Assen

Klooster in Assen
Sancta Maria in Campis
Het klooster in Assen Maria in Campis (ook Sancta Maria te Campe of Mariënkamp) is een voormalig Drents klooster, oorspronkelijk gevestigd bij Coevorden, vanaf ca. 1260 in Assen. Het voormalig kloostercomplex wordt sinds 1854 gebruikt door het Drents Museum en sinds 1900 door het Drents Archief.
Vrouwenklooster verhuisde van Coevorden naar Assen
Klooster bij Coevorden 1233-1260
Boetedoening voor dood bisschop Otto II
Na de Slag bij Ane in 1227 moest nabij Coevorden een klooster, waar tenminste vijfentwintig nonnen konden wonen, gesticht worden als boetedoening voor de dood van bisschop Otto II van Lippe en alle andere edelen bij de veldslag. In 1233 blijkt bisschop Wilbrand zelf een klooster te hebben gesticht, Mariënberg bij Hardenberg, ter nagedachtenis aan Otto II en andere gesneuvelden. Dit was echter een Benedictijnenklooster en kan niet het in 1228 beloofde Drentse klooster zijn geweest. De daadwerkelijke uitvoering van de Drentse belofte kwam waarschijnlijk pas rond 1234 tot stand, toen na de onderwerping van de opstandige Stedingers ook de Drenten opnieuw met de bisschop verzoend werden. In deze fase werd duidelijk bepaald dat het te stichten klooster een vrouwenklooster van de cisterciënzerorde moest zijn.
Dochterklooster van abdij Aduard
De abdij Mariënkamp werd vermoedelijk tussen 1234 en 1246 in de omgeving van Coevorden gesticht. In 1246 werd zij officieel opgenomen in de Cisterciënzerorde als dochterklooster van de abdij Aduard in Groningen. Daarmee kwam zij onder toezicht van de abt van Aduard, terwijl de bisschop van Utrecht formeel zijn gezag behield. De abdij was echter van meet af aan economisch zwak. De gronden bij Coevorden waren moerassig en weinig vruchtbaar, wat het voortbestaan bemoeilijkte. Liefst waren de kerken en kloosters ontdaan van beelden, schilderijen en glas-in-lood. Zelfs de habijten bleven ongekleurd – de oorsprong van de benaming ‘witte zusters’. Deze orde had ook een sterk agrarisch karakter, met boerderijen, akkers en grasland rondom de cisterciënzerkloosters. Middels schenkingen en aankopen was, aan het eind van de dertiende eeuw, de volledige marke van Assen eigendom van de witte zusters.
Verhuizing naar marke van Witten 1260
Bouw nieuw kloostercomplex bij Azcen
In 1253 verkreeg de abdij van bisschop Hendrik van Vianden toestemming om zich te verplaatsen naar Balderhaar of Sibculo, maar van deze mogelijkheid werd geen gebruik gemaakt. Kort nadat in 1259 goederen werden verkregen bij Deurze, verhuisde de kloostergemeenschap naar de parochie van Rolde, in de marke van Witten. Er werd een nieuw kloostercomplex gebouwd bij Azcen of Hassen, een zandplateau bij het riviertje Weiersloop, op een zandrug die uitgroeide tot het huidige Assen. Deze verhuizing lijkt mede gestimuleerd te zijn door de abt van Aduard, die als vader-abt verantwoordelijk was voor het toezicht. Assen lag in de parochie Rolde en bood betere mogelijkheden voor ontginning en landbouw, wat voor een cisterciënzerklooster essentieel was. Het klooster werd omgeven door singels. Het grootste deel van de toen gegraven singels is later gedempt. De huidige straatnamen herinneren nog aan deze singels (Gedempte Singel, Noordersingel, Oostersingel en Zuidersingel). Aan de westkant was geen singel, want daar stroomde de Weiersloop. Na een brand in 1418 moesten klooster en kerk weer worden herbouwd. In 1460 werd het klooster opgenomen in de orde van de Trinitariërs.
Ontwikkeling tot invloedrijke gemeenschap
De witte zusters leefden in strenge afzondering. Afzondering van de buitenwereld, maar ook in strikte gescheidenheid van de leken die ook werkten op het kloosterterrein. In Assen ontwikkelde de abdij zich tot het centrum van een kleine, maar invloedrijke gemeenschap. Het klooster in Assen leek net een klein dorp. De abdij werd geleid door een abdis, bijgestaan door functionarissen als priorin, kelderse (econome) en kapellaanse (kosteres). Daarnaast waren er lekezusters, lekebroeders en ander personeel, de zogenaamde ‘familia‘ van het klooster. Op het terrein woonden naast de nonnen mensen die het klooster onderhielden. Zo waren er conversen en proveniers. Conversen waren een soort tweederangs nonnen die wel non waren, maar alleen huishoudelijk werk mochten doen. De proveniers waren ‘gewone’ mensen die er mochten wonen omdat ze geld of bezit aan het klooster hadden gegeven. Proveniers waren vaak oudere mensen die bijvoorbeeld hun land gaven aan het klooster en daardoor verzorgd in het klooster mochten wonen. Een soort van bejaardentehuis eigenlijk. Ook waren er werklui die vooral in de bijgebouwen werkten zoals de bakkerij, varkensstal, ziekenzaal, schoenmakerij of bijvoorbeeld de brouwerij. Zo kon het klooster zichzelf voorzien van de dagelijkse benodigdheden. De lekebroeders beheerden de uithoven (grangiae), zoals het Venehus bij Dalen en het Padhuis bij Schoonebeek, waar landbouw en veeteelt werden geëxploiteerd.
Bidden, lezen en schrijven
De nonnen hielden zich bezig met het geloof. In het klooster werd veel gebeden. Daar werd al heel vroeg in de ochtend mee begonnen. De dagelijkse vieringen, geleid door de acht gebedentijden, werden met eerbied uitgevoerd. Ook hielden de nonnen zich bezig met lezen en schrijven. Heel bijzonder toen, want tot 1259 kon bijna niemand in Drenthe lezen of schrijven. De nonnen in Maria in Campis konden dat wel. In de kloosters werden de heilige Latijnse teksten van de kerk gelezen en geschreven.
De abdij bleef echter arm. Zij bezat verspreide landerijen in Drenthe, onder meer in Assen, Duurze, Halen, Beilen en Witten, en enige bezittingen in Groningen. Grote schenkingen bleven uit. Alleen graaf Otto van Bentheim trad als belangrijke weldoener op.
Bezitsverwerving door intreden nonnen
De abdij verwierf bezittingen vooral via ruil en aankoop, en door medegaven van intredende nonnen. Deze medegaven speelden een belangrijke rol in de financiële huishouding. Families schonken bij de intrede van hun dochters geld, renten of land als ‘provende’. In latere eeuwen werd zo’n medegave verplicht. Nonnen verloren doorgaans hun rechten op de ouderlijke nalatenschap, tenzij anders bepaald. Toch probeerde de abdij soms via juridische procedures aanspraken te doen gelden op erfdelen van nonnen. Uit diverse akten blijkt dat men in Assen nauwlettend toezag op inkomsten en erfenissen.
Juffers uit adellijke geslachten en patriciaat
De nonnen kwamen uit verschillende lagen van de bevolking. Enkele stamden uit gegoede adellijke geslachten, zoals de familie Jarges, De Vos van Steenwijk of Polman. Anderen waren dochters van aanzienlijke burgers, zoals burgemeesters van Groningen. Het klooster was geen exclusief adellijke instelling, maar in de loop der tijd kreeg het wel een meer aristocratisch karakter. De strenge cisterciënzerregel verslapte geleidelijk: nonnen beschikten over eigen inkomsten, ontvingen wijn en extra’s op feestdagen, en het klooster kreeg trekken van een wereldlijk jufferenstift. Naast nonnen telde de abdij proveniers: mannen en vrouwen die tegen betaling van geld of goederen kost en inwoning kregen. Zij vervulden soms werkzaamheden als portier, herder of organist, maar fungeerden ook als bewoners op leeftijd die verzorging zochten. Hun opnamebrieven tonen een mengeling van religieuze motieven en praktische overwegingen.
Conflicten met lokale machthebbers
De abdij had bovendien kerkelijke immuniteit. Zij en haar familiares vielen niet onder de wereldlijke rechtspraak van Drenthe. Dit leidde regelmatig tot conflicten met lokale machthebbers. De bisschop van Utrecht moest herhaaldelijk ingrijpen wanneer wereldlijke rechters zich met abdijzaken bemoeiden. Ook over bezittingen ontstonden geschillen, onder meer met de heren van Coevorden over veengronden en met de abdij Dikninge over tienden en herbergrechten. Soms werd de abdij zelfs slachtoffer van roof, zoals in 1321, toen edelen vee stalen. Paus Johannes XXII droeg de abt van Klaarkamp op hiertegen op te treden.
Een magere financiële basis
Ondanks pogingen tot uitbreiding en ontginning bleef de financiële basis smal. De abdij had betekenis voor de ontginning van het Kloosterveen bij Assen en verwierf uiteindelijk de gehele marke van Witten, maar structurele welvaart werd niet bereikt. Visitatieverslagen uit 1488 en 1570 spreken van armoede en slecht beheer. De verkoop van bezittingen bracht slechts tijdelijke verlichting. In de zestiende eeuw verslechterde de situatie verder door politieke onrust. Drenthe werd betrokken in de strijd tussen Saksen, Gelderse troepen en de bisschop van Utrecht. De abdij moest leningen verstrekken aan de bisschop om diens oorlogvoering te financieren, maar kreeg deze waarschijnlijk nooit volledig terug. Plunderingen en brandschattingen verergerden de malaise.
De opheffing van het klooster 1602
De Reformatie in 1598 bracht het einde
Tegelijkertijd won de Reformatie terrein. Rond het midden van de zestiende eeuw was het moeilijk nieuwe nonnen te werven. Pogingen om het klooster te versterken door samenvoeging met Trimunt mislukten grotendeels. Net zoals de meeste kloosters heeft Maria in Campis de Reformatie – of beter gezegd: de wettelijke invoering van de Nederduits Gereformeerde Kerk als staatskerk der Republiek – niet overleefd. Met een in 1598 uitgevaardigde oorkonde maakte Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, duidelijk dat de Rooms-katholieke tijd ten einde was gekomen in Drenthe. ‘Pastoren, priesters, vicarissen, schoelmeesters, ende andere geestelicke’ moesten hun godshuizen en heiligdommen afstaan. De Groninger kloosters van Aduard, Sint-Annen, Essen en Termunten waren Assen enkele jaren eerder al voorgegaan. kloostergoederen werden verbeurd verklaard en het klooster in 1602 opgeheven.
De laatste jaren 1602-1630
De goederen werden geïnventariseerd. Roerende goederen en vee verkocht om schulden te delgen. De overgebleven vijftien nonnen kregen alimentaties, variërend van 50 tot 100 gulden per jaar. Zij mochten in het klooster blijven wonen, maar nieuwe intredingen werden verboden. Geleidelijk stierven de laatste conventualen uit. De laatst overgebleven non verhuisde in 1630 naar de stad Groningen. De kloostergoederen werden onder beheer van het nieuwe College van Drost en Gedeputeerden geplaatst en dienden voortaan onder meer ter financiering van predikanten in het hervormde kerkstelsel. De gebouwen kregen een wereldlijke bestemming en werden gebruikt door Drentse bestuursorganen. Zo werd Assen, ooit ontstaan rond een Cisterciënzerinnenklooster, uiteindelijk de bestuurlijke hoofdstad van Drenthe.
De geschiedenis van Mariënkamp toont daarmee de ontwikkeling van een middeleeuws vrouwenklooster: ontstaan uit politieke verzoening en boetedoening, groeiend tot regionaal centrum van religie en ontginning, geleidelijk veraristocratiseerd en financieel kwetsbaar, en uiteindelijk opgeheven in de omwentelingen van de Reformatie. De abdij was nooit rijk of machtig, maar zij heeft blijvende invloed gehad op de vorming van Assen en het landschap eromheen.

De overgebleven kloostergebouwen
Het naast het klooster gelegen zeventiende-eeuws Ontvangershuis heeft een vijftiende-eeuwse oorsprong en was vermoedelijk vroeger priesterwoning. Tot de bezittingen van het klooster behoorden onder andere land in Salland, het kerspel van Rolde en Selwerd, het Asserbos, een refugium aan de Oosterstraat in Groningen, en een voorwerk te Matsloot. Een tekening van Cornelis Pronk uit 1735 toont een zicht op de Brink met aan de linkerkant een priesterwoning, die nog enige tijd als gemeentehuis gebruik is geweest, en rechts van achter naar voor de abdijkerk, de westvleugel van het klooster en de woning van de abdis.


Van klooster tot museum
De voormalige kloostergebouwen werden in gebruik genomen door het bestuur van de Landschap Drenthe. De woning van de abdis werd vervangen door het Drostenhuis (1774-1776) en de westvleugel van het klooster werd vervangen door het Gouvernementsgebouw (1882-1887). Op de plek van de voormalige oostvleugel werd begin twintigste eeuw het Rijksarchief gebouwd, waarin ook het Provinciaal Museum voor Oudheden werd gevestigd. In de abdijkerk en het archief zijn nog delen van het oude kloostercomplex te zien. De voormalige kloosterkerk werd nog gebruikt voor diensten, al stond de hoofdkerk van de parochie in Rolde. Pas in 1807 werd Assen een zelfstandige kerkelijke gemeente. Nadat de Jozefkerk in 1848 gereed kwam, werd de kloosterkerk een eeuw lang gebruikt als gemeentehuis. Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn de kerk, het Gouvernementsgebouw en Drostenhuis onderdeel van het Drents Museum.
