Direct naar de inhoud.

Zomer 1224

Drie kastelen verwoest

De heren van Voorst en Buckhorst stelden zich in het begin van de dertiende eeuw tegenover hun landsheer, de bisschopl van Utrecht. Tijdens de Slag bij Harculo in de zomer van 1224 werd door het leger van de bisschop van Utrecht een aanval gedaan op drie burchten in die streek. Hij neemt de beide burchten Voorst in en maakt die met de grond gelijk. Van Bukhorst, de derde burcht, laat de bisschop de toren in de brand steken. De heren van de burchten, twee Hermannen van Voorst en Dirk van Buckhorst, hadden het initiatief tot een samenzwering tegen de bisschop van Utrecht genomen. Deze leiders werden zwaar gestraft.

Bondgenoten van bisschop van Utrecht keren zich tegen hem

Heren van Voorst

Voorgeslacht Berg, Van Gemen en Van Horne

De oudst bekende Herman van Voerst wordt vermeld in 1123 als medeondertekenaar van de stadsbrief van Ommen, waarmee de bisschop van Utrecht de plaats tot stad verheft. Rond 1195 wordt een Engelbertus de Voerst in Deventer vermeld. In die tijd was er ook een Engelbert van Ramele bij Raalte. De naam Engelbert komt ook voor bij de familie van Buckhorst – van Gemen, maar van ouds zien we de naam bij de ridders van Horne. Herman van Horne was bisschop van 1150 tot 1156 en was opvolger van Hartbert van Wierum, die zijn broers aanstelde tot prefect van Groningen en kastelein van Coevorden en zijn jongste broer Lambert beleende met een leengoed in Peize. De voorouders van Engelbertus van Voorst moeten gezocht worden in de ridderfamilies van Berg, Van Gemen en Van Horne.

Herman van Voerst vijand van de bisschop

Hermannus de Voerst is een kleinzoon van genoemde Engelbertus van Voerst en zoon van Henricus van Voerst. Deze Herman stelt zich in 1200 met de graaf van Gelre tegen Otto van Lippe, bisschop van Utrecht. In 1212-1215 is hij getuige als bisschop Otto II van Lippe (1205-1227) de novale tiende van de Veluwe aan zijn broer Gerhard van Gelre opdraagt. In de zomer van 1224 werd bij de slag bij Harculo het huis of De Steen van Voorst verwoest. Nadien was Herman van Voorst trouw aan de bisschop van Utrecht. Hij sneuvelt in de slag bij Ane op 28 juli 1227.

Sweder van Voorst

In 1292 wordt Sweder van Voorst als schout van Salland en burchtheer vermeld. Hij leefde in onmin met iedereen en was er in het bijzonder op tegen dat de kooplieden van Zwolle een kanaal zouden graven dat de stad direct met de IJssel verbond, waardoor de vaarweg met vier uur verkort kon worden. Op 4 juni 1297 werd door bisschop Willem van Utrecht Sweder in het ongelijk gesteld en bepaald dat hij noch zijn broer ooit het ambt van schout mocht bekleden. In 1324 liet Sweder uit wraak de stad Zwolle in brand steken, waarvan alleen nog een tiental huizen en de kerk bij het klooster Bethlehem gespaard bleven. Sweder overleed kort daarna en hij werd opgevolgd door zijn zoon Roderic die met Beatrijs, erfdochter van Keppel, gehuwd was. In 1344 kwam er opnieuw een Sweder als kasteelheer, die bij het overlijden van zijn moeder ook heer van Keppel werd. 

Kasteel Voorst

Oorspronkelijk een mottekasteel

De heren van Voorst woonden al vroeg in een versterkt huis (‘vest hues’) bij Westenholte, in het Zwollerkerspel (nu Zwolle). Het is aannemelijk dat het eerste kasteel een zogenaamde motte moet zijn geweest. Bij de aanleg van de motte is gebruik gemaakt van het natuurlijke landschap. Het aanwezige rivierduin bood hiervoor een perfect uitgangspunt. Dit eerste huis werd in 1224 belegerd en verwoest door de bisschop Otto I van Utrecht. Na 1224 had de familie Van Voorst vermoedelijk geen beschikking meer over een sterk kasteel. Dit zal ertoe geleid hebben dat enkele jaren later met meer duurzamere materialen als baksteen en tufsteen een nieuw kasteel werd opgebouwd. De Van Voorsten behoorden in die tijd tot de rijksten van het Oversticht. De bouwperiode van het kasteel valt samen met de opkomst van het gebruik van baksteen in deze contreien. Het gaat dan om bakstenen van 32x16x7 cm, die in de volksmond bekend zijn als de kloostermoppen. Het tweede kasteel, de zogeheten stins van Voorst, werd volgens historische bronnen tussen 1267 en 1295 zijn gebouwd. De bouwdatum wordt geassocieerd met de autonome ontwikkeling van de lokale ridderschap. Deze ridderschap zou pas na het overlijden van de sterke bisschop Hendrik van Vianden in 1267 weer op zijn gekomen. Voormalig provinciaal archeoloog van Overijssel Verlinde geeft de voorkeur op basis van archeologische gegevens aan de periode rond 1280.

De stins van Voorst

Het was een van de rijkste en sterkste burchten van het hele Sticht Utrecht. Het complex had dubbele, diepe grachten die aan beide zijden waren versterkt met stenen muren, een vierkante voorburcht en zeer dikke en hoge ringmuren van ongeveer tachtig voet hoog en twaalf voet breed. In de negentiende eeuw, met name in 1825 en 1836, zijn de fundamenten van deze stins opgegraven. Daarbij werd ook een plattegrond gemaakt van de muren en grachten. Uit latere studies, zoals de Atlas van Historische Vestingwerken in Nederland (1956), blijkt dat de stins de enige middeleeuwse burcht in Overijssel is die als klein vestingwerk wordt beschouwd. De hoofdburcht was ongeveer 55 meter vierkant, met muren van circa elf à twaalf voet dik. De hoofdgracht was ongeveer vijftien meter breed en werd omgeven door een ringmuur van meer dan 400 meter lang.

Beleg in 1361-1362

Het kasteel werd beroemd door het beleg van 1361-1362. De eerste belegering in 1361 moest worden afgebroken vanwege de strenge winter. In juli 1362 begon bisschop Jan van Arkel opnieuw een aanval, ditmaal met zware belegeringswerktuigen zoals slingerblijden, die in Zwolle waren gebouwd. De belegering duurde ongeveer vijftien weken. De aanvallers gebruikten verschillende middelen om het verzet te breken, waaronder het vergiftigen van het drinkwater door dode dieren over de muren te slingeren. Tijdens het beleg kregen de verdedigers steun van bondgenoten, die zelfs de voorstad van Zwolle in brand staken als vergelding. Toch hield het kasteel uiteindelijk geen stand. Na zware beschietingen en het instorten van delen van de toren en de grote zaal, gaven de verdedigers zich op 9 november 1362 over, onder voorwaarde dat zij hun leven en bezittingen mochten behouden. Na de overgave liet de bisschop het kasteel volledig afbreken om te voorkomen dat het opnieuw een machtscentrum zou worden.

Verzoening met de bisschop van Utrecht 1363

De kasteelheer Zweder van Voorst kreeg weliswaar een vrije aftocht met behoud van lijf en leden, maar overleefde de tragedie slechts enkele maanden. Hij overleed in 1363. Zijn beide zonen Roderik en Wolter verzoenden zich kort daarna met de bisschop. Wolter trok zich terug op het machtige slot Keppel ten oosten van Doesburg, zijn broer Roderik bleef in het gebied en is vermoedelijk de bouwheer van een zaalburcht op het terrein van de latere havezate Werkeren in het midden van het Voorsterslag in de polder Mastenbroek. Daarmee kwam een einde aan het conflict rond deze machtige en strategisch gelegen burcht. Een bijzonder overblijfsel van het kasteel is de zware ijzeren slotdeur. Nadat de stins in 1362 door bisschop Jan van Arkel was veroverd, schonk hij deze deur aan de stad Kampen. Daar werd zij gebruikt als extra beveiliging van een geheime bergplaats in het raadhuis. Tijdens de grote stadsbrand van 1543 bleef de toren van het raadhuis, mede dankzij deze ijzeren deur, behouden. De deur bestaat nog steeds.

Heer van Buckhorst

Gevallen in de Slag bij Ane 1227

Diederik van Buckhorst, een zoon van Goswin II van Gemen, sneuvelde in 1227 bij de Slag bij Ane. Hij liet onder meer de zonen Gerhard en Gijsbert I van Buckhorst na. In 1224 trad ridder Gerhard van Buckhorst, als leenman van de graaf van Gelre, samen met de heren van Voorst en andere edelen in opstand tegen bisschop Otto II van Utrecht. Aanleiding waren de zware lasten en onderdrukking door diens ambtmannen in Salland, waardoor ook boeren zich bij de opstand aansloten. De bisschop trok met een groot leger op en wist de opstandelingen te verslaan. Het conflict dreigt daarna verder te escaleren wanneer de graaf van Gelre in 1225 opnieuw een leger mobiliseert. Een gewapend treffen wordt echter voorkomen door bemiddeling van een pauselijk gezant. In het daaropvolgende vredesverdrag draagt de graaf van Gelre gebieden in Salland, die hij in leen had gegeven aan de heer van Buckhorst, over aan de Utrechtse kerk. Ook verwerft de kerk de voogdij over bezittingen van het stift Essen. Hiermee wordt de macht van de bisschop in de regio aanzienlijk versterkt.

De havezate Buckhorst

De havezate Buckhorst, gelegen in de heerlijkheid Zalk en Veecaten, heeft een zeer oude oorsprong. Al in 807 wordt de plaats genoemd als ‘Bochurssi‘ in een schenking aan Ludgerus. In de twaalfde eeuw duikt de familie Van Buckhorst regelmatig op in bronnen. Zo worden in 1133 Godefried en Theodorik van Bukhorst genoemd als getuigen bij een schenking van goederen aan een klooster onder het bisdom Münster. Ook in 1145 spelen leden van deze familie een rol op hoog niveau. De broers Theodericus en Werenboldus de Bockeshorst treden dan op als getuigen bij een belangrijke bevestiging door Koenraad III, waarbij bisschop Herbert van Bierum het gezag krijgt over de Friese gebieden Oostergo en Westergo. In 1165 worden zij opnieuw als getuigen genoemd, wat hun aanzienlijke positie binnen de adel onderstreept.

Van bondgenoot naar vijand

In 1213 blijken Dirk en Hendrik van Bukhorst trouwe bondgenoten van bisschop Otto I van Utrecht. In dat jaar neemt de bisschop een belangrijk besluit: hij verleent vrijheid aan horige boeren in de gebieden Wilsem en Zalk op het Veen (het huidige Kamperveen). Deze boeren krijgen erfelijke rechten en worden vrijgesteld van belastingen, vergelijkbaar met stadsburgers. Tegelijk krijgen de heren van Buckhorst bestuurlijke bevoegdheden, zoals het verhuren van hofsteden en het innen van pacht. Zij mogen ook het lage gerecht uitoefenen, terwijl de bisschop het hoge gerecht en de tienden behoudt. In 1223 raakt ridder Gerhard van Buckhorst betrokken bij een opstand tegen bisschop Otto II van Utrecht. Samen met onder meer de heren van Voorst komt hij in verzet tegen de onderdrukking van boeren in Salland door bisschoppelijke ambtenaren. De bisschop reageert met een groot leger en behaalt een beslissende overwinning. Daarbij worden kastelen van de opstandelingen verwoest, waaronder het kasteel Voorst en ook Buckhorst, dat grotendeels afbrandt, al blijft de hoofdtoren staan.