Direct naar de inhoud.

1485

Erebegraafplaats Zwartewaterklooster

Bij het klooster Mariënberg bij Zwartewaterklooster werd een erebegraafplaats ingericht voor alle edelen die onder Otto II en Wilbrand, bisschoppen van Utrecht, bij Coevorden en omgeving om het leven waren gekomen. Uit een kroniek graven van Bentheim van omstreeks 1485 valt op te maken dat het om meer dan 140 graven ging. Sommige van de slachtoffers, waaronder Otto II van Lippe, zijn broer Dirk van Lippe en Berend van Horstmar, werden elders begraven. Resteren nog 144 andere bekende en minder bekende namen van mannen die bij Mariënberg hun laatste rustplaats moeten hebben gevonden. Het gros van hen zal in de slag bij Ane zijn gesneuveld, maar zoals eerder gememoreerd was het klooster ook bedoeld voor de nagedachtenis van degenen die in de jaren daarna in de strijd tegen Drenthe en Coevorden waren omgekomen.

Lijst van de gesneuvelden bij de Slag bij Ane op 28 juli 1227

Verbanden met ridders die na 1227 omkwamen

Inderdaad vinden we in de lijst namen van wie het aannemelijk is dat zij ten tijde van bisschop Wilbrand het leven verloren, zoals de vijf lieden die uit Oldenburg kwamen. Opvallend is ook de naam van Koenraad van Steenwijk, die zeer waarschijnlijk identiek is met de eveneens Koenraad geheten schout die in 1231 of 1232 bij de gevechten in de buurt van Steenwijk om het leven kwam en die in de stichtingsoorkonde van het klooster met name wordt genoemd. Van de twaalf ridders die als getuigen bij deze schenking aan Mariënberg worden genoemd, kan van tenminste zes met zekerheid worden vastgesteld dat zij naaste familieleden waren van een van de op de lijst vermelde ridders.  Waarmee ook iets zichtbaar wordt van de brede groep van edelen en ridders die zich met het klooster in Mariënberg verbonden moeten hebben gevoeld.

Benedictinessenklooster Mariënberg

In de Bentheimse kroniek wordt vastgesteld dat de gevallenen van de slag bij Ane en van andere gewapende conflicten in Drenthe begraven zouden zijn ‘in monasterio ad nigram aquam’. Daarmee wordt het benedictinessenklooster Mariënberg bedoeld, dat de namen ‘Ad nigram aquam’, ‘Ten Zwarten Water’, ‘Zwartewater’, ‘Insula Dei’ en ‘Insula beate Marie’ droeg. Het Benedictinessenklooster werd in 1233 gesticht door bisschop Wilbrand van Utrecht ter wille van de zielenrust van zijn in de slag bij Ane in 1227 gesneuvelde voorganger Otto en van allen die elders in Drenthe in dienst van de Kerk het leven hadden gelaten. Het klooster lag ongeveer 35 kilometer ten westen van de plaats waar de slag bij Ane plaatsvond. Dat de gevallenen van Ane in dit klooster werden begraven (wat dan pas zes jaar na de slag bij Ane kan zijn gebeurd), wordt – naast de Bentheimse kroniek – blijkbaar ook vermeld in een oorkonde van de Utrechtse bisschop-elect Otto uit mei 1244. Daarin schenkt hij land aan het convent ‘in memoriam venerabilium predecessorum nostrorum Otto de Lippia et Wilbrandi episcoporum nec non aliorum nobilium, militum et satellitum apud Couordiam interfectorum, quorum plurima corpora apud dictum locum habentur terre commendata’, ofwel ter nagedachtenis aan onze eerbiedwaardige voorgangers Otto van Lippe en Wilbrand, bisschoppen, alsook aan andere edelen, ridders en krijgslieden die bij Coevorden zijn gedood, van wie vele lichamen op genoemde plaats ter aarde zijn besteld.

De gebeurtenissen rond 1225-1227

In het jaar van onze Heer 1225 ontstond in de stad Groningen een grote strijd tussen Egbert, burggraaf van Groningen, en Rudolf, burggraaf van Coevorden. Daarom trok bisschop Otto met een leger naar Groningen, stichtte vrede en beval beide partijen deze onder bedreiging van de doodstraf te bewaren. Maar nadat de bisschop was vertrokken, veroverde Rudolf van Coevorden Egberts huis, dat in de nabijheid lag, verwoestte het, en trok met krijgsvolk naar Groningen, verbrak de vrede en verdreef Egbert, zodat deze naar Friesland uitweek. Daarop verzamelde Egbert een groot Fries leger en belegerde Groningen van alle kanten. Hij ondernam vele aanvallen, stak een deel van de stad in brand en verdreef Rudolf, die ternauwernood met zijn leven ontkwam en naar Coevorden vluchtte. Rudolf, vastbesloten dit te wreken, verzamelde snel veel gewapenden en bestormde Groningen zonder ophouden. Toen de bisschop hoorde van de nood van zijn stad, verzamelde hij uitgelezen strijders om Rudolf van de belegering te verdrijven en de burcht van Coevorden te slechten.

Voorbereidingen voor een veldslag zomer 1227

Graaf Gerhard van Gelre kwam de bisschop met vele gewapenden te hulp; graaf Floris van Holland zond hem een groot ruiterleger; graaf Diederik van Kleef en graaf Boudewijn van Bentheim verleenden eveneens steun. De bisschoppen van Keulen en Münster stuurden zoveel krijgsvolk als werd gevraagd. Onder hen bevond zich heer Bernhard van Horstmar, een voortreffelijk en dapper man, de voornaamste ridder van geheel Duitsland. Daarop werd bij Ane een groot leger verzameld, waar bisschop Otto van Utrecht zijn tenten opsloeg. Bij besluit van zijn raad verklaarde hij Rudolf vervallen van al zijn goederen en rechten, evenals diens helpers. Rudolf overwoog de grote macht van de bisschop, brak zijn belegering van Groningen af en sloeg zijn kamp op bij Coevorden, in de nabijheid van een uitgestrekt, woest land en een moeras dat moeilijk over te steken was. De volgende dag liet de heer van Goer, die het Sint-Maartensbanier droeg, de bazuinen blazen en de trommels slaan en trok met uitgelezen strijders vooruit. Zij wilden met de bisschop door het moeras trekken. Toen kwam Rudolf van Coevorden hun met zijn gewapenden en met de Drenten tegemoet.

Moerassig gebied werd de bisschop noodlottig

Toen Rudolf zag dat de bisschop met zijn leger het moeras wilde doorkruisen, riep hij – naar men zegt – uit goedheid van hart dat zij dit niet moesten doen, want hun leven stond op het spel. Zijn ridders namen hem dit kwalijk en vroegen of hij zichzelf wilde verderven en zijn vijanden versterken. Maar hij antwoordde: “Nee, vrienden, maar zou het mij niet verdriet doen dat deze eerbare heren en vorsten zo ellendig hun leven verliezen, want ik zie de dood vóór hen staan?” Toen het bisschoppelijke leger het moeras introk, zakten zij weg in het drassige land, zwaar beladen met wapens. Rudolf viel hen aan met zijn mannen en met de Drentse mannen en vrouwen. Zij doodden de bisschop en zijn getrouwen, die jammerlijk stikten of werden gedood. Sommigen stierven van dorst, anderen ontsnapten zwaar gewond.

Achtervolging langs de Vecht

Rudolf achtervolgde het vluchtende leger de hele nacht en buit maakte op hun proviand, tenten en kostbaarheden. Hij keerde met grote roem en vreugde naar Coevorden terug, met vele gevangenen, onder wie graaf Gerhard van Gelre, Gisbert van Amstel en Diederik, de broer van de bisschop en proost van Deventer. Bisschop Otto werd in het moeras gevangen genomen en gemarteld. Men sneed hem zijn tonsuur bloedig af met zwaarden en wierp hem tenslotte op een uiterst onreine plaats. Dit gebeurde op 1 augustus. In de strijd sneuvelden meer dan vijfhonderd ridders, naast vele andere gewapenden. Bernhard van Horstmar vocht moedig tot hij eveneens in het moeras zonk. Bisschop Otto werd heimelijk uit het moeras gehaald en onder groot geween in de Dom van Utrecht begraven.

Otto van Lippe zegt over het jaar 1227: ‘Lippe heeft mij gevoed, Utrecht heeft mij tot bisschop gemaakt,
uiteindelijk heeft het lot mij geschaad, want Coevorden heeft mij neergeslagen.

Lijst van gesneuvelden

In de Bentheimse kroniek is een lange opsomming van de namen van edelen, ridders en anderen die in Drenthe sneuvelden en van wie de lichamen in het klooster bij het Zwartewater werden begraven. Onder hen bevonden zich talrijke edelen uit Gelre, Overijssel en aangrenzende gebieden, waaronder de bisschop zelf, zijn broer Diederik, Bernhard van Horstmar en vele andere ridders en edellieden:

  • Bernardi de Lippia
  • Theodericus frater episcopi prepositus Daventriensis
  • Bernardus de Horstmaria
  • Hermannus de Voerst
  • Hermannus de Vorden
  • Swederus de Vlete
  • Reinaldus de Rees
  • Theodericus de Tinghede
  • Symon de Telinge
  • Thidricus et filius eius de Buchorst, Andreas de Wulven
  • Arnoldus Lioph et filius eius
  • Henricus de Intphaes
  • Henricus de Sallant
  • Theodricus de Nestvelt
  • Henricus de Boetbergen
  • Bodkin, Willem
  • Tanke
  • Nicolaus de turri van den toern
  • Fredericus, Otto, Rembolt, Werner Lintbreit de Aldenberge
  • Bernart de Dalfsen
  • Stephanus de Manre
  • Wicher de Heghene
  • Jordanus de Wye
  • Albon de Anete
  • Thiebolt de Thye
  • Wilhem de Alberge
  • Luibbikin de Dolre
  • Rabbodo
  • Wilhelm de Kotene
  • Reiner de Lewen
  • Thedericus Splinter
  • Conradus de Steenwijc
  • Fredericus van Agelo
  • Rodolphus de Rathe
  • Eylart de Marcklo
  • Gerloch de Empe
  • Goswijn de Wanteuoerde
  • Thidrick de Hussete
  • Albert de Hare
  • Werner parvus
  • Johannes de Hassele
  • Alphardus de Reckeke
  • Gerardus de A
  • Gerardus Tacke
  • Wilhelm frater eius, Herman
  • Theodorus de Wrochten
  • Henricus de Hermele
  • Johannes de Alendorp
  • Thedericus de Wercunde
  • Everhart de Montfort
  • Gerardus de Altene
  • Wilcherus Kone
  • Dilius frater eius
  • Walterus ultra Vechtam
  • Herman de Marlare
  • Ripertus Miles
  • Gerardus Cranck
  • Hinricus filius eius
  • Gerardus Comes
  • Robertus de Alpbdoren
  • Egene et Lambertus duo fratres de Rijn
  • Godfridus de Wijc
  • Roderick de Geesteren
  • Herman de Doeneke
  • Splinter de Lonresloet
  • Gerardus Palike
  • Gotzwijn de Dune
  • Henric Rust
  • Henrick ut der borch
  • Zweth et duo filij de Sulffwolde
  • Stephan de Elzen
  • Jacob Liopht
  • Franco de Huesne
  • Evert de Ulffte
  • Johannes de Nerhe
  • Stephanus de Roderloe
  • Albertus et Hinric de Deese
  • Liodulphus de Sulffwolde
  • Rutgherus de Ulzen
  • Gererdus de Hunne
  • Lotgher de Ulbentote
  • Ulrijck de Enschede
  • Goswijn de Laghe
  • Rotgher de Eeze
  • Conradus Pincerna
  • Theodericus de Hernecote
  • Arnolt de Zallant
  • Johannes et Luitbertus fratres de Hattem
  • Goswijn de Ostenwolde
  • Wilkijn de Rine
  • Reinbun, Jacob duo cognati de Dorneke
  • Arnolt de Mekelenhorst
  • Genehart de Sutendorpe
  • Rodolphus de Steenholt
  • Adulphus de Rekelinchusen
  • Nicolaus Tacitus
  • Florens et Florijn de Benthem
  • Hermen de Buerzeler
  • Conradus de Berentorp
  • Thomas de Hulsgore
  • Rembolt de Holten
  • Ludulff Caulde et filius suus
  • Wernerus de Beerse
  • Lambertus de Netelhorst
  • Hertgerus de Werslo
  • Amelrijck de Avensate
  • Hinricus de Vlederinge
  • Conradus Arnoldus et Ludolphus faber de Oetmersem
  • Conradus de Butelo
  • Junno de Dalfsen
  • Wigerus Bensinck
  • Ripertus de Solemunde
  • Rodolphus de Utphete
  • Riquinus de Hasselte
  • Theodricus de Capelle
  • Johannes Pancer
  • Ilias de Eldrijck
  • Nycolaus de Berchhusen
  • Engelbertus miles domini, her de Monte
  • Johannes de Paelwighe
  • Henricus de Lochem
  • Rutgherus de Doerneke
  • Liudulphus de Sulffwold
  • Theodricus de Wijtsande
  • filius Gerardi de Linge
  • Henricus Knoop de Mensbergis.