1122

De benoeming van de Utrechtse kerkvorst lag aanvankelijk in handen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Na het Concordaat van Worms in 1122 bezat de paus dit recht. De hoogste geestelijken in het bisdom droegen een kandidaat voor het bisschopsambt voor. Die geestelijken, veelal van adellijke afkomst, stonden sterk onder invloed van machthebbers als de graven van Holland en Gelre. Een kandidaat-bisschop moest zich diep in de schulden steken en allerlei beloften doen om verkozen te worden. Bovendien was een bisschop bij uitoefening van zijn ambt afhankelijk van financiële ondersteuning door zijn onderdanen. Dat alles verzwakte zijn positie aanzienlijk.

Ridderschap en Steden

Autonomie van de gewesten

De gewesten binnen het Oversticht genoten dan ook een grote mate van autonomie. De bisschop steunde bij zijn bestuur van het latere Overijssel op de Ridderschap en de steden Deventer, Kampen en Zwolle. In de Ridderschap had de adel zitting, die mede optrad als vertegenwoordiger van het platteland. De landsdelen Salland, Twente en Vollenhove hadden elk hun eigen Ridderschap, maar na verloop van tijd trokken deze drie gebieden op als gezamenlijke vertegenwoordiging. Jaarlijks vond er een (meerdaagse) landdag plaats, waarop de bisschop met de vertegenwoordigers van Ridderschap en Steden overlegde en juridische geschillen beslechtte.

Verslagen door de Drenten 1227

Op 28 juli 1227 vond de Slag bij Ane plaats. Op een veld in de buurt van het huidige dorp Ane werden de troepen van de bisschop van Utrecht, Otto van Lippe, verslagen door een grote groep opstandige Drenten onder Burggraaf Rudolf II van Coevorden. Van Lippe en vele edelen en beruchte krijgsheren werden hierbij gedood. De bisschop werd opgevolgd door Wilbrand van Oldenburg die de Drenten wist te onderwerpen (Slag bij Peize). Rudolf werd gevangengenomen, gemarteld en in 1230 vermoord. Van 1231 tot 1233 vochten de Friezen onder Van Oldenburg tegen de Drenten (Fries-Drentse oorlog). Bisschop Otto van Holland loste de problemen van het bisdom in Drenthe op en onder Jan van Diest kocht het bisdom veel gebied in Drenthe aan. Bisschop Jan van Arkel moest in 1348 echter het hele Oversticht, op Vollenhove na, in onderpand geven aan Frederik van Eese, die hem had geholpen de Zutphense baanderheer Gijsbrecht van Bronkhorst te verslaan. Het volgende jaar werd ook Vollenhove verpand. Bisschop Frederik van Blankenheim versterkte het bisschoppelijke gezag in het Oversticht en dwong ook de stad Groningen zijn gezag te erkennen.

David van Bourgondië

Op 7 april 1455 kozen de Utrechtse kapittels de Hoeksgezinde domproost Gijsbrecht van Brederode tot bisschop. De paus had echter David van Bourgondië tot bisschop benoemd. Deze werd door Oversticht niet als bisschop erkend. Hij voerde oorlog tegen Oversticht om zijn gezag te bevestigen. Onder een van zijn opvolgers, Filips van Bourgondië, ging het Oversticht in de strijd tussen keizerlijken en Geldersen grotendeels verloren. De bisschop handhaafde zich slechts in Hasselt, Steenwijk en Oldenzaal. In 1528 verkocht bisschop Hendrik van Beieren het Oversticht aan keizer Karel V. Hiermee hield het Oversticht op te bestaan. Het land van Vollenhove, Salland en Twente werden voortaan de heerlijkheid Overijssel genoemd, het Drentse deel van het Oversticht werd Landschap Drenthe.

Nedersticht

Het Nedersticht was in de middeleeuwen een grondgebied dat deel uitmaakte van het Sticht Utrecht en grotendeels overeenkwam met de huidige provincie Utrecht. Het plaatselijk bestuur was door de Duitse keizer in handen gegeven van het Rooms-Katholieke bisdom Utrecht, maar het ging daarbij om het wereldlijk bestuur. In 1375 werden diverse rechten en plichten tussen de bisschop en een raad bestaande uit Utrechtse geestelijken, edelen en diverse steden schriftelijk vastgelegd in de Stichtse Landbrief. Het fenomeen van het maken van afspraken over rechten en plichten van een bestuurder tegenover bestuurden stond niet op zichzelf maar kwam vaker voor in Europa. Beroemd voorbeeld is de Magna Carta uit 1215 tussen de Engelse koning en edelen.