Direct naar de inhoud.

1227 – 1233

Wilbrand van Oldenburg

Een lange weg naar bisdom Utrecht
Over het Osnabrückse regentschap van Wilbrand van Oldenburg-Wildeshausen merkte Carl Stüve laconiek op dat ‘het stift korte tijd door Willebrand van Paderborn werd bestuurd’. Iets dergelijks geldt voor het bisdom Münster, waarvan de geschiedschrijver Heinrich Börsting de administratie van de graaf van Wildeshausen niet noemenswaardig achtte. Toch is de activiteit van deze plaatsvervanger zowel vanwege zijn persoonlijkheid als vanwege de sporen die hij in onze streken heeft nagelaten, van betekenis.

De bisschop die orde op zaken moest stellen in het Landschap Drenthe

Familie en jonge jaren

Telg uit een grafelijke familie

Wilbrand was een jongere zoon van graaf Hendrik II van Oldenburg-Wildeshausen (1167–1198) en Beatrix van Hallermund. Het vermoedelijke tijdstip van zijn geboorte wordt gezocht in de jaren zeventig van de twaalfde eeuw. Zijn geboorteplaats moet misschien gezocht worden op de grafelijke burcht in Wildeshausen, de hoofdzetel van de oudere familietak van de graven van Oldenburg. Van de broers van zijn vader waren eveneens twee geestelijken geworden: Gerhard, van 1193 tot 1214 bisschop van Osnabrück en vanaf 1210 aartsbisschop van Bremen, waar hij in 1219 stierf, en Otto, van 1203 tot 1218 bisschop van Münster. Wilbrands broers Hendrik en Burchard verdeelden na de verwerving van het graafschap Bruchhausen, een Breems leen, hun bezit onder elkaar. Hendrik III (1193–1234) vestigde zich in Bruchhausen (het huidige Bruchhausen-Vilsen) en stichtte daar de Oldenburgse zijlinie, terwijl de grafelijke veste Wildeshausen, die na de Staufisch-Welfische strijd en de interne onlusten binnen het huis Oldenburg in 1229 contractueel was terugverkregen, aan Burchard toeviel.

Een belezen jongeman

Volgens een mededeling van de Bazelse historicus Heinrich Pantaleon zou Wilbrand al op zeer jeugdige leeftijd door zijn belezenheid zijn opgevallen. Waar hij heeft gestudeerd, weten wij niet. De eerste waardigheid waarin wij Wilbrand tegenkomen, is die van proost van Zutphen in het bisdom Utrecht. De betrekkingen daarheen zijn kennelijk aangeknoopt via de graven van Gelre, de familie van Wilbrands grootmoeder van vaderszijde, waardoor vermoedelijk ook de prebende voor Wilbrands broer Egilmar, de proosdij van Deventer, tot stand kwam. Via zijn verwantschap aan vaderszijde, de graven van Käfernburg en Hallermund, zal het gelukt zijn de jongeman een domherenprebende in Hildesheim te verschaffen, dat toen gold als een centrum van geleerdheid. Deze post was voor Wilbrand zelf belangrijker dan de Nederlandse prebende, want als domheer van Hildesheim betitelt hij zich in de proloog van zijn Palestina-itinerarium (1211).

Reis naar Jeruzalem 1211-1212

Verslag van het koninkrijk Jeruzalem

In de geschiedenis van de Staufische tijd speelt Wilbrand van Oldenburg minder een rol als bisschop en bestuurder van bisdommen dan doordat hij in 1211 een reis naar het Oosten ondernam en daarover in een eigen boekje verslag deed. Met deze reisbeschrijving, waarvan Justus Moser alleen wist uit een notitie van Schaten, heeft Wilbrand zich een plaats verzekerd in de geschiedenis van de Middellatijnse literatuur. Het Itinerarium in quo agitur de situ terre sancte, dat hij opdroeg aan de domheren van Hildesheim, is kennelijk de korte versie van een verloren gegaan verslag voor keizer Otto IV (1198–1218), de opdrachtgever van de missie, dat niet alleen geografisch maar ook militair en diplomatiek van aard was. Tegelijk is het itinerarium een belangrijke bron voor Wilbrands eigen biografie. Daaruit blijkt namelijk dat Wilbrand in de zomer van 1211 zes weken lang op een avontuurlijke zeereis onderweg was — vermoedelijk vanuit Ancona — voordat hij van 25 augustus 1211 tot de zomer van 1212 in verschillende steden van het koninkrijk Jeruzalem verbleef. Vanuit Akko reisde de gezantschap van Otto IV, waartoe de meester van de Duitse Orde Hermann van Salza, ridders van de hertog van Oostenrijk en waarschijnlijk ook de graven Adolf III van Holstein-Schaumburg en Albert van Klettenberg behoorden, naar Antiochië.

Bezoek aan Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth

Ongeveer in december bereikte het reisgezelschap het koninkrijk Klein-Armenië, waar het tot begin maart 1212 te gast was bij koning Leo II. In april en mei verbleef men op het eiland Cyprus, waar het erom ging diplomatieke contacten met koning Hugo aan te knopen. Omstreeks juni 1212 kwam men weer in Akko aan, vanwaar Wilbrand, ditmaal met weinig begeleiders, voor een particuliere pelgrimsreis vertrok. Omdat een gezantschaps- en verkenningsreis door de door Arabieren bezette gebieden van Palestina helemaal niet mogelijk was, is het waarschijnlijk dat hij ook toen nog in opdracht van de keizer handelde. Hij kwam in Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth en ging via Rama terug naar Akko. Wilbrands Jeruzalem-itinerarium toont de auteur als een belezen schrijver en een reiziger met een scherp waarnemingsvermogen, maar breekt helaas af bij het bezoek aan Jericho. Daarom vernemen wij ook niets meer nauwkeurigs over het tijdstip van de terugreis. Aangezien Wilbrand in opdracht reisde, moeten er vóór en na de missie verblijven aan het keizerlijk hof hebben plaatsgevonden. In de zomer van 1211 verbleef de Welf in Apulië; eind 1212 of begin 1213 moet Wilbrand hem al naar Duitsland zijn nagereisd. Hoe lang hij het nog aan de zijde van Otto heeft uitgehouden, wiens ster onafwendbaar dalende was, blijft onduidelijk. Op een onbekende dag van het jaar 1213 verschijnt hij in ieder geval in het gevolg van zijn oom, de Münsterse bisschop Otto van Oldenburg-Wildeshausen, die inmiddels tot de tegenstanders van de Welf behoorde.

Proost en domproost 1213-1225

Springplank voor het bisschoppelijk ambt

De getuigenlijst van de toen uitgevaardigde oorkonde noemt Wilbrand prepositus de Aldenburg. Aangezien de grafelijke plaats Oldenburg zelf geen proosdij bezat, zou men aan de Zutphense waardigheid willen denken. Waarschijnlijker is echter dat Wilbrand proost was van het eerbiedwaardige Alexanderstift in zijn vaderstad Wildeshausen. Als bezitters van deze prebende waren zijn ooms Gerhard en Otto hem immers telkens vóór hun aantreden als bisschop (respectievelijk 1193 en 1203) voorgegaan, en het is daarom waarschijnlijk dat men de proosdij in het huis Oldenburg beschouwde als springplank voor de carrière van de geestelijke familieleden. In 1205 komt proost Konrad oorkondelijk voor, daarna echter pas in 1219 Hildeward. Deze laatste vermelding zou passen bij de gedachte dat Wilbrand eind 1218 of begin 1219 domproost van Hildesheim werd. Als hij werkelijk van 1213 tot 1218 in Wildeshausen heeft gefunctioneerd, dan was dat geen gelukkige tijd. Stormen deden op 25 november 1214 en 28 februari 1218 de westtorens van de stiftskerk instorten, en de proosdij was inzet van strijd tussen de aartsbisschop van Bremen, Gerhard van Oldenburg, en de Welfen. Toch zou het door Osnabrück beïnvloede bouwconcept van de overigens waarschijnlijk pas na 1224 begonnen nieuwbouw van de stiftskerk op Wilbrand kunnen teruggaan.

Diverse buitenlandse reizen 1222-1224

Maar ook als domproost van Hildesheim had Wilbrand het niet gemakkelijk, omdat hij niet zelden afwezig was. De in zijn opdracht in 1231 geschreven Utrechtse geschiedvertelling benadrukt uitdrukkelijk dat hij een tweede pelgrimsreis en reizen naar Italië in dienst van keizer Frederik II zou hebben ondernomen. In feite werkte hij als helper van de keizerlijke legaat Albrecht van Maagdenburg in de mark Treviso, die deze van 1222 tot 1224 in opdracht van Frederik II bestuurde. Uit deze tijd is een brief van Wilbrand overgeleverd, waarin hij zich voor zijn afwezigheid verontschuldigt en het domkapittel de schenking van twee kostbare goudbrokaten door de keizer aankondigt. Wegens de door zijn afwezigheid ontstane verliezen probeerde het domkapittel Wilbrand later nog aansprakelijk te stellen, maar in oktober 1226 kwam het onder betaling van 50 pond zilver tot een schikking.

Bisschop van Paderborn 1225-1226

Bemiddelaar tussen edelen

In 1225 werd Wilbrand de opvolger van de voormalige kruistochtprediker Oliver van Keulen op de bisschopszetel van Paderborn. Daar bemiddelde hij op een meidag in het jaar 1226 bij de deling van Herford tussen de graven Otto II en Lodewijk van Ravensberg, waarbij de eerste Vechta, Fresenberg, Vlotho en het graafschap aan de Eems kreeg en de tweede Ravensberg met Bielefeld, waardoor voor drie decennia de zelfstandige Ravensbergse heerschappij Vechta werd gevormd. Aan het domkapittel van Paderborn weigerde hij de opheffing van de vita communis.

Stadhouderschap bisdom Osnabrück en Münster 1226-1227

Duobaan met graaf Gerard III van Gelre

Eind 1225 schokte een moorddaad de politieke verhoudingen in het Rijk en in Westfalen. Graaf Frederik van Isenburg had de rijksgouverneur en voogd van koning Hendrik (VII), Engelbert van Keulen, overvallen en laten afslachten. Men kan vermoeden dat achter deze aanslag de wereldlijke dynasten van Westfalen stonden, die de groeiende machtspositie van Keulen wilden stoppen. Vooral Frederiks broers Engelbert en Diederik, bisschoppen van Osnabrück en Münster, alsook de graven van Tecklenburg en Schwalenberg werden van medeplichtigheid beschuldigd. Op de door de pauselijke legaat Konrad ter bestraffing van de moordenaars en hun handlangers belegde rechtsdag in Luik op 3 februari 1226 werden beide bisschoppen geschorst. Voor het hoogstift Münster getuigt abt Emo dat de custodia gezamenlijk aan Wilbrand en graaf Gerard III van Gelre werd overgedragen, en wel zo dat Wilbrand geestelijk en Gerard wereldlijk bestuurder van het bisdom werd. Omdat de kroniekschrijver in één adem ook de afzetting van de Osnabrücker noemt, nam Moser al aan dat Wilbrand tegelijk tot administrator van het bisdom Osnabrück was aangesteld. Het keizerlijk diploma van Frederik II van juni 1226 noemt Wilbrand dan ook inderdaad als provisor van de kerk van Osnabrück.

Bouw van kathedralen in Münster en Osnabrück

Weliswaar waren beide Isenburgers afgezet, maar graaf Otto van Tecklenburg bood ondanks de pauselijke ban verder verzet. Daarentegen probeerden Volkwin en Adolf van Schwalenberg zich met de wrekers van Engelbert en Wilbrand te verzoenen door de cisterciënzerkloosters Mariental bij Netze (Waldeck) en St. Maria en Johannes de Doper in Falkenhagen te stichten. Over het feit dat de graven met honderd ridders en knapen blootsvoets voor hem boete hadden gedaan voor hun gewelddaden en onder meer ten gunste van Paderborn afstand hadden gedaan van Korbach, stelde de bisschop op 14 april 1227 een oorkonde op. Daarentegen is het Wilbrand niet gelukt de betrokkenheid van Otto van Tecklenburg bij de aanslag op Engelbert uit te buiten voor territoriale winst. Wilbrand bleef administrator van Osnabrück en Münster totdat beide bisdommen nieuwe opperherders kregen: Osnabrück in de herfst van 1226 met Otto I en Münster in de loop van het jaar 1227 met Ludolf van Holte. Dat Wilbrand tijdens zijn ambtstijd ijverig heeft laten doorbouwen aan de nieuwbouw van beide kathedraalkerken in Münster en Osnabrück, kan nauwelijks betwijfeld worden. Aan bepaalde bouwdetails is dat echter niet vast te maken.

Limoges-schaal en doopvont in Osnabrück

De belangrijkste getuigenissen van Wilbrands Osnabrückse werkzaamheid zijn echter twee kunstnijverheidsproducten, namelijk een Limoges-schaal met het wapen van het toen door de Oldenburgers nieuw verworven graafschap Bruchhausen en de bronzen doopvont in de dom van Osnabrück. De doopvont is onder meer voorzien van de volgende inscriptie: “Wilbernus wijdt u, Petrus, deze gave, om door u deelachtig te worden aan het hoogste goed. Gerhardus heeft mij gemaakt” (WILBERNVS PETRE CONFERT ISTVT TIBI DONVM + PER TE SVMMVM POSSIT HABERE BONVM. GERARDVS MET FECIT). Zij was de kunsthistoricus Wilhelm Lübke al opgevallen als een belangrijk werk van de romaanse bronsgietkunst. Hij merkte ook op dat het opschrift ‘de namen van de schenker en van de uitvoerende kunstenaar’ noemde, maar zag blijkbaar geen mogelijkheid de als WILBERNUS aangeduide stichter te identificeren. Pas Johann Adolf Bertram, de latere bisschop van Breslau, merkte in 1900 op dat Wilbern iets te maken moest hebben met de gelijknamige stichter van de Hildesheimse doopvont. Lange tijd kwam men niet op een verbinding met de gelijktijdige administrator van Osnabrück en domheer van Hildesheim, Wilbrand. Het bewijs van die identiteit werd pas geleverd door de Osnabrückse domarchivaris mgr. Christian Dolfen († 1961). Dat Wilbernus een met Wilbrandus identieke naamvorm is, blijkt uit andere overwegingen en analoge epigrafische voorbeelden.

Doopvont van Osnabrück

Als men de schenking van de doopvont in verband brengt met Wilbrands stadhouderschap, dan is daarmee tegelijk een vrij nauwkeurige datering gewonnen voor de gieting door meester Gerhard, die overigens pas in 1251 als klokkengieter aantoonbaar is, namelijk tussen februari en de late zomer van 1226. Aangezien Osnabrück de thuisdiocese van Wilbrand was, is theoretisch echter ook ieder ander tijdstip tussen 1200 en 1233 denkbaar. Met de Osnabrückse doopvont verwant zijn nog twee andere, die van Twistringen en Oesede. Ook zij staan op leeuwenpoten. Het doopbekken van Twistringen vertoont naast een inscriptie over de heilzame betekenis van de doop de letters IO-HANNES, die ongetwijfeld betrekking hebben op Johannes de Doper. De meeste grondheerlijke en vrijgraaflijke rechten in Twistringen kwamen destijds toe aan de graven van Ravensberg, met wie Wilbrand nauw verbonden was. Sophie van Ravensberg-Vechta noemde hij zijn nicht, want zij was een dochter van graaf Hendrik III van Oldenburg-Bruchhausen, zijn broer. Zij moet Wilbrand bijzonder na hebben gestaan, want hij begunstigde haar en haar man Otto II als bisschop van Paderborn herhaaldelijk, zelfs nog als bisschop van Utrecht. Zouden Wilbrand en Sophie de doopvont hebben geschonken uit dank voor de deling van Herford van 1226, die immers de zelfstandigheid van het graafschap Vechta vestigde? Deze veronderstelling ligt voor de hand, omdat noch een lokale adel, die hier niet bestond, noch de diocesane heer, die ver weg in Minden zetelde, in aanmerking komt.

Doopbekken in Oesede

Het doopbekken in de parochiekerk van Sint-Petrus en Paulus te Oesede sluit artistiek nauw aan bij werken in Osnabrück en Minden. Interessant is dat de patroonheiligen van het benedictinessenklooster in Oesede eveneens Maria en Johannes de Doper waren, en dat de doopvont Christus tussen beide heiligen toont, omgeven door twaalf aangegoten reliëffiguurtjes van de apostelen. De daaronder aangebrachte Petrus moet niet, zoals men heeft vermoed, in verband worden gebracht met de titelheilige van de Oeseder parochiekerk, want niet alleen de kerk, maar ook haar huidige patronaat is van zeer jonge datum.

Schaal in domschat van Osnabrück

De laatromaanse-vroeggotische blauw geëmailleerde schaal in de domschat van Osnabrück kan men in zekere zin als een heraldisch monument toeschrijven aan een andere machtspolitieke regeling in Noordwest-Duitsland, namelijk de bezwering van de familieruzies in het huis Oldenburg, die werd bezegeld met de belening van het graafschap Bruchhausen door de aartsbisschop van Bremen in 1226-1228. Daarmee werd tegelijk de voorwaarde geschapen voor een gezamenlijke strijd tegen de opstandige Stedinger boeren. Als het belangrijkste kunstwerk onder de vier parallelle bronzen doopvonten moet de domdoopvont van Hildesheim worden beschouwd, die eeuwenlang in het middenschip van de kathedraal stond en pas in latere tijd naar de aangrenzende Georgskapel is overgebracht. De beeldwerken van de doopvont tonen onder meer de doop van Christus. Daar recht tegenover bevindt zich het wijdingsbeeld: Maria met het kind tussen de bisdomspatronen Epiphanius en Godehard. Een kleine knielende stichtersfiguur is links van de troon aangebracht en spreekt, opziend, de Mariagroet uit (AVE MARIE GRATIA PLENA). De stichter draagt het gewaad van een geestelijke en wordt door het opschrift ondubbelzinnig geïdentificeerd: “Wilbern wijdt in de hoop op genade en tot lof van Maria deze versiering aan de kerk. O Christus, neem haar genadig aan!” (+-WILBERNVS-VENIE-SPE-DAT-LA-VDIQve-MARIEHOC-DECVS-ECCLESIE-SVSCIPE’XPE [= Christe]-PIE-). De kunsthistoricus Habicht dateerde de doopvont op de tijd rond 1210, wat niet in tegenspraak is met de waarneming van Peter Bloch dat het Hildesheimse bekken het Osnabrückse zou hebben beïnvloed. Anderen, zoals Victor Elbern, geven de voorkeur aan de datering ‘omstreeks 1225’.

Muntslag in Paderborn

Tijdens Wilbrands stadhouderschap in Münster en Osnabrück zijn geen munten geslagen, wel echter in Paderborn. Er bestaan drie buitengewoon zeldzame zilveren penningen met het beeld van de bisschop en het omschrift WILLEBRANDV. Een van deze denaren toont de bisschop als rijksvorst, namelijk met een rijksappel. Het wapenschild op de borst, dat een eenvoudig kruis bevat, zou een aanwijzing kunnen zijn voor een op handen zijnde kruistocht. Eveneens uit zijn Paderbornse bisschopstijd stamt een zegel van Wilbrand, dat hem toont in de toen gebruikelijke gedaante van een tronende bisschop. Voor het regentschap in Osnabrück en Münster is geen afzonderlijk zegel van Wilbrand overgeleverd.

Bisschop van Utrecht 1227-1233

Een man met ervaring in oorlog en politiek

In 1227 werd Wilbrand, op aandringen van zijn neven, de graven Gerard van Gelre en Floris van Holland, tot bisschop van Utrecht gekozen. Daarmee werd hij de opvolger van Otto van Lippe, die op 28 juli 1227 bij Ane door de Drentse boeren was doodgeslagen. De Utrechtse geestelijkheid “hoopte van hem dat hij bijzonder geschikt zou zijn zulke monsterlijke misdaden als die van Ane te wreken — namelijk vanwege zijn adel, want hij was van hoge adel, een broer van de graaf van Oldenburg, en omdat hij zijn machtige adellijke verwanten, de graven van Holland en Gelre en anderen, voor de zaak van de Utrechtse kerk kon mobiliseren of althans van aanvallen op haar kon weerhouden, maar ook omdat hij een man was van grote ervaring in zaken van oorlog en politiek.” Reeds op 20 augustus 1227 hield hij zijn plechtige intocht in Utrecht. Hoewel zijn ambtsperiode slechts bijna zes jaar duurde, was Wilbrand een van de belangrijkste Utrechtse bisschoppen, ook al gelukte het hem niet in Drenthe volledig en definitief rust te brengen. Hij verleende de latere Hanzestad Zwolle in 1230 stadsrecht en versterkte de steden van het land. Op geestelijk gebied is te vermelden dat hij het Maria-altaar van de dom wijdde, in 1229 premonstratenzers naar Zevenwouden haalde en in 1233 tot zielenheil van de tegen de Drenten gevallenen het klooster Marienberg in Salland bij Hasselt stichtte.

Kroniek Quedam narracio uit 1232

Ook hier ontstonden literaire werken. In opdracht van Wilbrand schreef een anonieme stiftsgeestelijke een verslag over de strijd van de bisschoppen tegen de Drenten, met als opschrift Quedam narracio de Groninghe, de Trenthe, de Covordia et de diversis aliis sub diversis episcopis Traiectensibus — de titel Gesta episcoporum Traiectensium is er pas door de uitgever van de Monumenta, Ludwig Weiland, aan gegeven. Het valt op dat deze in haar laatste gedeelten dagboekachtig vormgegeven geschiedvertelling plotseling afbreekt bij 20 september 1232. Vermoedelijk heeft de auteur zijn werk, waaraan hij volgens de proloog nog op 31 oktober 1232 werkte, in 1233 na het bericht van de dood van de bisschop afgebroken, omdat hij niet wist of zijn werk de opvolger welkom zou zijn. Inderdaad heeft deze, een graaf van Holland, een voortzetting kennelijk niet gewenst. Onder Wilbrand ontstond ook de nog altijd bewaarde Liber donationum imperialium, het cartularium van de Utrechtse kerk in twee perkamenten exemplaren.

Overlijden Wilbrand in 1233

Wilbrand stierf op 27 juli 1233 te Zwolle. Hij heeft dus het bericht van de dood van zijn broer Burchard, die op 6 juli in de strijd tegen de opstandige Stedinger boeren was gevallen, slechts ongeveer veertien dagen overleefd. Met Burchard van Oldenburg-Wildeshausen was hij nauw verbonden; deze verbleef in 1231 bij hem, en het is niet uitgesloten dat hij hem als legeraanvoerder tegen de Drenten heeft gediend. Op zijn sterfbed zou Wilbrand zijn rechterhand hebben opgeheven en hebben gezegd: “Deze hand heeft zich nooit door geschenken laten omkopen, heeft nooit iemand onrecht aangedaan!”

Begraven in het Sint-Servaas-klooster

De vroegere administrator van Münster en Osnabrück werd begraven in het door hem van Abstede naar Utrecht verplaatste cisterciënzerklooster Sint-Servaas. Aan de noordmuur van de later afgebroken kloosterkerk bevond zich volgens de woorden van de kroniekschrijver Antonius Matthaeus zijn magnum monumentum, waarvan nog een beschrijving bestaat. Het twee voet hoge grafmonument droeg een inscriptie die begon met de woorden WILLEBRANDVS DE OLDENBVRG en hem niet geheel correct als FVNDATOR PRIMVS ET CONSTRUCTOR van het klooster aanduidde, aangezien hij het slechts bouwde, maar niet stichtte.