Gees

Restant van een mottekasteel
De Klinkenberg, gelegen bij het Drentse dorp Gees langs de Geeserstroom (ook wel Marsstroom genoemd), vormt het restant van een middeleeuws mottekasteel. De ligging aan de Muzelweg, nabij de Goringdijk, wijst op een strategische positie in het landschap. Al in de vroege dertiende eeuw speelde deze regio een rol in de machtsstrijd tussen lokale edelen en de bisschop van Utrecht, met als bekend keerpunt de Slag bij Ane. Tijdens deze veldslag werd het bisschoppelijke leger verslagen door de troepen van Rudolf van Coevorden, die het moerassige terrein slim benutten. Niet alle adellijke families kozen echter zijn zijde; het is aannemelijk dat de familie Clencke zich juist schaarde achter de bisschop.
Verdedigingswerk in een regio waarin de machtsstrijd tussen lokale edelen en de bisschop van Utrecht speelde
Bouw kort na Slag bij Ane rond 1239
Kort na deze roerige periode, vermoedelijk in de tweede helft van de dertiende eeuw, werd het mottekasteel van de Klinkenberg aangelegd. Archeologisch onderzoek heeft dit vermoeden bevestigd. In 2002 werd een eikenhouten paal opgegraven die via dendrochronologisch onderzoek gedateerd kon worden op circa 1239. Dit wijst erop dat het kasteel rond of kort na dit jaar is gebouwd. Het complex bestond uit een hoofdburcht en een voorburcht, elk op een kunstmatig opgeworpen heuvel, omgeven door een brede, achtvormige gracht van ongeveer twaalf meter breed en circa 1,80 meter diep. De voorburcht, ook bekend als Keutershoogte, diende waarschijnlijk als locatie voor woon- en bijgebouwen. De hoofdburcht daarentegen was voorzien van een versterkte toren, waarin bewoners zich in tijden van gevaar konden terugtrekken. Deze typische opzet past binnen het bredere fenomeen van mottekastelen, waarbij hoogte en waterverdediging gecombineerd werden om een relatief eenvoudige maar effectieve versterking te creëren. Archeologische vondsten geven bovendien aanwijzingen over het gewelddadige einde van het kasteel. In de gracht werden resten van een wilgenhouten kruisboog en meerdere ijzeren pijlpunten aangetroffen, wat duidt op strijdhandelingen in of rond het complex. Daarnaast wijzen verbrande houtresten erop dat het kasteel niet lang na de bouw door brand is verwoest. Mogelijk hield deze verwoesting verband met regionale conflicten waarin de familie Clencke betrokken was.
Motto op hoogte in het landschap
De naam “Klinkenberg” zelf verwijst naar een hoogte in het landschap en wordt in verband gebracht met het adellijke geslacht Clencke. Dit geslacht speelde in de veertiende en vijftiende eeuw een rol van betekenis in de politieke en militaire verhoudingen in Zuidoost-Drenthe, onder meer in relatie tot de machtsbasis van Coevorden. In de zestiende eeuw verplaatste de familie haar residentie naar de havezate De Klencke bij Oosterhesselen, waarmee de oorspronkelijke kasteelplaats haar functie verloor. Door de eeuwen heen veranderde het landschap en raakte het kasteel in verval. Op een kaart uit 1648, “Transisalania Provincia” van Nicolaas ten Have, wordt de locatie nog weergegeven onder de naam “Wolfskuylen”, gelegen aan de rand van het uitgestrekte veengebied dat ooit een natuurlijke barrière vormde tussen Zuidwest- en Zuidoost-Drenthe.
Afgraving van de twee heuvels in 1936
In latere tijd werd het terrein verder aangetast. In 1847 werden de hoogtes van de heuvels nog opgemeten: circa zes meter voor de hoofdburcht en vijf meter voor de voorburcht. In 1936 werd echter een groot deel van het terrein afgegraven voor zandwinning, waarbij de voorburcht volledig verdween en de hoofdburcht zwaar werd beschadigd. Tegenwoordig resteert nog slechts een heuvel van ongeveer vier meter hoog. Ondanks deze aantastingen blijft de Klinkenberg een belangrijk archeologisch en historisch monument. Het vormt een tastbare herinnering aan de turbulente middeleeuwse geschiedenis van Drenthe, waarin lokale machtsstrijd, strategische landschapskeuzes en adellijke netwerken nauw met elkaar verweven waren.
Familie Clencke
Afstamming uit het geslacht Van Ruinen
Herman Clencke, geboren vóór 1200 en vermoedelijk een zoon van Arnold II van Ruinen, geldt waarschijnlijk als de oudste bekende vertegenwoordiger van het geslacht Clencke. Hij overleed vóór 1236. Alles wijst erop dat hij behoorde tot de kring van adellijke families rond Coevorden en Ruinen en vermoedelijk de eerste bewoner was van de motte Klenkenberg, de voorloper van de latere havezate De Klenke. Daarmee staat Herman aan het begin van een geslacht dat in de dertiende en veertiende eeuw een herkenbare plaats innam binnen de Drentse ridderschap en het bisschoppelijke leenstelsel. Hij lijkt tevens de eerste leenman te zijn geweest die met de naam Clencke wordt aangeduid; eventuele oudere leenmannen zijn niet met naam bekend.
Bekend uit begin van 13e eeuw
De vroegste concrete vermelding van Herman Clencke dateert uit een oorkonde van 1 januari 1219. Daarin keurt de bisschop van Utrecht de schenking goed van een hoeve in Middelbrink, gelegen aan de oostzijde, aan het klooster te Ruinen. De schenking werd gedaan door Eveze, weduwe van Ostwalt van Oosterwolde, en door Ida, de vrouw van Nicolaas, zoon van Eveze, die in het Heilige Land was gestorven. Bij die rechtshandeling waren de voogden van het kind van Nicolaas en Ida aanwezig. Onder hen worden genoemd Gijsbert, Hugo Dunker, Herman Clincke en Rudolf Rocke. Op grond van de volgorde van vermelding is verondersteld dat Herman Clencke en Rudolf Rocke nauw verwant waren aan Ida van Ruinen, mogelijk zelfs als broers. Dat maakt aannemelijk dat Herman behoorde tot een zijtak van het geslacht Van Ruinen.
Ridders Gerardus en Rudolfus Clencke
Uit een onbekende relatie kreeg Herman vermoedelijk ten minste twee zonen: Gerardus Clencke en Rudolfus Clencke, beiden geboren vóór 1240. In hen zette de familie zich voort. Gerardus verschijnt als getuige in een belangrijke oorkonde van 31 oktober 1259, samen met Nicolaas, zoon van Boudewijn, Werenbold van de Vecht en Herman van Methele, allen ridders. De akte betrof een ruiling van goederen tussen Hako van Hardenberg en de abdij Marienkamp bij Coevorden. Graaf Otto van Bentheim keurde daarin de overdracht goed van de hof en molen te Deurze en pachtinkomsten uit Noordwolde, in ruil voor het huis van de abdij te Campen bij Coevorden en andere rechten. Het optreden van Gerardus als getuige laat zien dat de Clenckes inmiddels behoorden tot de leidende regionale elite.
Afspraak over bewaring kasteel Coevorden 1263
Enkele jaren later, op 19 juli 1263, worden Gerardus Clencke en zijn broer Rudolf opnieuw samen genoemd. In een overeenkomst met bisschop Hendrik van Utrecht verklaren zij, samen met Hako van Hardenberg, afspraken te hebben gemaakt over de bewaring van het kasteel van Coevorden. Tussen de getuigen bevinden zich opnieuw vooraanstaande Drentse edelen, onder wie Herman van Voorst, Gijsbert van Bouchorst, Hendrik van Almelo, Egbert van Groningen, Mewekinus van Ruinen, Rudolf van Ansen en Volker van Echten. De aanwezigheid van Gerardus en Rudolf in zo’n overeenkomst onderstreept hun militaire en bestuurlijke betekenis. Volgens een latere mededeling van M.D. Teenstra zouden beide broers in 1264 zijn omgekomen bij de strijd rond de verwoesting van het kasteel van Rutger van Eelde, de schulte van Drenthe. Van Gerardus Clencke stammen vermoedelijk twee zonen af: Rudolf Clencke, geboren omstreeks 1260, en Johannes Clencke, geboren vóór 1290. Rudolf lijkt te zijn gehuwd met een dochter uit het geslacht Van Ruinen, waarschijnlijk een dochter van Bartolomeus of Mewekinus van Ruinen en een vrouw uit het huis Welvelde. Daarmee bleef de band tussen de Clenckes en Van Ruinen in stand. Uit dit huwelijk kwamen waarschijnlijk Herman Polleman en Otto Polleman voort. Met hen lijkt binnen deze tak de naam Clencke geleidelijk over te gaan in de naam Polleman.
Polmannen komen voort uit de Clenckes
Herman Polleman, geboren omstreeks 1290, wordt op 16 februari 1311 genoemd als een van de zes borgen voor de Westerpartij van Groningen in een regeling tussen de bisschop van Utrecht en Ludolf van Selwerd, voogd van het kind van Groningen. In 1334 wordt hij bovendien aangeduid als bloedverwant, een ‘maghe‘, van Otto van Norch, evenals Coenraad van den Gore van Steenwijk. Die verwantschap zal vermoedelijk via Ida van Ruinen hebben gelopen en vormt een verdere aanwijzing dat Rudolf Clencke, Hermans vader, inderdaad met een vrouw van Ruinen was gehuwd. Uit Herman Pollemans nageslacht kwam waarschijnlijk Roelof Polman voort. Roelof Polman, geboren omstreeks 1330, groeide uit tot een van de machtigste mannen van zijn tijd in Drenthe. In 1379 staat hij op de lijst van leenmannen van de bisschop van Utrecht met omvangrijke bezittingen: een aandeel in het gericht van Drenthe, de gruit te Eelde, het Wrentingegoed te Eelde in het kerspel Vries, het zwanenvlot in Drenthe, bezittingen rond Groningen en op het Goore, de grove en smalle tienden te Haren, de hof te Hemmen en de tienden van Anderen in het kerspel Rolde. Ook wordt hij in 1382 genoemd als erfgenaam van Johan van Ruinen, samen met Arend Huys van Ruinen. Dat wijst erop dat Roelof vermoedelijk gehuwd was met een zuster van Arend Huys. Zijn echtgenote was volgens de overlevering een dochter uit het geslacht Van Norch, mogelijk een dochter van Johan van Ruinen van Norch en Elisabeth van Steenwijk. Roelof en Arend Huys vormden zo een machtig netwerk van verwanten in Drenthe.
Polmans abdis in klooster van Assen
De kinderen van Roelof Polman laten zien hoe deze familie zich verder vertakte. Dochter Luitgard Polmans werd abdis van het klooster te Assen en verkocht in 1416, met toestemming van visitator en kapittel, het erve Barlehaar en het erve Schultingh aan het klooster Galilea in Sibculo. Zij bleef kinderloos. Haar broers Herman en Symon Polleman verkochten in 1405 aan bisschop Frederik van Blankenheim hun rechten op het houden van zwanen in Drenthe en Selwerd, alsmede wat hun verder aan gericht en heerlijkheid toekwam. Daarmee droegen zij een belangrijk restant van hun oude familiegezag over aan de landsheer. De andere zoon van Rudolf Clencke, Otto Polleman, geboren omstreeks 1300, bezat volgens een inkomstenlijst van circa 1330 bisschoppelijke leengoederen in Haerlo bij Peest, Roden en, samen met Berthold Knas van Eelde, ook in Eelde. Hij was vermoedelijk gehuwd met een dochter van Rutger van Eelde. Zijn nakomelingen speelden zowel op het platteland als in de stad Groningen een rol. Een van zijn vermoedelijke zonen, Herman Polleman, wordt nog in 1391 genoemd in een akte over de verkoop van alle pachten in Kropswolde. Dezelfde akte noemt ook diens zonen Otto, Symon en Hendrik, evenals verwanten als Bertold Klenke, Roelof Hiddens en de kinderen van Hille Pollemans. In 1405 verkochten Herman en Symon Polleman aan de bisschop opnieuw oude familiebezittingen: het zwanenvlot, het gerecht van Zeelwert en de zevende penning, samen met alle rechten van heerlijkheid die zij en hun voorouders daar hadden uitgeoefend.

Polleman en Clencke
Binnen deze stedelijke lijn neemt Otto Polleman, geboren omstreeks 1340 en overleden in 1410, een bijzondere plaats in. Hij wordt genoemd als een van de burgemeesters van Groningen tussen 1365 en 1382 en woonde in 1373 aan de westzijde van de Haddingestraat. Zijn bezit van het zogenaamde Nydingegoed, binnen en buiten Groningen gelegen, toont aan dat de familie inmiddels ook diep in de stedelijke elite was doorgedrongen. Naast deze Polleman-tak liep de naam Clencke ook rechtstreeks door via Johannes Clencke, de andere vermoedelijke zoon van Gerardus Clencke. Johannes leefde nog na 1327 en was gehuwd met een dochter van Johan II van Ruinen. In februari of maart 1327 bevond hij zich, samen met zijn zoon Gherhardus, Otto van Norch, Coenraad van de Ghore en andere bisschopsgezinde Drenten, in Kampen. Daar legden zij een schuldverklaring af. Op 22 september 1327 verkochten Johannes Klencko en zijn zoon Gherhardus aan de abdij van Dickninge een rente uit het huis Lodinghe te Wijster. Zij beloofden die, zodra zij Drenthe weer in vrede konden binnengaan, formeel over te dragen. Deze akte maakt duidelijk dat Johannes behoorde tot de bisschopsgezinde Drenten die tijdelijk uit het landschap waren verdreven. Volgens de overlevering was Johan Clencke zelfs de aanvoerder van deze partij in de strijd tegen de burggraaf van Coevorden.


Verdwijnen van Clencke-lijn
Uit deze lijn stamde uiteindelijk Gerard Clencke, geboren omstreeks 1350. Hij huwde omstreeks 1370 met Agnes de Vos van Steenwijck, dochter van Coenraad van de Ghore van Kuinre en een vrouw uit het huis Van Ansen. Gerard overleed jong, vóór 1380. Agnes hertrouwde vervolgens met Arend Huys van Ruinen. Uit haar eerste huwelijk werd Johan Clencke geboren, ook wel Johan de jonge van Ruinen genoemd. Hij leefde nog in de vroege vijftiende eeuw, maar was vóór 1428 overleden. In latere stukken uit 1427 en 1438 wordt hij door zijn stiefbroers Roelof en Steven van Ruinen nog aangeduid als Johan Klencken. Hij zal vermoedelijk bezitter van De Klenke zijn geweest. Na zijn vroege dood kwam dit bezit in handen van nazaten van Otto van Welvelde, waarmee de oude Clencke-lijn op de voorgrond uit de geschiedenis verdween, maar wel sporen naliet in de adellijke netwerken van Ruinen, Coevorden, Groningen en Drenthe.
