Bij Coevorden

Drenthe onder de bisschop van Utrecht
Overname in 1024
De geschiedenis van Drenthe en het gebied rond Coevorden en het grangium Padhuis staat in sterke mate in het teken van de groeiende macht van de Utrechtse bisschoppen, de ontwikkeling van kloosterbezit en de voortdurende spanningen tussen wereldlijke en geestelijke machthebbers. Deze ontwikkeling begint in de vroege elfde eeuw, wanneer koning Heinrich II in 1006 het jacht- en foreestrecht in Drenthe bevestigt aan de kerk van Utrecht. Dit vormt een belangrijke basis voor de latere machtsuitoefening van de bisschoppen in deze regio. In 1024 volgt een cruciale stap: dezelfde vorst verheft Drenthe tot een afzonderlijk graafschap (‘comitatum de Thrente‘) en schenkt dit aan de Utrechtse kerk. Daarmee worden de grafelijke rechten direct verbonden aan het bisschoppelijk gezag. De bisschop van Utrecht wordt niet alleen geestelijk leider, maar ook wereldlijk machthebber in Drenthe. In de decennia daarna breidt de Utrechtse kerk haar invloed verder uit door het verwerven van landerijen, inkomstenbronnen en bestuurlijke rechten.
Het klooster Mariënkamp liet de werkboerderij Padhuis bouwen
Slag bij Ane 28 juli 1227
Het bestuur in Drenthe werd namens de bisschop uitgeoefend door lokale functionarissen, zoals burggrafen en kasteleins. In de twaalfde eeuw gaf bisschop Harbert van Bierum het burggraafschap van Groningen en Coevorden als erfelijk leen aan zijn broers Leffard en Ludolf. Deze machtsconstructie leidde echter tot rivaliteit tussen hun opvolgers. Die conflicten mondden regelmatig uit in geweld, waarbij de Drenten zich soms tegen en soms juist met de bisschop schaarden. In de dertiende eeuw werd de situatie nog complexer. In Groningen ontstond een machtige groep, de Gelkingen, die zich verzette tegen het bisschoppelijk gezag en het kasteel Groenenburg verwoestte. Tegelijkertijd onderhielden de burggrafen van Coevorden gespannen relaties met de bisschop van Utrecht. Deze conflicten bereikten hun hoogtepunt in de beroemde Slag bij Ane op 28 juli 1227.
Nederlaag voor de bisschop van Utrecht
Tijdens deze veldslag trok bisschop Otto II van Lippe met een zwaar bewapend leger, ondersteund door troepen uit Münster en Keulen, op tegen de Drenten en de burggraaf van Coevorden. De Drenten, zich bewust van hun militaire zwakte in een open veldslag, kozen voor een tactisch voordeel: zij lokten het gevecht naar een moerassig terrein. Daar zakten de zwaar bepantserde ridders en hun paarden weg, waardoor zij weerloos werden. Het gevolg was een verpletterende nederlaag voor de bisschop, die samen met circa honderdvijftig edelen om het leven kwam. In totaal zouden meer dan vierhonderd manschappen zijn gesneuveld. De exacte locatie van de slag is onbekend, maar wordt gezocht in verschillende gebieden rond Ane.
Vrouwenklooster Beate Maria in Campis
Stichting klooster bij Coevorden als straf
Na deze dramatische gebeurtenis probeerde de Utrechtse kerk haar gezag te herstellen. Bisschop Otto III, die regeerde van 1233 tot 1249, wist met steun van graaf Floris IV van Holland de Drenten tot een vrede te dwingen. Als onderdeel van deze vrede moesten de Drenten een klooster stichten ter nagedachtenis aan de gesneuvelden van Ane. Dit leidde tot de oprichting van het vrouwenklooster Beate Maria in Campis, dat aanvankelijk bij Coevorden lag en later naar Assen werd verplaatst.
Kloosterboerderij Padhuis
Ontginning van landbouwgronden
De Cisterciënzer abdij Beate Maria in Campis, die zich uiteindelijk in Assen vestigde, richtte zoals veel kloosters zogenoemde grangiae of kloosterboerderijen op. Deze waren bedoeld om landbouwgronden te ontginnen en inkomsten voor het klooster te genereren. In de omgeving van Coevorden ontstonden twee belangrijke voorhoeven: Pathus en Venehusen. Door voortdurende ontginningen groeiden zij uit tot waardevolle landbouwbedrijven met uitgestrekte weiden, hooilanden en veengebieden. Hun economische betekenis maakte ze aantrekkelijk voor de machthebbers van Coevorden, die regelmatig probeerden invloed op deze bezittingen uit te oefenen. De eerste expliciete vermelding van Pathus dateert uit 1312. In een vidimusbrief bevestigt bisschop Guido van Utrecht een oudere oorkonde uit 1252 van bisschop Hendrik van Utrecht. Daarin wordt beschreven dat de nonnen oorspronkelijk toestemming kregen om zich te vestigen in Baalderhaar en Sibculo. Deze verhuizing vond echter nooit plaats; in plaats daarvan vestigde het klooster zich bij Assen. Wel bleven bij Coevorden twee belangrijke kloosterboerderijen bestaan: Pathusen en Venehusen. De bisschop nam deze huizen, samen met alle bijbehorende goederen, nadrukkelijk onder zijn bescherming. Daarmee werd duidelijk hoe groot hun economische en strategische waarde inmiddels was geworden.
Geschil tussen abdij en Dalen 1276
De rijke bezittingen leidden al vroeg tot conflicten met de bewoners van de omgeving. In 1276 ontstond een geschil tussen de abdij en de eigenerfden van Dalen over het gebruik van de moerassige gronden tussen Pathus en Venehusen: ‘de palade sita inter domos que dictur Venehus et Pathhus’. Onder leiding van verschillende adellijke bemiddelaars, waaronder de burggraaf van Coevorden en de schulte van Drenthe, werd een overeenkomst gesloten. Daarbij werden wederzijdse rechten en plichten nauwkeurig vastgelegd. Het klooster moest jaarlijks boter en drie jonge hanen leveren aan het kasteel van Coevorden, terwijl het als tegenprestatie zijn vee in de Coevorder marke mocht laten grazen: ‘de domo dicta Pathhus urnatam buteri de prato dicto Burchmad et tres pullos’. Bovendien moest het klooster twee dekstieren beschikbaar houden voor de koeien van de omwonende boeren: ‘tauris non castratis’. Deze overeenkomst toont aan hoe sterk economische belangen en feodale rechten met elkaar verweven waren.
Overeenkomst tussen abdij en Van Coevorden 1315
Ondanks deze regeling laaiden de conflicten opnieuw op. In 1315 werd opnieuw een overeenkomst gesloten tussen de abdij en Renoldus van Coevorden. Opnieuw werd de regeling van 1276 grotendeels bevestigd. Opvallend is dat hierbij ook de aanwezigheid van Friese kolonisten – ‘Frisones’ – in het moerasgebied wordt genoemd. Renoldus beloofde deze kolonisten te verwijderen en geen nieuwe bewoning in het veen toe te staan. Het gebied zou voortaan uitsluitend bestemd zijn voor de exploitatie door de beide kloosterboerderijen. Tegelijkertijd kreeg de abdij juist toestemming om eventueel nieuwe huizen op haar gronden te bouwen, mits deze niet dichter bij Coevorden kwamen te liggen dan het bestaande Venehusen. Deze afspraken tonen de voortdurende spanning tussen territoriale uitbreiding van de heren van Coevorden en de economische belangen van het klooster.
Bescherming bezittingen abdij 1323
Een ongedateerde bisschoppelijke oorkonde uit vermoedelijk 1323 bevestigt opnieuw de bescherming van de bezittingen van de abdij. Daarin worden onder meer de voorhoeve bij Coevorden – ‘grangiam prope Covordiam cum omnibus suis’ – en een huis in het veen – ‘et domum in palude’ – genoemd. Tevens wordt bepaald dat over nieuw ontgonnen gronden geen tienden mochten worden geheven. Dit onderstreept het belang dat de Utrechtse bisschoppen hechtten aan de economische ontwikkeling van de kloostergoederen.
Van Coevorden krijgt Venehus in eigendom 1341
Een belangrijke nieuwe regeling volgde in 1341. Burggraaf Reynold van Coevorden en het convent bereikten een uitgebreide overeenkomst over de inmiddels sterk ontwikkelde kloosterbezittingen. De hoeve Ton Vene was uitgegroeid tot een belangrijk landbouwbedrijf met schuren en zelfs een watermolen: ‘dat god ton Vene erflike mit allen den boulande unde made unde vene dat dartho horet sunder dat tymmer biholt dat convente, menen ende scure byholden wi’. Van Coevorden kreeg het omliggende goed en de molen in eigendom, terwijl de gebouwen zelf eigendom van het klooster bleven. Daartegenover ontving het klooster omvangrijke nieuwe veengebieden en verschillende privileges. Bijzonder belangrijk was dat het klooster zijn goederen voortaan vrij mocht verpachten aan wereldlijke bewoners zonder inmenging van de heer van Coevorden. Tevens werden de bewoners vrijgesteld van diverse feodale verplichtingen, zoals het leveren van boter, hoenders en andere diensten. Daarmee verschoof het machtsevenwicht duidelijk ten gunste van de abdij.
Geestelijke bewoners begin 15e eeuw
De oorkonde van 1341 laat bovendien zien dat op Padhuis nog geestelijke bewoners, waarschijnlijk Cisterciënzer lekenbroeders of conversen, aanwezig waren. Zij beheerden de werkboerderij en exploiteerden de omliggende gronden. Ook in de vijftiende eeuw duiken zij nog op in juridische bronnen. In 1403 behandelde de Drentse Etstoel een conflict tussen de monniken van Padhuis en de inwoners van Emmen over pachtrechten. In 1407 wordt opnieuw melding gemaakt van geestelijken die verbonden waren aan de nederzetting. Deze bronnen bevestigen dat de werkboerderij nog geruime tijd rechtstreeks door kloosterlingen werd beheerd.
Buurtschappen Padhuis, Luitiens en Vlieghuis
Problemen familie Padhuis met het klooster
In de zestiende eeuw ontstonden herhaaldelijk conflicten tussen de abdij van Assen en de pachters van het Padhuis. In 1531 probeerde de abdij haar meier van het erf te verwijderen. De pachter kon echter een bezegelde pachtbrief overleggen waaruit bleek dat zijn familie het erf voor een periode van tachtig jaar in gebruik had. De richter van Coevorden stelde vast dat deze overeenkomst rechtsgeldig was en dat bovendien het gewoonte- en stadsrecht van Coevorden op het Padhuis van toepassing was. Daarmee werd bevestigd dat de abdij de bestaande rechten van haar pachters moest respecteren. Een vergelijkbaar geschil speelde opnieuw in 1563, toen de abdij de pacht van de erven Padhuis en Vlieghuis wilde beëindigen. De pachters voerden aan dat zij onder de heerlijkheid Coevorden vielen en daarom niet voor een Drentse goorspraak hoefden te verschijnen. Deze procedures tonen aan dat de rechtspositie van de pachters sterker was dan de abdij aanvankelijk aannam.
Overgang klooster naar Landschap
De Reformatie bracht grote veranderingen. Door de religieuze en politieke ontwikkelingen verloor de abdij haar macht en bezittingen. Vanaf 1598 werden de kloostergoederen geseculariseerd. In 1602 gingen alle bezittingen van de abdij over naar de Landschap Drenthe en in 1603 droeg de laatste abdis het conventszegel over aan het provinciebestuur, waarmee het klooster feitelijk ophield te bestaan. De voormalige kloostergoederen werden voortaan beheerd door de overheid, terwijl de opbrengsten werden bestemd voor onderwijs en andere publieke doeleinden. De administratie van de voormalige abdij laat zien dat het Padhuis aanvankelijk een pacht in natura betaalde van twee vaten boter per jaar. Rond 1610 werd deze boterpacht vervangen door een vaste geldpacht. De overgang weerspiegelde een bredere ontwikkeling waarbij natuurlijke leveringen steeds vaker werden vervangen door geldbetalingen. Uit de rekeningen blijkt bovendien dat vanaf ongeveer 1602 twee pachters op het Padhuis voorkomen. Waarschijnlijk bestonden toen al twee afzonderlijke erven, hoewel deze pas vanaf dat moment afzonderlijk werden geadministreerd. Naast het Padhuis waren ook het Vlieghuis en het Luitiens-erve belangrijke voormalige kloosterboerderijen.
Van boterpacht naar geldpacht
Uit de rekeningen blijkt dat de familie Ten Pathuis het erf al sinds ongeveer 1520 onafgebroken in pacht had. De jaarlijkse boterpacht werd aanvankelijk berekend naar de marktwaarde en later vervangen door een vaste geldsom. De pacht steeg in de loop van de zeventiende eeuw aanzienlijk, van tachtig daalders in 1610 tot meer dan honderddertig daalders enkele decennia later. Deze stijging weerspiegelt zowel de economische ontwikkeling als de groeiende waarde van landbouwgrond. Daarnaast betaalden de pachters nog diverse andere lasten. De administratie van Drost en Gedeputeerden bevat uitvoerige informatie over achterstallige betalingen. In de jaren 1604 tot 1607 werden verschillende onderzoeken ingesteld naar ontbrekende pachtgelden en onvolledige administraties van voormalige rentmeesters. Daarbij moesten de pachters kwitanties overleggen om aan te tonen welke bedragen reeds waren voldaan. Uiteindelijk werden zowel de rentmeesters als de pachters aangesproken op de nog openstaande verplichtingen. Deze documenten geven een gedetailleerd beeld van het financiële beheer van de voormalige kloostergoederen.
Tien mudden gerstenmout
Naast de gewone pacht ontstond vanaf 1604 een nieuwe verplichting: de jaarlijkse levering van tien mudden gerstenmout. Deze last was oorspronkelijk verbonden aan erven in het Noordenveld. Nadat verschillende boerderijen daar tijdens de oorlogen aan het einde van de zestiende eeuw waren verlaten of verwoest, werd een deel van deze verplichting overgebracht naar de drie Schoonebeeker erven Padhuis, Vlieghuis en Luitiens. De overdracht vond plaats tussen 1596 en 1612 en kan op basis van de administratie nauwkeurig worden gedateerd op 1604. De Schoonebeeker boeren verzetten zich vermoedelijk tegen deze maatregel, maar moesten uiteindelijk jaarlijks tien mudden gerstenmout afdragen. De achtergrond van deze heffing ligt in veel oudere rechten. Reeds in 944 verkreeg de bisschop van Utrecht het foreestrecht in Drenthe. Boeren die gebruik maakten van de woeste gronden betaalden daarvoor zogenaamde schuldmudden, meestal in de vorm van graan. Deze oude verplichting bleef eeuwenlang bestaan, ook nadat de oorspronkelijke omstandigheden sterk waren veranderd. In de zeventiende eeuw werd de levering van gerstenmout uiteindelijk omgezet in een jaarlijkse geldbetaling van twintig Carolusgulden, bekend als de Sint-Odulphuspacht. Deze belasting bleef tot het begin van de negentiende eeuw bestaan en werd pas in 1806 definitief afgekocht. Daarmee verdween een financiële verplichting die haar oorsprong had in de vroege middeleeuwen.
Padhuis, Luitiens en Vlieghuis
De gebouwen op het Padhuis ontwikkelden zich eveneens. In de loop van de zeventiende eeuw ontstonden twee volwaardige boerderijen, die later bekend werden als het eerste en tweede Padhuis. Naast de twee Padhuis-erven waren er ook twee Luitiens-erven en twee Vlieghuis-erven. In 1624 ontstond een conflict met de boeren van Schoonebeek over een oude verbindingsweg richting Emlichheim. Op basis van getuigenverklaringen werd vastgesteld dat deze weg al sinds mensenheugenis vrij toegankelijk was, waarna de boeren van Schoonebeek in het gelijk werden gesteld. Financiële problemen onder de pachters leidden in 1687 tot een bijzondere oplossing. Omdat enkele meiers hun achterstallige pacht niet meer konden betalen, kocht de Landschap Drenthe de helft van hun huizen en schuren. De koopsom werd verrekend met de openstaande schulden. Tegelijkertijd behielden de pachters het recht om de gebouwen terug te kopen en bleven zij verantwoordelijk voor het onderhoud. Deze regeling toont hoe flexibel het provinciale bestuur soms omging met betalingsproblemen.
Verkoop van de kloosterboerderijen
In 1750 besloot de Landschap Drenthe de voormalige kloostererven onder beklemrecht te verkopen. Bij deze rechtsvorm bleef de grond eigendom van de Landschap, terwijl de gebruiker eigenaar werd van de opstallen en een vaste jaarlijkse pacht betaalde. De beide helften van het Padhuis werden gekocht door leden van de familie Ten Pathuis, die daarvoor aanzienlijke bedragen boden. Hetzelfde gold voor de twee helften van het Vlieghuis en de Luitiens huizen, die ook werden verkocht. Naast de vaste pacht bleven de nieuwe eigenaren verplicht hun aandeel in de tien mudden gerstenmout te betalen. Het beklemrecht gaf de gebruikers veel zekerheid, omdat zij hun rechten konden overdragen of erven, terwijl de eigenaar de overeenkomst niet eenzijdig kon beëindigen. Tijdens de Bataafse tijd verslechterde de financiële positie van Drenthe door hoge oorlogslasten. Daarom besloot het provinciebestuur ook de resterende domeingoederen te verkopen. In 1807 werden beide helften van het Padhuis, maar ook die van het Vlieghuis en de Luitiens-erven definitief verkocht aan de gebruikers, die daarmee volledig eigenaar werden. Een jaar later verdwenen de laatste administratieve verplichtingen uit de rekeningen van de voormalige abdijgoederen. Daarmee kwam een einde aan ruim zes eeuwen van kloosterlijk en provinciaal grondbezit op het Padhuis en gingen de erven volledig over in particuliere handen.
Familie Ten Pathuis
Hensken ten Pathues
De geschiedenis van de familie Ten Pathuis vormt een zeldzaam goed gedocumenteerd voorbeeld van de continuïteit van een Drentse boerenfamilie vanaf de late vijftiende eeuw. Door middel van oorkonden, gerechtelijke stukken, pachtcontracten en administratieve bronnen kan gedurende meerdere generaties worden gevolgd hoe de bewoners van het eerste Padhuis bij Schoonebeek hun positie als meiers van de abdij van Assen wisten te behouden, ondanks langdurige juridische conflicten en veranderende politieke en economische omstandigheden. De oudst bekende voorouder is Hensken ten Pathues, geboren omstreeks 1450. Hij wordt in 1534 genoemd als momber bij een vastgoedtransactie in Coevorden. Hoewel zijn exacte verwantschap niet met zekerheid vaststaat, wordt hij beschouwd als de vermoedelijke vader van Claes (Clauwes) Esschen ten Pathuise, die vanaf circa 1531 als meier van de abdij van Assen het erve Ten Pathuis beheert.
Claes Esschen ten Pathuise
Claes raakt herhaaldelijk verwikkeld in juridische conflicten. Het belangrijkste geschil betreft de poging van de abdij van Assen hem van het erf te verwijderen. Claes beroept zich op een oude pachtbrief waaruit zou blijken dat zijn familie het goed al tachtig jaar onafgebroken pacht. Het gerecht van Coevorden erkent de geldigheid van deze overeenkomst en bepaalt dat Claes en zijn erfgenamen de overeengekomen pachttermijn mogen uitdienen. Daarnaast komt hij voor in geschillen over hooilanden, markerechten en boetes wegens het niet naleven van arbitrale uitspraken. Deze zaken tonen aan dat het Pathuis een economisch belangrijk bedrijf was met waardevolle landbouw- en hooilanden.
Hindrick en Johan ten Pathuis
Zijn zoons Hindrick en Johan ten Pathuis zetten het bedrijf voort. Vanaf 1544 voeren zij een langdurige juridische strijd met de abdij van Assen. De abdij verkeert in grote financiële problemen en probeert bestaande langlopende pachtcontracten te beëindigen om de goederen onder gunstiger voorwaarden opnieuw te verpachten. De broers verdedigen zich met oude pachtbrieven en stellen dat het convent geen rechtsgeldige grond heeft om hen van het erf te zetten. Daarbij ontstaat ook discussie over de vraag welk gerecht bevoegd is, omdat het Pathuis weliswaar eigendom is van de abdij, maar onder het rechtsgebied van Coevorden valt. Hoewel de einduitspraak ontbreekt, wijzen latere bronnen erop dat de familie het erf heeft behouden.
Henrick ten Padthuis
De volgende generatie wordt gevormd door Henrick ten Padthuis, die rond 1540 is geboren. Ook hij verschijnt regelmatig in de goorspraken van Dalen en Sleen, onder meer in geschillen over vee, tuinen en landgebruik. Na zijn overlijden tussen 1601 en 1603 zetten zijn erfgenamen de procedures voort en worden zij uiteindelijk grotendeels in het gelijk gesteld. Zijn zoon Claes Pathuijs, gehuwd met Mette ten Vlieghuis, vormt de schakel naar de zeventiende eeuw. Onder hun generatie verschijnen talrijke bronnen over eigendom, pacht, hooilanden, wegen en markerechten. Claes en zijn broer Johan verdedigen in 1624 met succes hun rechten in een conflict over een openbare weg. Rekeningen van de voormalige abdij bevestigen bovendien dat hun voorouders het Pathuis al ongeveer tachtig jaar onafgebroken pachtten. Na de secularisatie blijven zij het goed exploiteren. Uit latere akten blijkt dat hun kinderen, onder wie Jan en Hendrick ten Pathuis, het bezit verdelen. Daarmee ontstaat een splitsing van het oorspronkelijke Pathuis in twee afzonderlijke erven, die beide door nakomelingen van de familie worden voortgezet.
Het eerste Pathuis-erve
Hendrick Hoeving ten Pathuis
Hendrick Hoeving kwam door zijn huwelijk met een dochter uit de familie Pathuis op het eerste Pathuis terecht (huidig adres Europaweg 66-68 te Coevorden). Na zijn huwelijk ging hij eveneens de naam Ten Pathuis voeren. Uit een rechtszaak uit 1654 blijkt duidelijk dat hij oorspronkelijk geen lid van de familie Pathuis was, maar door zijn huwelijk de positie van zijn overleden zwager overnam. Na ongeveer 1667 verdwijnt Hendrick uit de archieven. Zijn zoons Jan en Berend vestigden zich vervolgens in Coevorden, waarmee een deel van de familie zich van het platteland naar de stad verplaatste. Dat de familie maatschappelijk nog steeds aanzien genoot, blijkt uit de gunstige huwelijken van hun kinderen met vooraanstaande Coevorder families. Berend verwierf bovendien een huis in Coevorden en vervulde bestuurlijke taken als keurnoot bij het schultegerecht. Daarmee ontwikkelde zich een stedelijke tak van de familie.
Claes ten Pathuis uit het tweede Pathuis-erve
Omdat uit het huwelijk van Jan Hindrix Pathuijs geen zoon voortkwam die het eerste Pathuis kon voortzetten, eindigde de directe erfopvolging. Rond 1677 kwam het erf daarom in handen van Claes ten Pathuis, afkomstig uit de tweede Pathuis-tak. Hij verhuisde van het tweede naar het eerste Pathuis en speelde een belangrijke rol in de verdere geschiedenis van het bedrijf. Claes sloot onder meer een lening af bij het Gasthuisfonds in Coevorden, trad op in verschillende juridische transacties en fungeerde als voogd bij nalatenschappen. Zijn activiteiten tonen aan dat hij een vooraanstaande positie binnen de lokale gemeenschap innam. Tegen het einde van de zeventiende eeuw verslechterde echter de economische situatie van veel pachters. Ook Claes en andere landschapsmeiers kregen met ernstige financiële problemen te maken. Om faillissementen te voorkomen besloot de Landschap Drenthe in 1687 de helft van verschillende boerderijen en schuren over te nemen. De waarde daarvan werd niet uitbetaald, maar verrekend met openstaande pachtschulden. De bewoners mochten hun eigendom later terugkopen. Deze maatregel laat zien dat de overheid actief probeerde de landbouwbedrijven in stand te houden zonder de bedrijfsvoering volledig stil te leggen.
Jan Claesen ten Pathuis
Na Claes zette zijn zoon Jan Claesen ten Pathuis de bewoning voort, waarna diens zoon Klaas het erf overnam. Vervolgens kwam Jan ten Pathuis aan het hoofd van het bedrijf. Zijn levensloop is bijzonder goed gedocumenteerd. Na het overlijden van zijn eerste vrouw Aaltje Sassen Luigjes hertrouwde hij in 1733 met Hendrikje Hendriks Tijenk. In de uitvoerige huwelijksovereenkomst werd nauwkeurig vastgelegd wie het erf zou erven en welke rechten de kinderen uit het eerste huwelijk zouden behouden. De oudste zoon Klaas werd officieel aangewezen als toekomstige erfgenaam, terwijl de nieuwe echtgenote een aanzienlijke bruidschat inbracht in de vorm van geld, vee en huisraad. Dergelijke overeenkomsten illustreren hoe belangrijk een zorgvuldige regeling van eigendom en erfrecht was voor het voortbestaan van een landbouwbedrijf.
Verbouw van eerste Pathuis-erve 1733
Juist in deze periode onderging het eerste Pathuis een omvangrijke vernieuwing. In 1733 liet de Landschap Drenthe vrijwel een geheel nieuwe boerderij bouwen met twaalf gebinten. Timmerlieden, smeden en andere vaklieden werden ingeschakeld voor de bouw. Daarnaast werden nieuwe schuren, een turfschuur en een schaapschot gerealiseerd. Jan ten Pathuis leverde zelf materialen en verzorgde de huisvesting en voeding van de bouwlieden. Deze investeringen tonen aan dat de overheid bereid was aanzienlijke bedragen te besteden aan de instandhouding van belangrijke landschapsboerderijen. Ondanks deze modernisering bleven de financiële problemen voortbestaan. De oude lening uit 1667 drukte nog steeds zwaar op het bedrijf en de rentebetalingen verliepen steeds moeizamer. Uiteindelijk verlieten Jan ten Pathuis en zijn gezin tussen ongeveer 1746 en 1749 het eerste Pathuis. Vermoedelijk dwongen oplopende schulden hen tot deze stap. Zij verhuisden met hun zoon Claas ten Pathuijs naar Schoonebeek, waarmee een eeuwenlange verbondenheid van deze familietak met het eerste Pathuis eindigde.
Verarmde Jan Pathuis naar Schoonebeek
Claas werkte uiteindelijk slechts als dienstknecht en later als meier op een het bedrijf van Jan Uninge. Zijn situatie verslechterde dramatisch tijdens de grote runderpest van 1770-1771, waarbij vrijwel zijn gehele veestapel verloren ging. De diaconie van Schoonebeek ondersteunde hem door enkele koeien beschikbaar te stellen. Toen een schuldeiser deze dieren in beslag liet nemen, volgde een langdurige rechtszaak. Uiteindelijk bepaalde de Etstoel dat de koeien eigendom van de diaconie waren gebleven. Deze zaak illustreert niet alleen de betekenis van kerkelijke armenzorg, maar ook de ingewikkelde verhouding tussen sociale ondersteuning en het burgerlijk recht. Uiteindelijk verloor Klaas ook zijn meiersplaats en moest hij volledig worden onderhouden door de diaconie. De familie die ooit tot de welgestelde boeren van Schoonebeek had behoord, was daarmee in enkele generaties sociaal sterk teruggevallen.
Albert Gosens ten Pathuis nieuwe bewoner
Na het vertrek van het gezin van Jan ten Pathuis rond 1745 kwam het eerste Pathuis opnieuw in handen van een verwante lijn. Albert Gosens, gehuwd met Jantjen Pathuis, vestigde zich op het erf en nam eveneens de naam Ten Pathuis aan. Daarmee bleef de naam van de boerderij behouden, ondanks het ontbreken van een ononderbroken mannelijke afstamming. Ook Albert kreeg echter te maken met ernstige economische problemen. De runderpest van 1750 veroorzaakte grote verliezen onder het vee, terwijl verzoeken om verlaging van de pacht werden afgewezen. Daarnaast ontstonden conflicten over wateroverlast als gevolg van een nieuwe grenssloot tussen Dalerveen en Schoonebeek. Deze kwesties tonen aan dat naast schulden en veeziekten ook waterbeheer een belangrijke invloed had op het bestaan van de boeren. Na Alberts overlijden zette zijn zoon Jan Alberts ten Pathuis het bedrijf voort. Ook hij worstelde met hoge lasten, schulden en de gevolgen van de runderpest. Verzoeken om uitstel van betalingen werden afgewezen en uiteindelijk volgde beslaglegging op zijn bezittingen. Na zijn overlijden in 1762 hertrouwde zijn weduwe Jantje Scholten met Hendrik Lamberts, die eveneens de naam Ten Pathuis aannam. In de uitgebreide huwelijkse voorwaarden wordt nauwkeurig vastgelegd dat de drie kinderen uit Jantjes eerste huwelijk – Albert, Lucas en Geesien – de erfgenamen van het eerste Pathuis blijven. Hendrik neemt de kinderen juridisch als zijn eigen kinderen aan, maar de erfopvolging blijft verzekerd voor de oudste zoon Albert. Hiermee wordt de continuïteit van het familiebedrijf gewaarborgd.
Schuld Gasthuisfonds 1667-1826
Een opvallend element in de geschiedenis van het eerste Pathuis is de langdurige invloed van de lening die Claes ten Pathuis in 1667 had afgesloten. Generatie na generatie bleef rente verschuldigd aan het Gasthuisfonds in Coevorden. Soms werd deze regelmatig betaald, maar vaak ontstonden aanzienlijke achterstanden. Pas in 1826 werd de lening volledig afgelost. Daarmee kwam een einde aan een financiële verplichting die bijna honderdzestig jaar op het bedrijf had gedrukt.
Jan Hindrik Pat
De oudste zoon Albert Pat(huis) neemt uiteindelijk het eerste Pathuis over. In 1807 koopt hij samen met zijn echtgenote Geesien Hanneken de helft van het erf van de Landschap Drenthe voor 3.200 gulden. Daarmee verandert het bedrijf van een beklemmingsboerderij geleidelijk in particulier eigendom. Albert en Geesien bouwen het familiebezit verder uit en krijgen meerdere kinderen, waaronder Jan Hindrik Pat, die met zijn vrouw Gretien Wenny op het eerste Pathuis-erve woont. Na het overlijden van Jan Hindrik Pat in 1837 volgen ingewikkelde voogdijprocedures en uitgebreide boedelbeschrijvingen. De nalatenschappen worden zorgvuldig geïnventariseerd en verdeeld, waarbij zowel onroerende als roerende goederen worden gewaardeerd. In 1848 bedraagt de gezamenlijke waarde van de bezittingen ongeveer 13.300 gulden. De akten laten zien dat de familie inmiddels over aanzienlijke landbouwgronden, vee en inventaris beschikte.
Kinderloze Wolter Pat vererft naar Hanken, Gijlers en Schoemakers
De volgende generatie wordt vertegenwoordigd door Jan Hindriks’ zoon Wolter Pat, die in 1855 trouwt met Geesje Hanken. Het kinderloze echtpaar bouwt een aanzienlijk vermogen op. In 1877 wordt een omvangrijke verdeling van ruim 221 hectare gemeenschappelijke gronden uitgevoerd, waarbij Wolter verschillende grote percelen krijgt toegewezen. Openbare verkopingen van vee, paarden, landbouwgereedschap en hout tonen aan dat het bedrijf tot de grootste landbouwbedrijven in de omgeving behoorde. Geesje Hanken bepaalt in haar testament dat haar familie een belangrijk deel van haar nalatenschap zal ontvangen, terwijl Wolter levenslang vruchtgebruik krijgt. Wolter benoemt op zijn beurt in 1894 zijn jonge naamgenoot Wolter Schoemakers tot enig erfgenaam. Na het overlijden van Wolter Pat in 1895 worden de omvangrijke bezittingen verdeeld tussen de families Hanken, Gijlers en Schoemakers. Rond 1899 wordt de oorspronkelijke boerderij gesplitst in de huidige adressen Europaweg 66 en 68, waarmee twee afzonderlijke boerderijen ontstaan. Gedurende de twintigste eeuw blijven beide boerderijen binnen deze families.
Het tweede Pathuis-erve
Jan ten Padthuys de Olde
De stamvader van de familie op het tweede Pathuis-erve (huidig adres Europaweg 62) is Jan ten Padthuys d’Olde, geboren omstreeks 1610. Hij was vanaf de jaren 1630 landbouwer op het Pathuis en pachtte een belangrijk deel van zijn grond van het kloosterconvent van Assen. Hij was gehuwd met Kunne en wordt tussen 1630 en 1656 veelvuldig genoemd in belastingregisters, gerechtelijke procedures en koopakten. Zijn naam komt eveneens voor in een omvangrijk getuigenverhoor uit 1643 over de rechten op turfgraven en het weiden van schapen in de Ossehaar. Dat verhoor laat zien dat hij deel uitmaakte van de gevestigde boerenbevolking die goed op de hoogte was van de lokale gebruiksrechten en markeverhoudingen.
Omvangrijke landbouwbedrijven
Uit de grondschattingsregisters blijkt dat Jan van het tweede Pathuis en zijn zwager Hendrick van het eerste Pathuis gezamenlijk een omvangrijk landbouwbedrijf exploiteerden. Hun bezit bestond uit bouwland, uitgestrekte hooilanden, koe- en paardenweiden, weiland voor jongvee, schuren en eigen gebouwen. Daarnaast bezaten zij nog land bij het Coevorder Broek en bezittingen in de marke van Dalen. Hoewel hun bezittingen administratief gezamenlijk werden geregistreerd, lijkt er geen directe bloedverwantschap tussen beide pachters te hebben bestaan. In de latere traditie werden de twee bedrijven aangeduid als het eerste en het tweede Pathuis.
Jan ten Pathuijs
Jan ten Pathuijs trad regelmatig op in juridische aangelegenheden. Zo voerde hij een succesvolle procedure over een aandeel in de marke van Dalen en kocht hij in 1648 extra hooiland. In 1656 verkocht hij samen met zijn vrouw een perceel aan Berent Wolters. Bij die gelegenheid blijkt bovendien dat zijn moeder Mette Pathuis nog leefde en toestemming gaf voor de overdracht. Hierdoor ontstaat een zeldzaam inkijkje in drie opeenvolgende generaties binnen dezelfde familie.
Jan ten Pathuis en zoon Jonge Jan ten Pathuijs
Zijn vermoedelijke zoon Jan Pathuis zette het bedrijf vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw voort. In 1679 werd met financiële steun van de Landschap Drenthe een nieuwe schuur gebouwd op het erf. De kosten werden door de meier voorgeschoten en later vergoed uit de opbrengsten van het voormalige Asser convent. Deze documenten illustreren hoe het provinciaal bestuur verantwoordelijk bleef voor het onderhoud van gebouwen die tot voormalige kloostergoederen behoorden. Ook uit leningen en hypotheekakten blijkt dat de familie regelmatig kapitaal aantrok om het bedrijf te kunnen voortzetten of uitbreiden. Via zoon Jonge Jan Pathuis en diens vier dochters Jantje, Geesje, Hindrikje en Aaltje bleef het erf binnen dezelfde familie. Dochter Geesje Pathuis huwt in 1703 met Berent Lubbers uit Schoonebeek, die zich Pat Berent ging noemen. Zij zetten in het erve voort. In deze periode ontstaan verschillende takken van de familie Pathuis, waarvan sommige later de verkorte naam Pat gingen gebruiken. Huwelijken met families als Lubbers, Claassen, Schoenmakers en Roelofs versterkten de onderlinge familiebanden binnen Schoonebeek en de omliggende buurtschappen. Uit kerkregisters blijkt bovendien dat meerdere familieleden lidmaat werden van de gereformeerde gemeente of met attestatie naar andere plaatsen vertrokken.
Hindrik Pathuis en Jantien Berends Schoenmaker
Een belangrijke bron vormt de huwelijksovereenkomst uit 1776 tussen Jans kleinzoon Hindrik Pathuis – zoon van Jan Pathuis en Jantien Berends Schoenmaker – en Grietien Roelofs. Deze overeenkomst beschrijft nauwkeurig welke goederen de bruid inbracht, waaronder geld, vee, beddengoed en kleding. Tevens werd vastgelegd hoe de verzorging van de ouders van de bruidegom geregeld moest worden. De jonge echtelieden verplichtten zich onder meer jaarlijks schapen, rogge en linnen aan de ouders te leveren. Daarnaast werd de nalatenschap geregeld door middel van een afkoopregeling waarbij de halfbroers en halfzusters een financiële vergoeding ontvingen. Dit document laat zien hoe zorgvuldig familiebezit bijeen werd gehouden en hoe de continuïteit van het landbouwbedrijf voorrang kreeg boven een volledige verdeling van de erfenis.
Aankoop eerste Pathuis-erve door familie Pathuis 1807
Aan het begin van de negentiende eeuw veranderde de juridische positie van het erf ingrijpend. In 1807 werd het halve Pathuis-erve definitief aangekocht van de Landschap Drenthe, nadat het lange tijd in beklemming was uitgegeven. Om deze aankoop mogelijk te maken sloot Hindriks zoon Jan Pat verschillende hypothecaire leningen af. Daarmee veranderde de familie van pachter in eigenaar van een belangrijk deel van het bedrijf. Deze overgang markeert een belangrijk moment in de geschiedenis van het erf. In de negentiende eeuw groeide het bedrijf verder uit. Jan Pat verkocht in 1844 een deel van zijn levende have, landbouwgereedschappen en gewassen via openbare veilingen, terwijl in 1857 een omvangrijke overdracht van onroerend goed plaatsvond aan de volgende generatie, zoon Hindrik Pat en zijn vrouw Henderika Schoemaker. Uit deze akten blijkt dat het bedrijf inmiddels aanzienlijk in omvang was en dat de eigendom zorgvuldig binnen de familie werd overgedragen.
Uitbreiding landbouwbedrijf door grondverdeling 1877
Een andere belangrijke gebeurtenis vond plaats in 1877. Toen werden de gemeenschappelijke gronden van ruim 221 hectare tussen verschillende familieleden verdeeld. Daarbij werden niet alleen de percelen toegewezen, maar ook nieuwe wegen, waterlossingen en pompen aangelegd. De verdeling werd nauwkeurig vastgelegd met behulp van een schetskaart en loting. Hiermee werd een eeuwenlange vorm van gezamenlijk grondbezit beëindigd en vervangen door individueel eigendom. Onder Hindrik Pat, geboren in 1814, bleef het bedrijf een belangrijk landbouwbedrijf in de streek. Krantenberichten uit de jaren 1880 en 1890 geven een levendig beeld van het dagelijks boerenleven. Zo gingen twee waardevolle paarden verloren doordat zij onder de voederkrib terechtkwamen, terwijl een ander bericht beschrijft hoe een paard na een ongeval in de haven ternauwernood werd gered. Zulke berichten tonen aan dat landbouwbedrijven voortdurend kwetsbaar waren voor onverwachte tegenslagen.
Jan Pat en Everdina Geugies
Na het overlijden van Hindrik Pat volgden omvangrijke boedelscheidingen. De notariële akten uit 1915, 1918 en 1920 beschrijven nauwkeurig hoe de nalatenschap over kinderen en kleinkinderen werd verdeeld. Daarbij speelde testamentair erfrecht een belangrijke rol. Jan Pat, gehuwd met Everdina Geugies, kreeg uiteindelijk het centrale landbouwbedrijf toebedeeld tegen verrekening met de overige erfgenamen. Tegelijkertijd werden grote partijen eiken, dennen en populieren openbaar verkocht, wat wijst op het economische belang van de bosbouw naast de akkerbouw en veeteelt. De twintigste eeuw laat een geleidelijke modernisering van het familiebedrijf zien. Jan Pat verkreeg vergunning voor vervening, verkocht gronden aan het Stieltjeskanaal en breidde het bedrijf verder uit. Zijn zoon Hendrik Jan Pat zette het landbouwbedrijf voort en droeg in 1984 een deel van de monumentale boerderij over aan zijn zoon Jan Pat. De historische boerderij kreeg inmiddels de status van beschermd monument. Daarnaast werd de landbouw voortgezet binnen de maatschap van zijn zoons Jan en Gerrit Jan. Daarmee bleef de eeuwenoude landbouwtraditie op het Pathuis voortbestaan, ondanks alle maatschappelijke veranderingen.
Brede ontwikkeling op Drentse platteland
De geschiedenis van de Pathuis-erven weerspiegelt daarmee de bredere ontwikkelingen op het Drentse platteland in de zeventiende en achttiende eeuw. Een aanvankelijk welvarend landbouwbedrijf wist lange tijd dankzij huwelijken, familiebanden en zorgvuldig geregelde erfopvolging binnen één uitgebreid familienetwerk te blijven. Tegelijkertijd maakten stijgende schulden, hoge pachtlasten, veeziekten, misoogsten, wateroverlast en juridische conflicten het steeds moeilijker om het bedrijf rendabel voort te zetten. Verschillende generaties zagen zich daardoor gedwongen het erf te verlaten en elders een nieuw bestaan op te bouwen. De rijke archiefbronnen maken het mogelijk deze ontwikkeling tot in detail te reconstrueren en tonen hoe de geschiedenis van één boerderij een representatief beeld geeft van de economische en sociale veranderingen die het Drentse platteland gedurende twee eeuwen ingrijpend hebben beïnvloed.
Familie Luitiens
De kleinste boerenerven
De Luijtiens erven heetten aan het einde van de zestiende en begin zeventiende eeuw Lu(i)tkens of Lutien. De naam is waarschijnlijk terug te voeren op het woord ‘lutke’ dat ‘klein’ betekent. Luijtiens was één van de drie erven die het convent in Assen in Schoonebeek had en als we de inkomstenregisters van de kloostergoederen van het begin van de zeventiende eeuw bezien dan constateren we dat de Luitiens erven de laagste opbrengst genereerden voor de Landschap Drenthe, die sinds het einde van de zestiende eeuw eigenaar was geworden van de kloostergoederen. De Luitiens erven waren dus letterlijk de kleinste erven die het klooster hier had.
Oudste vermelding vóór 1531
De oudste bekende vermelding van het Luitiens-erf dateert van 8 oktober 1538, toen een geschil werd beslecht tussen Claes ten Pathuise en de weduwe Aelet Lutyens over het gebruik van hooilanden bij Schoonebeek. Uit deze bron blijkt dat het erf al vóór 1531 bestond. Omdat zowel het Luitiens- als het Vlieghuis jaarlijks een pacht van vijftig daalders aan het klooster betaalden, terwijl het Pathuis nog een oudere pacht in natura (twee vaten boter) verschuldigd was, ligt het voor de hand dat Luitiens en Vlieghuis ongeveer gelijktijdig zijn gesticht. Aangezien het Vlieghuis reeds in 1487 wordt genoemd, moet ook het Luitiens-erf vóór die tijd zijn ontstaan.
Familieband Wenninge, Sassen en Luitkens
In de zestiende eeuw vormden Pathuis, Vlieghuis en Luitiens nog onderdeel van het rechtsgebied van Schoonebeek en vielen zij niet onder Coevorden. Dat hing samen met afspraken tussen het klooster van Assen en de stad Coevorden over het gebruik van de oostelijke venen, waarbij het klooster zijn rechten behield. Hierdoor stonden de bewoners ook juridisch los van het Coevorder gerecht. Uit de namen van de pachters blijkt bovendien een nauwe verwantschap tussen de families Wenninge, Sassen en Luitkens. De veel voorkomende voornaam Sasse binnen de familie Luitkens en de aanwezigheid van Roelof Wenninge als pachter wijzen erop dat nakomelingen van deze familie gedurende lange tijd het erf hebben bewoond en geëxploiteerd.
Van convent naar Landschap 1602
De Reformatie betekende een ingrijpende verandering voor het kloosterbezit. Nadat Drenthe in 1594 onder Staats gezag kwam, werd in 1598 de kerkhervorming officieel ingevoerd. De bezittingen van het klooster werden geïnventariseerd en in 1602 overgedragen aan de Landschap Drenthe. Daarmee verloor het klooster zijn zelfstandigheid en werd het opgeheven. De opbrengsten van de voormalige kloostergoederen moesten voortaan worden besteed aan kerkelijke en maatschappelijke doeleinden, zoals het onderhoud van scholen en de opvoeding van de jeugd. Hoewel het Luitiens-erf niet afzonderlijk in de inventaris wordt genoemd, blijkt uit de administratie van rentmeester Johan Tijmens dat het één van de drie Schoonebeker kloostererven was. De inkomstenregisters noemen de pachters Roelof Wenninge en Meine Luitkens afzonderlijk. Aanvankelijk huurden zij elk een gedeelte van het erf met een eigen behuizing, maar vanaf 1602 worden zij gezamenlijk als pachters vermeld. De jaarlijkse pacht bedroeg vijftig daalders, die soms niet in geld maar in natura werd voldaan. Zo leverde Meine Luitkens in 1601 twee ossen ter waarde van vijfentwintig daalders per stuk om zijn huur te betalen.
Verpachting iedere zes jaar
Na de overgang naar de Landschap Drenthe werden de voormalige kloostererven telkens voor zes jaar verpacht. Daarbij steeg de jaarlijkse pacht aanzienlijk. Van vijftig daalders rond 1600 liep deze op naar zestig daalders in 1612, zesenzestig daalders in 1616, honderd daalders vanaf 1625 en uiteindelijk honderdtwintig daalders vanaf 1632. Deze ontwikkeling weerspiegelt de toenemende economische waarde van het erf en de landbouwgronden. Naast de geldpacht moesten de pachters van Luitiens, Vlieghuis en Pathuis gezamenlijk jaarlijks tien mudden gerstenmout afdragen, een verplichting die uit de oude kloostertijd stamde.
Vierkantswarck eigendom van klooster later Landschap
De bronnen laten zien dat de pachters niet alleen landbouw bedreven, maar ook aanzienlijk investeerden in de gebouwen. In 1616 verklaarden Johan en Meine Luitkens dat het zogenoemde vierkant, bestaande uit de centrale draagconstructie met het achterhuis van vier gebinten, eigendom was van de Landschap. Het vierkant vormde de dragende kern van de boerderij, met daaromheen de stallen en woonvertrekken. Rond 1638 ontstond een langdurig conflict nadat een storm de vier gebinten had vernield. De Landschap had toegezegd nieuwe gebinten te leveren, maar deze verplichting werd jarenlang niet nagekomen. De kwestie keerde decennialang terug in de rentmeestersrekeningen en bleef zelfs tot 1687 onopgelost. In de tweede helft van de zeventiende eeuw kregen verschillende pachters betalingsproblemen. Sasse Luitjens en Klaas ten Pathuis konden hun achterstallige huren niet meer voldoen. Om deze schulden te verrekenen kocht de Landschap in 1687 de helft van hun woningen en schuren. De pachters behielden wel het gebruiksrecht en mochten hun deel binnen zes jaar terugkopen, terwijl zij verplicht bleven de gebouwen te onderhouden. Door deze aankoop werd de Landschap feitelijk eigenaar van de volledige boerderij en werd tegelijkertijd het oude geschil over de vier gebinten beëindigd.
Verkoop beklemming Luitiens-erven 1749
De Landschap Drenthe bleef ongeveer 150 jaar eigenaar van de voormalige kloostergoederen. In 1749 besloot de Landsdag echter deze erven bij beklemming te verkopen. Dat betekende dat het gebruiksrecht tegen betaling werd overgedragen, terwijl de Landschap eigenaar van de grond bleef en een jaarlijkse canon bleef ontvangen. Tijdens de openbare verkoop in 1750 werd het Luitiens-erf opgesplitst in twee helften. De ene helft werd gekocht door Sasse Luichies voor 1.150 Carolusgulden, de andere door Swane Luichies voor 1.200 Carolusgulden. De jaarlijkse pacht bleef voor iedere helft negenentachtig Carolusgulden bedragen, naast de verplichting om mee te betalen aan de tien mudden gerstenmout. Uit de biedingsprotocollen blijkt dat meerdere gegadigden belangstelling hadden voor het erf. De voorwaarden van de beklemming waren nauwkeurig vastgelegd. De beklemde meier moest jaarlijks de pacht voldoen en verloor het gebruiksrecht wanneer drie jaar achtereen niet werd betaald. De grond en het houtgewas bleven eigendom van de Landschap. Zonder toestemming mochten geen bomen worden gekapt of markegronden worden verdeeld. Bovendien golden verschillende heffingen bij overdracht, hertrouwen of vererving van het beklemrecht. De betalingen voor de aankoop vonden in termijnen plaats; uit de administratie blijkt dat Meine Luchies tussen 1751 en 1753 de volledige koopsom van twaalfhonderd Carolusgulden voldeed. Ondanks de verkoop bleef de jaarlijkse pacht nog decennialang verschuldigd. De administratie van de rentmeester vermeldt deze betalingen tot en met 1806. In de rekening van 1808 wordt vastgesteld dat de bezittingen van het voormalige convent inmiddels volledig waren verkocht en dat de afrekening met de Landschap was voltooid. Kort daarvoor, in 1807, verkocht de Raad van Financiën van Drenthe het Luitkens-erf aan J. Oosting uit Meppel en diens erven voor een bedrag van ƒ 5.304, waarmee een einde kwam aan ruim twee eeuwen provinciaal beheer van deze voormalige kloosterboerderij.
Het eerste Luitiens-erve
Johan Luitkens en schoonzoon Harmen Luyties
De vroegst bekende bewoner is Johan Luitkens, geboren omstreeks 1570. Hij wordt tussen 1609 en 1631 vermeld als meier van het klooster te Assen op het Luitiens-erve. Uit een rechtszaak uit 1651 blijkt dat zijn vermoedelijke dochter was gehuwd met Harmen Luyties. De zaak draaide om de erfenis van haar ouders. Harmen Luyties en zijn zoon Willem maakten aanspraak op een deel van de nalatenschap, terwijl Jan Luyties, vermoedelijk de broer van Harmens vrouw, het familiebezit beheerde. Uiteindelijk werd afgesproken dat Jan een afkoopsom van 105 gulden zou betalen. Toen hij in gebreke bleef, moest de kwestie voor het gerecht worden gebracht. Deze procedure laat zien hoe belangrijk familiebezit en erfrechten waren en maakt aannemelijk dat Harmen door zijn huwelijk op het Luijtien-erve terechtkwam. Harmen Luyties, die waarschijnlijk oorspronkelijk tot de familie Wenninge behoorde, wordt vanaf 1632 als meier van het klooster vermeld. Verschillende aanwijzingen wijzen erop dat hij een zoon was van Sasse Wenninge uit het Westersebos. Ook eerdere meiers op het Luijtien-erve droegen aanvankelijk de naam Wenninge voordat zij de naam Luitkens aannamen. Dit wijst op een nauwe band tussen beide families. Uit de grondschattingsregisters van 1642 blijkt dat Harmen een aanzienlijk landbouwbedrijf exploiteerde. Het bedrijf omvatte bouwland, hooiland, weidegronden voor koeien, paarden en jongvee, een hof en een eigen huis met schuur. De totale geschatte waarde bedroeg ongeveer 7.750 gulden, waarmee het tot de grotere bedrijven in de omgeving behoorde. Daarnaast blijkt uit een akte uit 1649 dat Harmen geld leende van de erven van het Vlieghuis, waarbij een dagmaat land als zekerheid diende.
Sasse Luitiens
Zijn vermoedelijke zoon Sasse Luitiens volgde hem rond 1661 als meier op. Daarmee bleef het bedrijf binnen dezelfde familie. Vervolgens kwam het erve in handen van een nieuwe generatie onder leiding van opnieuw een Sasse Luitjens, die vanaf circa 1690 als meier wordt genoemd. Hij verschijnt in uiteenlopende belastingregisters, waaronder haardstedenregisters, goedschattingen en registers van liberale giften. Deze vermeldingen tonen aan dat hij beschikte over zowel onroerend goed als kapitaal en daarmee tot de welgestelde boeren van Schoonebeek behoorde. Deze Sasse huwde tweemaal. Uit zijn eerste huwelijk werd Harmen Luigjes Sassen geboren, die later het familiebedrijf voortzette. Uit het tweede huwelijk kwamen meerdere kinderen voort, waaronder Jan, Henderick, Willem en Aaltje. Vooral Jan zou later een belangrijke rol spelen doordat hij in 1750 de helft van het Luijtien-erve op beklemming verwierf, terwijl zijn broer Harmen het bedrijf als meier exploiteerde.
Zoon Harmen Luigjes Sassen
Zoon Harmen Luigjes Sassen, geboren rond 1680, was een centrale figuur in de geschiedenis van het erve. Hij wordt vanaf 1709 gedurende ruim veertig jaar als meier genoemd. Hij huwde waarschijnlijk eerst een dochter uit de familie Eisen en daarna Swaene Hendericks Benierman uit Haftenkamp in het graafschap Bentheim. Hierdoor ontstonden sterke familiebanden over de grens tussen Drenthe en Bentheim. Verschillende bronnen tonen dat leden van de families Eisen, Benierman en Luigjes elkaar regelmatig als voogd of getuige bijstonden. Na het overlijden van Swaene in 1723 werd een officiële momberstelling gehouden voor de minderjarige kinderen Sasse, Henderick en Willem. Daarbij werden familieleden van zowel vaders- als moederszijde als voogden benoemd. De vader verplichtte zich ieder kind twintig Carolusgulden uit het moederlijk erfdeel uit te keren zodra zij meerderjarig werden of trouwden. Deze akte geeft een goed beeld van de wijze waarop wezenzorg en erfrecht in de achttiende eeuw waren geregeld. Uit belastingregisters blijkt tevens dat Harmen zijn boerderij aanzienlijk uitbreidde. In de registers van nieuwgebouwde huizen uit 1749 en 1750 wordt melding gemaakt van een vergroot woonhuis en een nieuwe schuur. De investeringen bevestigen dat het bedrijf economisch floreerde. Ook uit de registratie van de liberale gifte blijkt dat Harmen en zijn familie over voldoende vermogen beschikten om belasting te betalen, terwijl knechten en dienstmeiden slechts kleine bijdragen leverden.
Sasse Harms Sassen
Zijn zoon Sasse Harms Sassen, ook bekend als Luichies of Lucas, zette de familietraditie voort. Hij woonde op het Pathuis en wordt vanaf de jaren dertig van de achttiende eeuw in diverse registers genoemd. In 1755 diende hij samen met enkele buren een verzoekschrift in tegen bewoners van Dalerveen, die een afwateringssloot hadden gegraven. Volgens de verzoekers veroorzaakte deze sloot ernstige wateroverlast op hun bouw- en hooiland. De zaak werd verwezen naar de provinciale justitie. Het conflict illustreert het grote belang van waterbeheer in het veengebied rond Schoonebeek. Zijn zoon Harmen Sassen Luchies huwde in 1764 Geesjen Scholten. Tijdens dit huwelijk kocht hij onder meer een dagwerk hooiland bij Mullersmate. Na het overlijden van zijn eerste vrouw werden in 1775 voogden aangesteld over zijn drie minderjarige kinderen. Tegelijkertijd sloot hij een nieuwe huwelijksovereenkomst met Geesien Ellen. In deze overeenkomst werd nauwkeurig vastgelegd dat de kinderen uit het eerste huwelijk hun moederlijk erfdeel zouden behouden en als eerste erfgenamen van het familiebedrijf golden. De nieuwe echtgenote nam de kinderen officieel aan als haar eigen kinderen.
Harm Luchies en Geesien Hindriks Wolters
Een van de zonen uit het eerste huwelijk, Sasse Harms Luchies, werd rond 1765 geboren en zette de familielijn voort. Hij huwde Geesien Beniering uit Haftenkamp, waarmee de banden met Bentheim opnieuw werden versterkt. In de jaren twintig van de negentiende eeuw verkocht hij enkele geërfde akkers in Dalen via notariële akten. Na het overlijden van Sasse in 1828 en zijn vrouw in 1831 werd een familieraad bijeen geroepen om voogden voor de minderjarige dochter Johanna te benoemen. Hun zoon Harm Luchies werd de volgende eigenaar van het bedrijf. Hij huwde Geesien Hindriks Wolters en bleef tot zijn overlijden in 1893 op het Pathuis wonen. Uit archiefstukken blijkt dat hij niet alleen als landbouwer actief was, maar ook betrokken was bij juridische kwesties. Zo diende hij in 1826 een klacht in tegen Harm Meijer uit Wachtum, hoewel justitie besloot geen vervolging in te stellen. In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde het grondbezit ingrijpend. In 1877 besloten verschillende eigenaren gezamenlijk een omvangrijk complex van ruim 221 hectare op het Padhuis te verdelen. Daarbij werden nieuwe wegen, waterlossingen en pompen aangelegd om het gebied beter te ontsluiten en te ontwateren. Een schetskaart maakte deel uit van de overeenkomst. Deze verdeling markeert de overgang van gemeenschappelijk gebruikt land naar duidelijk afgebakende particuliere eigendommen. Na het overlijden van Harm Luchies in 1893 volgde in 1894 de formele boedelscheiding. De nalatenschap bestond uit meerdere boerderijen en landerijen met een aanzienlijke waarde. De bezittingen werden verdeeld over zijn dochters Jantje, Johanna en Siena en de kinderen van zijn overleden dochter Geesje. Het eerste Luchies-erve (huidig adres Europaweg 52 te Coevorden) kwam in handen van Jantje Luchies en haar man Klaas Sassen. Hun kinderen zetten de familienaam Sassen voort op het eerste Luijtien-erve. Onder hen bevond zich Roelof Sassen, die rond de eeuwwisseling op de boerderij bleef wonen en later verhuisde naar een nieuw bedrijf aan de Europaweg te Padhuis.
Het tweede Luitiens-erve
Johan Luykens
De vroegst bekende bewoner is Johan Luykens, geboren omstreeks 1530. Mogelijk stamde hij af van de weduwe Aelet Lutyens, die al in 1538 betrokken was bij een geschil met Claes ten Pathuis over gepachte hooilanden bij Schoonebeek. De drost van Coevorden en Drenthe stelde een regeling vast waarbij beide partijen een deel van de betwiste gronden terugkregen. Deze vroege bron laat zien dat de familie reeds in de eerste helft van de zestiende eeuw verbonden was met de gronden rond Schoonebeek. Johan Luykens wordt daarnaast in 1570 vermeld in het kerkregister van Emlichheim, waar hij een roggepacht afloste ten behoeve van de kerk.
Meine Luitkens
Zijn vermoedelijke zoon Meine Luitkens volgt hem op als meier van het Asser klooster op het Luijtien-erve. Tussen 1599 en 1624 wordt hij regelmatig genoemd als pachter van het kloostergoed. Hij was gehuwd met Gese. Uit verschillende documenten blijkt dat de familie nauw verweven was met andere vooraanstaande families in Schoonebeek, zoals de Wennincks, Beckers en Almincks. In 1611 werd een boedelscheiding geregeld naar aanleiding van het overlijden van een familielid, waarbij Meine zich verplichtte zijn zwagers financieel schadeloos te stellen. Dergelijke overeenkomsten tonen het belang van familieverbanden en zorgvuldig vastgelegde erfrechten. In 1617 blijkt uit een verzoekschrift van Gese aan de Landschap Drenthe dat Meine geestelijk sterk achteruit was gegaan en niet langer in staat was het bedrijf te leiden. Zij verzocht daarom om vermindering van de pacht. Het verzoek geeft een zeldzaam inkijkje in de kwetsbaarheid van een boerengezin wanneer de bedrijfsleider uitviel. Na Meine’s overlijden betaalde zijn weduwe de achterstallige huur van het erve, waarmee zij de continuïteit van het bedrijf veiligstelde.
Luchien Luitkens
In de volgende generatie verschijnt Luicke (Luchien) Luitkens, die vanaf 1611 op het Luijtien-erve woonde en tussen 1632 en 1660 als meier van het Asser klooster wordt vermeld. Uit getuigenverklaringen blijkt dat hij afkomstig was van Vastenouwe. Het zou kunnen gaan om Fürstenau in het huidige Landkreis Osnabrück. De historische naam Vorstenouwe, de aanwezigheid van soldaten en migranten uit deze streek en de grote stadsbrand van 1606 maken aannemelijk dat Luicke kort daarna naar Schoonebeek verhuisde. Daarmee krijgt de familie een aannemelijke oorsprong in het Duitse grensgebied. Luicke speelt een belangrijke rol in een conflict uit 1654-1655 over de vermeende verplichting van de inwoners van Schoonebeek om jaarlijks turf naar de ambtswoning van de drost in Coevorden te brengen. Tijdens een uitgebreid getuigenverhoor verklaarde hij dat hij al 43 jaar op het Luijtien-erve woonde en bevestigde hij dat het leveren van turf een vrijwillig gebruik was en geen juridische verplichting. Deze verklaring levert niet alleen genealogische gegevens op, maar werpt ook licht op oude buurrechten en de verhouding tussen de bevolking en het landschapsbestuur.
Jan Luijtiens
Na Luicke volgt Jan Luijtiens, die tussen 1661 en 1708 als meier wordt vermeld. Uit talrijke kwitanties blijkt dat hij jaarlijks de pacht aan het voormalige Asser klooster betaalde. Daarnaast voerde hij procedures over waterafvoer, gebruiksrechten van veengronden en gezamenlijke weidegronden. Een attestatie uit 1644, later opnieuw gebruikt, bevestigt dat de bewoners van Pathuis en Luijtien al sinds mensenheugenis gezamenlijk het veengebied achter Vlieghuis gebruikten voor beweiding en plaggenwinning. De vele administratieve stukken illustreren hoe belangrijk schriftelijke bewijsvoering was voor het behoud van gebruiksrechten. Zijn vermoedelijke zoon Meine Luigjes zette het bedrijf voort vanaf het einde van de zeventiende eeuw. Hij komt voor in haardstedenregisters, belastingregisters en pachtadministraties tussen ongeveer 1685 en 1720. Ook van hem zijn verschillende betalingsbewijzen bewaard gebleven. Zijn kinderen vestigen zich deels buiten Schoonebeek, onder meer in Emmen, waardoor familiebanden tussen beide dorpen ontstaan. Een belangrijke figuur is vervolgens Jan Meinders Luijgjes, die in 1713 in Emmen trouwde met Annigjen Roelefs. Uit het huwelijk werden meerdere kinderen geboren. Waarschijnlijk keerde hij na enkele jaren vanuit Emmen terug naar het Luijtien-erve om het bedrijf van zijn vader over te nemen. De gegevens uit pachtregisters lijken deze veronderstelling te ondersteunen, al blijft volledige zekerheid ontbreken.
Meine Sassen Luigjes
In het midden van de achttiende eeuw wordt Meine Sassen Luigjes de nieuwe bewoner. Zijn afkomst is niet geheel duidelijk, maar zijn voornaam en de opeenvolging van de pacht wijzen op nauwe verwantschap met de eerdere bewoners. Hij moderniseerde het bedrijf aanzienlijk. In de registers van nieuwgebouwde huizen uit 1749 en 1750 wordt melding gemaakt van een nieuw woonhuis, een grote schuur en een turfschuur. Tevens verwierf zijn vrouw Swane Luichies in 1750 voor 1.200 Carolusgulden het beklemmingsrecht op de helft van het Luijtien-erve. De uitvoerige beklemmingsakte beschrijft nauwkeurig de rechten en plichten van de meier, waaronder de jaarlijkse pacht, het onderhoud van gebouwen, het gebruik van hout, de overdracht van het beklemmingsrecht en de verschuldigde recognities bij overlijden of verkoop. Meine raakt daarnaast betrokken bij geschillen over wateroverlast en markescheidingen. Samen met andere bewoners van Pathuis verzoekt hij het landschapsbestuur om een schadelijke scheidingssloot te laten dempen, omdat deze landbouwgronden onder water zette. Na zijn overlijden rond 1765 zet zijn weduwe de bedrijfsvoering nog enige tijd voort.
Evert Meins Luichies
Zijn zoon is Evert Meins Luichies, die in 1763 trouwde met Geesien Eijsen. De huwelijksovereenkomst regelde nauwkeurig de wederzijdse erfrechten en voorzag tevens in het levensonderhoud van Evert’s broer Meine en diens vrouw. Een aanvullende overeenkomst bepaalde dat Geesien voor haar volledige erfdeel uit het ouderlijk huis werd afgekocht met 450 Carolusgulden, uit te betalen in termijnen. Zulke contracten moesten toekomstige familieconflicten voorkomen. Tijdens zijn leven breidde Evert het bezit aanzienlijk uit. Hij kocht meerdere akkers en hooilanden in Dalen en Coevorden en liet in 1769 een nieuwe boerderij bouwen naast het bestaande erf. Leveringsrekeningen voor bakstenen, hang- en sluitwerk en andere bouwmaterialen zijn bewaard gebleven en geven een bijzonder beeld van de bouw van een achttiende-eeuwse boerderij. Tevens maakte Evert samen met zijn vrouw testamenten op waarin de wederzijdse erfopvolging zorgvuldig werd geregeld. Na het overlijden van Evert in 1779 zette Geesien de exploitatie voort. Zij hertrouwde later met Hindrik Gommers, waardoor het Luijtien-erve (huidig adres Europaweg 48 te Coevorden) overging naar de familie Gommer. Volgens de huwelijksvoorwaarden ontstond een gemeenschap van goederen, terwijl de langstlevende partner uitgebreide rechten kreeg op de bezittingen en de beklemming van het erf. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ruim 130 historische documenten ontdekt (1586-1876) in een verborgen vak van een oude kleerkist van Hindrik Gommers. Deze stukken bevatten pachtbewijzen, belastingkwitanties, afrekeningen, recepten voor de bijenteelt en andere documenten, die een unieke inkijk geven in het dagelijks leven op het erf.
Eigendom in handen van familie Gommers
Hindrik Gommers verpachtte het Luigies-erve achtereenvolgens aan Albert Veldink, Jan Mulder en Geert Beerens. De uitgebreide huurcontracten regelen niet alleen de huurprijs, maar ook het onderhoud, het gebruik van akkers, weilanden, schapen, paardenwerk, turfwinning en de verplichtingen van de pachter tegenover de eigenaar. Vooral Albert Veldink kampte met ernstige schulden, waardoor zijn bezittingen werden geëxecuteerd en hij uiteindelijk als armlastige eindigde. Ook Jan Mulder vertrok na enkele jaren naar een eigen boerderij. Na het overlijden van Geesien Eijsen in 1784 kreeg Hindrik Gommers te maken met ingewikkelde erfrechtelijke kwesties rond de nalatenschap van Evert Luchies. Hij kocht uiteindelijk de overige erfgenamen uit en verwierf zo de volledige eigendom van de bezittingen. Daarnaast voerde hij procedures over gemeenschappelijke veen- en weidegronden en liet hij advocaten openstaande schulden innen. In 1787 hertrouwde hij met Geertjen Hendriks, waarbij de rechten van zijn zoon Jan uit het eerste huwelijk zorgvuldig werden vastgelegd. Hoewel Hindrik Gommers aanvankelijk een welvarende positie innam, raakte hij rond 1801 zelf in financiële problemen door misoogsten, gestorven paarden en een groot gezin. De overheid verleende hem uitstel van betaling van de pacht.
Jan Gommer en Geertruid Panders
Na zijn overlijden werd het erf voortgezet door zijn zoon Jan Gommer (1784-1852), die in 1829 trouwde met Geertruid Panders. Jan Gommer was landbouwer en speelde een rol in de regionale veehandel. In 1814 ontving hij een brief van een veehandelaar over de levering van aangekochte ossen, terwijl hij datzelfde jaar werd opgeroepen voor de loting van de landmilitie. Uit notariële akten blijkt dat hij in 1830 bijen, honing, hooi, vee en huisraad openbaar verkocht. Zijn zoon Hendrik Gommer (1833-1913) zette het familiebedrijf voort. In 1876 kocht hij voor ƒ 2.500 het beklemmingsrecht van de eeuwenoude boerderij op het Padhuis. Een jaar later vond de verdeling plaats van ruim 221 hectare gezamenlijke markegronden, waarbij tevens afspraken werden gemaakt over wegen en waterlossingen. In 1887 liet Hendrik Gommer samen met zijn vrouw Janna Bruna een nieuwe boerderij bouwen, waarvan de gevelsteen bewaard is gebleven. Na het overlijden van Hendrik Gommer volgden meerdere boedelscheidingen, waarbij omvangrijke bezittingen in landbouwgrond, vee en hypothecaire vorderingen werden verdeeld. Zoon Jan Gommer (1876-1911) overleed tragisch door zelfdoding, waarna zijn weduwe Geesje Hanken de boerderij beheerde en later hertrouwde met Hendrik Bosch. Zoon Hindrik Gommer (1902-1983) moderniseerde het bedrijf, ontgon veengronden, bekleedde diverse bestuursfuncties en droeg in 1970 delen van de familiebezittingen over aan Harm Hindriks en Hendrik Jan Uninge. Daarmee kwam een belangrijk hoofdstuk uit de eeuwenlange geschiedenis van de Gommer-boerderijen op het Padhuis ten einde.
Familie Ten Vlieghuis
Tweede helft vijftiende eeuw
De oudste bekende vermeldingen van de familie Ten Vlieghuis dateren uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Tijdens de Etstoel van Drenthe in 1487 wordt een geschil behandeld over de nalatenschap van de familie Laninge. Aanvankelijk treedt Johan ten Vlechuys samen met Roloff Ubbynge op, maar later datzelfde jaar verschijnt Hille ten Vlechuys in zijn plaats. Dit wijst erop dat Johan vermoedelijk inmiddels was overleden. Uit de uitspraak blijkt dat Hille en Fie Ubbynge dochters waren van een zuster van de familie Laninge en daardoor de naaste erfgenamen vormden. Zij kregen daarom de erfenis toegewezen boven Johan Aelkynge, die slechts een verder verwijderde bloedverwant was. Deze documenten vormen het oudste betrouwbare bewijs voor het bestaan van de familie Ten Vlieghuis.
Harderinge en Ten Vlieghuis
In 1493 verschijnt opnieuw een Johan ten Vlieghuis voor de Etstoel, ditmaal in een geschil met de drost. De zaak eindigt met een minnelijke schikking. Vanaf het einde van de zestiende eeuw komen meerdere familieleden in de bronnen voor, onder wie Griete Herderinge ten Vlieghuis en Hermen ten Vlieghuis. Hun rechtszaken hebben voornamelijk betrekking op erfenissen, boedelscheidingen en eigendomskwesties. Griete voert procedures tegen Luitgen Herderinge over een nalatenschap en later tegen Henrick Alinge over de verdeling van goederen. Hermen ten Vlieghuis raakt verwikkeld in een conflict met Luitgen Houinge, waarbij de Etstoel de partijen herhaaldelijk aanspoort tot een onderlinge schikking. Deze zaken tonen aan dat de familie een gevestigde positie innam en regelmatig betrokken was bij juridische procedures over bezit en erfrecht.
Na secularisatie in handen van Landschap Drenthe 1602
De geschiedenis van de familie is nauw verbonden met het Asser klooster. De Reformatie en de politieke veranderingen in Drenthe leidden ertoe dat de kloostergoederen aan het einde van de zestiende eeuw werden geseculariseerd. Nadat Drenthe in 1594 onder Staatse controle was gekomen, werd de hervorming van kerk en bestuur doorgevoerd. In 1601 moest rentmeester Johan Tijmens alle kloostergoederen inventariseren, waarna zij in 1602 eigendom werden van de Landschap Drenthe. De laatste abdis droeg in 1603 het conventszegel over, waarmee het klooster feitelijk ophield te bestaan. De voormalige kloosterbezittingen werden voortaan beheerd door het provinciebestuur en de opbrengsten kwamen ten goede aan onderwijs en andere publieke doeleinden.
Jaarlijkse pachtsommen en tien mudden gerstenmout
Uit de administratie van rentmeester Johan Tijmens blijkt dat het Vlieghuis een van de drie belangrijke kloostererven in Schoonebeek was, naast Padhuis en Luitienhuis. De pachter Griete ten Vlieghuis betaalde rond 1600 jaarlijks een vaste huursom. Na de overgang naar de Landschap Drenthe werd het erve telkens voor zes jaar verpacht. De jaarlijkse pacht steeg geleidelijk van vijftig daalders aan het einde van de zestiende eeuw naar uiteindelijk 130 daalders in de zeventiende eeuw. De stijging weerspiegelt zowel de economische waarde van het bedrijf als de verbeteringen die de pachters zelf aanbrachten. Daarnaast moesten de drie voormalige kloostererven gezamenlijk bijdragen aan een oude verplichting van tien mudden gerstenmout, een last die oorspronkelijk afkomstig was van erven in het Noordenveld en later op de Schoonebeekse erven was overgebracht. Deze verplichting bleef nog tot ver in de zeventiende eeuw bestaan.
Investeringen door de familie Ten Vlieghuis
De bronnen laten zien dat de familie Ten Vlieghuis veel investeerde in de boerderij. Griete verklaarde in 1616 welke delen van het huis eigendom waren van de Landschap Drenthe: zeven gebinten van het woonhuis, een veehuis en een spijker. Latere rekeningen bevestigen deze eigendomsverhouding en laten tevens zien dat het veehuis in de loop van de tijd werd uitgebreid. Dit wijst erop dat de pachters zelf aanzienlijk investeerden in de ontwikkeling van het bedrijf, terwijl de grond formeel eigendom bleef van de Landschap. In het midden van de achttiende eeuw veranderde de eigendomssituatie ingrijpend. De Landschap Drenthe besloot de beklemmingen van haar voormalige kloostergoederen te verkopen. In 1750 werd het Vlieghuis in twee gelijke delen bij beklemming verkocht. De ene helft kwam in handen van Geert ten Vlieghuis, de andere van Tijmen ten Vlieghuis. Beide betaalden een aanzienlijke koopsom, terwijl zij daarnaast jaarlijks een vaste beklemhuur verschuldigd bleven. Uit de biedingsprotocollen blijkt dat ook andere gegadigden belangstelling hadden, maar uiteindelijk wist de familie Ten Vlieghuis beide helften te behouden. Daarmee verkreeg zij een veel sterkere rechtspositie dan voorheen, hoewel de Landschap juridisch eigenaar van de grond bleef. Kort na de aankoop verzocht Tijmen ten Vlieghuis om vermindering van de koopsom. Hij stelde dat zijn vader op eigen kosten belangrijke uitbreidingen aan de boerderij had uitgevoerd en dat bovendien extra gebinten waren aangebouwd. Tevens wees hij op zware financiële tegenslagen doordat zijn veestapel in 1750 en 1752 grotendeels verloren was gegaan. De Drentse overheid wees zijn verzoek echter af. Dit laat zien dat investeringen door de meiers niet automatisch tot financiële compensatie leidden.
Beklemrecht als erfelijk gebruiksrecht voor de meier
Het beklemrecht gaf de meier een vrijwel erfelijk gebruiksrecht op de grond tegen een vaste jaarlijkse huur. De beklemde meier had grote vrijheid om de grond te exploiteren en kon de opbrengsten van investeringen volledig zelf behouden. Het beklemrecht was ondeelbaar, waardoor boerderijen bij vererving meestal als één geheel op één erfgenaam overgingen. Hierdoor bleef de bedrijfsomvang behouden en werd versnippering voorkomen. Volgens de tekst leverde dit stelsel belangrijke economische voordelen op. De vaste huur werd door inflatie steeds gunstiger, terwijl investeringen in gebouwen en grondverbetering lonend waren. Daardoor speelde het beklemrecht een belangrijke rol in de agrarische ontwikkeling van Drenthe.
Ruzie over bomen op het Vlieghuis-erve 1760
Rond 1760 ontstond een conflict tussen Roelof en Tijmen ten Vlieghuis over bomen op hun beide erven. In een uitvoerige juridische notitie wordt uiteengezet dat het hout op de erven eigendom was van de beklemde meiers en niet van de Landschap Drenthe. Daarom moest het geschil niet door Drost en Gedeputeerden worden behandeld, maar door het scholtengericht van Coevorden. De notitie verduidelijkt de juridische positie van de beklemde meiers en bevestigt dat zij over de bomen en andere opstallen konden beschikken alsof zij eigenaar waren.
Geschil over gronden die onder beklemrecht vielen
Ondanks de aankoop van het beklemrecht bleven Geert en Tijmen jaarlijks de vaste beklemhuur betalen, evenals hun aandeel in de verplichting van de tien mudden gerstenmout. Daarnaast ontstond een nieuw geschil toen de schulte toestemming gaf voor de verkoop van veengronden. De familie stelde dat deze veengronden onderdeel uitmaakten van het beklemrecht en dus niet zonder hun toestemming konden worden verkocht. Zij voerden aan dat zij anders nooit bereid zouden zijn geweest een dergelijke hoge koopsom voor de beklemming te betalen. Deze kwestie onderstreept hoe waardevol de rechten op het land inmiddels waren geworden.
Verkoop beklemrecht aan Willem Stokman en Roelof ten Vlieghuis 1807
De jaarlijkse betalingen aan de Landschap duurden tot het begin van de negentiende eeuw. Na de verkoop van de domeinen in 1807 werden ook de resterende eigendomsrechten afgestoten. Op 17 april 1807 verkocht de Raad van Financiën beide helften van het Vlieghuis definitief aan de beklemde meiers: de ene helft aan Willem Stokman en de andere aan Roelof ten Vlieghuis, elk voor 3.745 gulden. Daarmee kwam een einde aan ruim twee eeuwen waarin het Vlieghuis eerst eigendom was geweest van het klooster van Assen en vervolgens van de Landschap Drenthe. De familie Ten Vlieghuis wist gedurende deze lange periode haar positie niet alleen te behouden, maar geleidelijk uit te bouwen van pachter tot vrijwel volledig eigenaar van een belangrijk landbouwbedrijf.
Het eerste Vlieghuis-erve
Geert ten Vleechuys en zoon Roelof ten Vlieghuis
De oudst bekende voorvader is Geert ten Vleechuys, geboren omstreeks 1480. Uit hem stammen onder meer Roelof en Steven ten Vlieghuis. Zijn zoon Roelof ten Vlieghuis beheerde vanaf circa 1535 het Vlieghuis-erve namens de abdij van Assen en wordt daarnaast genoemd als pachter van het Harderinge-erve te Buinen. Hij trad geregeld op in juridische en bestuurlijke aangelegenheden, wat wijst op een vooraanstaande positie binnen de gemeenschap. In 1548 verklaarden talrijke getuigen dat Geert ten Vleechuys en diens voorouders het Staals Broek en Staals Land gronden al tientallen jaren onafgebroken hadden gebruikt. Zij bevestigden dat de familie er hout kapte, vee weidde, hooiland verpachtte en twee zogenaamde booën (hooischuren) had gebouwd. Ook herinnerden verschillende getuigen zich dat de familie vrijelijk rijshout en hout uit het gebied weggaf, zonder dat daar ooit bezwaar tegen was gemaakt. Op grond van deze verklaringen erkenden de buurlieden van Schoonebeek dat Roelof een sterk recht op het gebied kon laten gelden. Deze zaak vormt een waardevolle bron voor de reconstructie van het grondgebruik en de eigendomsverhoudingen in de zestiende eeuw. Naast zijn werkzaamheden als meier trad Roelof ook op als geldschieter. In 1545 leende hij samen met zijn vrouw Alyde veertig Joachimdaalders aan de kerk van Emlichheim. De kerk betaalde jaarlijks rente totdat de lening in 1565 volledig werd afgelost. De kerkrekeningen tonen aan dat Roelof over aanzienlijke financiële middelen beschikte en een betrouwbare kredietverstrekker was. Bovendien leverde hij onder meer was voor kerkelijk gebruik. In 1563 ontstond een geschil tussen de abdij van Assen en haar pachters, waaronder Roelof ten Vlieghuis en de familie Ten Pathuis, nadat de abdij de pacht had opgezegd. De familie Ten Pathuis vocht deze beslissing juridisch aan. Vermoedelijk wist de familie Ten Vlieghuis haar positie als pachter te behouden.
Griete ten Vlieghuis en Frederick Harderingen uit Buinen
Rond 1570 trouwde vermoedelijk een dochter van Roelof ten Vlieghuis, Griete, met Frederick Harderinge uit Buinen. Zij vestigde zich met haar man op het Vlieghuis-erve, dat vanaf de kerk in Schoonebeek het eerste erve was. Haar vader Roelof ten Vlieghuis verhuisde naar het Harderinge-erve, waarvan zijn schoonzoon Frederick voor 7/8e deel eigenaar bleef. In een inkomstenregister uit 1602 wordt hij vermeld als voormalig meier van het Vlieghuis-erve. Frederick treedt vanaf 1578 op in juridische procedures voor de goorspraak van Dalen. Na zijn overlijden, vermoedelijk vóór 1595, beheert Griete zelfstandig het bedrijf en verschijnt zij regelmatig voor de goorspraak en de Etstoel in geschillen over schulden, erfenissen en landverdelingen. Vooral haar langdurige conflict met Luitgen Harderinge wijst op een ingewikkelde familie-erfenis, die uiteindelijk in haar voordeel wordt beslecht. Hierdoor blijven haar kinderen erfgenamen van een aanzienlijk aandeel in het Harderinge-erve te Buinen. Daarnaast is Griete vanaf 1599 meier van het voormalige kloostergoed Vlieghuis te Schoonebeek. Uit rekeningen van de Landschap Drenthe blijkt dat zij het erve jarenlang pachtte en in 1612 een nieuwe pachtovereenkomst voor zes jaar sloot tegen een hogere jaarlijkse pachtsom. Ook daarna blijft zij als beheerder en erfgename actief in juridische en financiële zaken, onder meer in een procedure uit 1615 over een oude schuld en in administratieve stukken uit 1621. Zij overlijdt in 1632, waarmee een periode van ruim dertig jaar eindigt waarin zij als zelfstandige en invloedrijke boerin en pachtster een belangrijke rol speelde in Schoonebeek en Buinen. Uit het huwelijk van Frederick Harderinge en Griete ten Vlieghuis kwamen waarschijnlijk drie kinderen voort. Zoon Roelof bleef op het eerste Vlieghuis-erve wonen (huidige Europaweg 44 te Coevorden). Zijn zuster Janne ging met haar man Herman op het naastgelegen tweede Vlieghuis-erve wonen (huidige Europaweg 42 te Coevorden). En zus Mette vertrok naar het eerste Padhuis-erve omdat zij met Claes Pathuijs trouwde.
Roelof ten Vlieghuis en Evert Hendricks
Roelof ten Vlieghuis, geboren rond 1570-1575 en overleden vóór 1627, huwde omstreeks 1615 met Hindrickien Hindricks. Na zijn overlijden bleef Hindrickien als pachter van het Vlieghuis-erve optreden. In 1633 hertrouwde zij met Evert Hindricks, die waarschijnlijk afkomstig was uit Schoonebeek. De uitgebreide huwelijkse voorwaarden laten zien hoe zorgvuldig bezittingen en erfrechten werden geregeld. Evert bracht een aanzienlijk vermogen van 400 daalders, een hengst en kleding in het huwelijk. Tegelijk werd vastgelegd welke rechten de weduwe en de familie van de bruidegom zouden behouden bij kinderloos overlijden. Geert, de zoon uit Hindrickiens eerste huwelijk, mocht op het Vlieghuis blijven wonen, mits hij zijn beide zusters Nese en Aeltien eerlijk uitboedelde. Verschillende processtukken tonen dat Hindrickien en Evert regelmatig betrokken waren bij juridische en financiële kwesties. Zo werd in 1635 een schuld behandeld die nog stamde uit de tijd van Hindrickiens eerste echtgenoot. Andere akten laten zien dat zij grond kochten en verkochten en daarmee actief deelnamen aan het economisch verkeer rond Coevorden. Uit de grondschattingsregisters van 1642, 1646 en 1650 blijkt dat het Vlieghuis-erve een omvangrijk landbouwbedrijf vormde. Het grootste deel van de grond werd gepacht van het convent van Assen. Daarnaast bezaten Evert en zijn familie aanzienlijke eigen landerijen, meerdere huizen en schuren, een rosmolen en uitgestrekte hooi-, bouw- en weidegronden. De registers tonen bovendien hoe de waarde van deze bezittingen door de jaren heen veranderde en hoe de eigendommen waren verdeeld tussen Evert en zijn verwant Tijmen ten Vlieghuis.
Getuigenverhoor over de Ossehaer 1643
Van groot historisch belang is het getuigenverhoor van 10 juni 1643 over de Ossehaer, een uitgestrekt veen- en heidegebied op de grens van Schoonebeek, Dalen en Coevorden. Talrijke oudere inwoners, onder wie Hendrickien en Tijmen ten Vlieghuis, verklaarden waar de Ossehaer lag, hoe de grenzen liepen en wie daar turf mocht steken. Hun verklaringen geven waardevolle informatie over het historische landschap, de ligging van veengebieden, oude wegen, groenlanden en nederzettingen. Ook wordt duidelijk dat de inwoners van Coevorden en Dalen regelmatig met elkaar in conflict kwamen over het gebruik van de turfvelden. De getuigen herinnerden zich bovendien oudere bewoners, turfgravers en de wijze waarop schapen en runderen in deze grensgebieden werden geweid.
Geert Roelofs ten Vlieghuis en Swane Willems Poppen
Na het overlijden van Evert werd Geert Roelefs ten Vlieghuis de gebruiker van het erve. Hij was gehuwd met Swane Willems Poppen. Uit verschillende akten blijkt dat Geert zijn positie verder versterkte door gronden van familieleden en derden aan te kopen. Ook werden financiële afrekeningen met zijn schoonouders en andere erfgenamen zorgvuldig vastgelegd. Zijn zusters Nese en Aeltien verkochten uiteindelijk hun erfrechten op het Vlieghuis aan Geert, waardoor het familiebezit grotendeels in één hand bleef. Geert en Swane kregen een groot gezin. Hun kinderen huwden in verschillende vooraanstaande families uit Schoonebeek en omgeving, waaronder de families Poppen, Maags, Papinge en Pruist. Hierdoor ontstond een uitgebreid netwerk van verwantschappen dat in de daaropvolgende generaties een belangrijke rol bleef spelen.
Roelof Geerts ten Vlieghuis
Hun zoon Roelof Geerts ten Vlieghuis werd vanaf circa 1672 pachter van het Vlieghuis-erve. Ook hij breidde het bezit uit door aankoop van hooiland en andere percelen. Een bijzonder document uit 1698 vermeldt dat hij toestemming vroeg aan Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe om een klein huis te bouwen op het veen bij Weijerswold. Dit huisje wordt waarschijnlijk geïdentificeerd als het latere erve Anholt. Opvallend is dat de overheid daarbij expliciet bepaalde dat geen vrijstelling werd verleend voor belastingen op bier, wijn, sterke drank en slacht, mogelijk omdat men vreesde dat daar een herberg zou ontstaan. Na het overlijden van Roelof in 1701 hertrouwde zijn weduwe Aaltjen Teunissen met Jan Schutten. De zeer uitvoerige huwelijkse voorwaarden tonen hoe zorgvuldig de belangen van de zes minderjarige kinderen uit het eerste huwelijk werden beschermd. Elk kind kreeg recht op een aanzienlijke geldsom uit de vaderlijke nalatenschap, terwijl de zoons daarnaast gebruiksrechten op het Vlieghuis behielden, zoals het weiden van vee. De oudste zoon Geert kreeg bovendien het recht om later het familiebedrijf voort te zetten en zijn broers en zusters uit te kopen.
Ruzie over nalatenschap broer Teunis ten Vlieghuis 1743
Teunis (Tonnis) ten Vlieghuis, gedoopt in 1690 te Schoonebeek als zoon van Roelof ten Vlieghuis, overleed tussen 1736 en 1742 ongehuwd. Rond zijn leven ontstonden twee belangrijke rechtszaken. In 1736 beschuldigde Hille Hindriks Griss hem ervan haar na trouwbeloften te hebben verleid en zwanger te hebben gemaakt. Zij eiste dat hij zijn belofte zou nakomen en met haar zou trouwen. Teunis ontkende zowel de relatie als de trouwbelofte. Door procedurele problemen, waaronder het ontbreken van een geschikte borg, liep de zaak vast en kwam een huwelijk niet tot stand. Na zijn overlijden ontstond een langdurig conflict over de nalatenschap. Zijn zusters en zwagers beschuldigden oudste broer Geert ten Vlieghuis, als boedelhouder, ervan geen inventaris op te stellen en de erfenis niet eerlijk te verdelen. Geert voerde echter aan dat de erfgenamen al in 1742 waren afgekocht en in 1743 ieder 400 Carolusgulden hadden ontvangen. De nalatenschap werd gewaardeerd op ongeveer 2.400 gulden, waarover successierecht was betaald. Ondanks deze uitkeringen bleef de kwestie aanleiding geven tot gerechtelijke procedures.
Ruzie over nalatenschap broer Roelof ten Vlieghuis 1773
Ook de nalatenschap van Geert en Teunis ongehuwde broer Roelof ten Vlieghuis (ca. 1696–1773) leverde de nodige problemen op. Hij beheerde samen met zijn broer Geert ten Vlieghuis delen van het familiebezit. In 1750 kocht Roelof namens Geert de helft van het Vlieghuiserve in beklemming van de Landschap Drenthe, terwijl de andere helft door een familielid werd verworven. Vermoedelijk woonde Roelof bij zijn broer op de boerderij. Daarnaast trad hij op als geldschieter, onder meer met een lening van 100 Carolusgulden in 1760. In 1742 stelde Roelof een eerste testament op. Daarin benoemde hij zijn naaste bloedverwanten tot erfgenamen, maar kende hij de vaste goederen en roerende bezittingen in het schoutambt Coevorden toe aan zijn broer Geert en diens kinderen. Zijn zusters ontvingen slechts een bescheiden legaat. Een later testament, opgesteld na 1760, wijzigde deze regeling ingrijpend. Hierin benoemde hij zijn neef Roelof Geerts ten Vlieghuis, diens zuster Grietje en Geertruid Outgers tot erfgenamen, terwijl hij nadrukkelijk uitsloot dat Jacobus Outgers ooit van deze nalatenschap zou profiteren. Kort voor zijn overlijden sloot Roelof in 1772 met zijn neef een overeenkomst waarbij vrijwel al zijn Drentse bezittingen voor 3.000 gulden werden overgedragen. Na zijn overlijden in 1773 maakten de overige erfgenamen – gezamenlijk gerechtigd tot vier vijfde van de nalatenschap – bezwaar tegen deze transactie. Zij stelden dat de verkoop feitelijk een verkapt testament was, dat de goederen ver beneden hun waarde waren verkocht en dat daarmee hun erfrechten werden benadeeld. De zaak leidde tot een uitvoerig proces voor de Etstoel. Uiteindelijk bereikten partijen in december 1773 een schikking: de koop bleef in stand, maar de koopsom werd verhoogd tot 3.800 gulden. Nadat dit bedrag was voldaan, droegen de erfgenamen in 1775 alle resterende rechten op de Drentse goederen en de beklemming van het Vlieghuiserve definitief over. Daarmee kwam het familiebezit grotendeels in handen van één tak van de familie.
Huwelijk met Geertruid ten Winkel
Geert ten Vlieghuis (ca. 1686-17151) was dus erfgenaam en landbouwer op het erve Vlieghuis. Hij trad op als voogd, pachter en vertegenwoordiger in verschillende juridische en bestuurlijke zaken. Daarnaast bezat hij belangen buiten Schoonebeek, onder meer bij het Hadderinge-erve in Buinen. In 1724 sloot hij in Emlichheim een huwelijksovereenkomst met Geertruid ten Winkel, waarin de erfopvolging en de positie van de langstlevende nauwkeurig werden geregeld. De familie kocht het ouderlijk erf af en legde betalingsafspraken vast die over tientallen jaren werden afgewikkeld. Geert overleed omstreeks 1751, waarna zijn weduwe het beheer van het erve voortzette. Geertruid ten Winkel speelde vervolgens een belangrijke rol in het familievermogen. Zij beheerde de bezittingen, voerde procedures over veengronden, waterlopen en eigendomsrechten en stelde rond 1760 een uitgebreid testament op. Daarin regelde zij de positie van haar kinderen en kleinkinderen, met bijzondere aandacht voor haar geestelijk gehandicapte dochter Grietje en haar kleindochter Geertruid Outgers.
Roelof ten Vlieghuis en Geesje Willems
Hun zoon Roelof ten Vlieghuis (ca. 1740-1819) bouwde het familiebezit verder uit. Hij kocht gronden, veenplaatsen en de nalatenschap van zijn oom, sloot een huwelijksovereenkomst met Geesje Willems en trad geregeld op in geschillen over sloten, waterbeheer en eigendomsgrenzen. Ook verkreeg hij in 1791 toestemming om de jacht uit te oefenen. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde hij met Trijntje Arink, uit welk huwelijk in 1814 alsnog een zoon werd geboren. Tot aan zijn overlijden in 1819 bleef Roelof actief als grondeigenaar, verpachter en beheerder van het Vlieghuis-erve, waarmee de familie haar vooraanstaande positie in Schoonebeek wist te behouden.
Gerhardus ten Vlieghuis en de Kleine Scheere
De geschiedenis van zoon Gerhardus ten Vlieghuis (1814-1863) vormt een belangrijk hoofdstuk in de ontwikkeling van het eeuwenoude erve Ten Vlieghuis. Gerhardus huwde in 1836 met Berendina van der Scheer van de Kleine Scheere. Na haar overlijden in 1849 bleef hij achter met vier minderjarige kinderen. Een uitgebreide boedelinventaris uit 1851 toont een welvarend landbouwbedrijf met aanzienlijke veestapels, landbouwgereedschappen, huisraad, geld, goud- en zilverwerk, uitstaande vorderingen en landerijen. De nalatenschap vertegenwoordigde een grote economische waarde en illustreert de positie van de familie als vermogende boeren. Kort daarna hertrouwde Gerhardus met Aleida Lubbers. In hun huwelijkscontract werd uitdrukkelijk bepaald dat geen gemeenschap van goederen zou bestaan. Aleida behield het beheer over haar eigen vermogen, terwijl Gerhardus alle kosten van het huishouden droeg. Daarnaast werd vastgelegd dat de langstlevende het vruchtgebruik van de helft van de nalatenschap zou verkrijgen. Na het overlijden van Gerhardus in 1863 en het overlijden van meerdere kinderen ontstond een ingewikkelde boedelverdeling. In 1868 werden de nalatenschappen van Gerhardus, zijn eerste echtgenote en de overleden kinderen gezamenlijk verdeeld. De totale boedel had een waarde van ruim 88.000 gulden en omvatte omvangrijke bezittingen in Coevorden, Borger en op erve De Anholt, naast grote aantallen paarden, runderen, schapen, landbouwgereedschappen en effecten. Latere akten uit 1872 en 1901 laten zien dat de familie haar bezittingen zorgvuldig bleef beheren en herverdelen.
Roelof ten Vlieghuis en Geesje Bruna
Het nageslacht zette de landbouwtraditie voort. Zoon Roelof ten Vlieghuis (1842-1898) vestigde zich in Weijerswold en huwde Geesje Bruna. Hun dochter Berendina Hendrika trouwde in 1896 met Evert van der Scheer van de Kleine Scheere en zij vestigden zich op het eerste Vlieghuis-erve. Door de samenkomst van de vermogens van de families Ten Vlieghuis, Van der Scheer en Bruna beschikte het echtpaar over circa 120 hectare grond en vijf boerderijen. Na hun huwelijk sloot Evert zich aan bij de gereformeerde kerk van Schoonebeek. Evert vervulde tevens diverse bestuurlijke functies binnen landbouw, waterschap en zuivelcoöperatie. In 1927 liet het echtpaar een karakteristiek interbellumlandhuis bouwen tegenover de oude boerderij, waarna de volgende generatie het bedrijf voortzette. Toen dochter Everdina Geertruida in 1928 trouwde met Hendrik Jan Roelofs, trok Evert zich terug uit het boerenbedrijf. Hij liet in 1927 een karakteristiek landhuis in interbellumstijl bouwen, waarna het jonge echtpaar de boerderij overnam. Het eerste Vlieghuis-erve werd verkocht, waarmee het erve uit de familie Ten Vlieghuis verdween.
Halfbroer Berend Jan ten Vlieghuis op Anholt-erve
Roelof ten Vlieghuis (1842-1898) had een halfbroer Berend Jan ten Vlieghuis (1855-1918), landbouwer op erve De Anholt. Diverse notariële akten uit 1908, 1918 en 1929 tonen hoe omvangrijke bezittingen in de Oshaar en rond Vlieghuis werden verdeeld tussen erfgenamen en familieleden na het overlijden van Berend Jan in 1918. In 1939 verpachtte weduwe Hilligje Wichers de boerderij met ongeveer 26 hectare grond aan Hendrik Gommer. Uit het huwelijk van Berend Jan ten Vlieghuis waren vijf kinderen geboren, waarvan twee de volwassen leeftijd bereikten. Dochter Aleida trouwde met Gerrit Jan Gruppen. Haar broer Willem ten Vlieghuis werkte als boekhouder bij handelsonderneming ‘De Twee Provinciën’ in Coevorden. Hij kwam op 21 februari 1944 om het leven tijdens het geallieerde bombardement op Coevorden, waarbij 34 Amerikaanse B-17-bommenwerpers hun bommenlast boven de stad afwierpen. Daarbij werden meerdere fabrieken getroffen en vielen zeven dodelijke slachtoffers. Met het overlijden van Willem stierf het geslacht Ten Vlieghuis uit.
Het tweede Vlieghuis-erve
Jantjen ten Vlechuis en Herman
De oudste bekende bewoners zijn Herman en zijn vermoedelijke echtgenote Jantijen ten Vlechuis, die rond 1600 op het Vlieghuis-erve wonen. Herman wordt al in 1602 genoemd in een omvangrijke erfrechtelijke procedure over de nalatenschap van Luitgen Herderinge uit Buinen. In deze langdurige rechtszaak, die tot 1604 voortduurt, staat de vraag centraal welke familieleden het dichtst verwant zijn aan de overledene en daardoor recht hebben op diens goederen. De zaak laat zien dat de familie Ten Vlieghuis al vroeg deel uitmaakte van een uitgebreid netwerk van verwanten in Drenthe. Vanaf de jaren dertig van de zeventiende eeuw raakt de familie opnieuw betrokken bij juridische geschillen. Jantijen ten Vlechuis wordt genoemd in een conflict met de familie Buinemans over een testamentaire vordering van honderd daalders. De zaak sleept zich voort van 1635 tot 1643 en eindigt met een schikking waarbij achterstallige rente en hoofdsom worden voldaan. Deze procedures tonen aan dat kredietverlening, schulden en erfrecht een belangrijke rol speelden in het economische leven van boerenfamilies.
Tijmen ten Vlieghuis en Aeltien ten Pathuis
Na deze generatie wordt het Vlieghuis-erve voortgezet door Tijmen ten Vlieghuis, geboren omstreeks 1607. Hij pacht het erve van het convent van Assen en is vanaf de jaren veertig van de zeventiende eeuw de belangrijkste gebruiker van de boerderij. Hij trouwt met Aeltien ten Pathuis. Uit verschillende rechtszaken blijkt dat Tijmen geregeld financiële geschillen heeft, zowel met zijn broer Hendrick als met zijn zwager Jan ten Pathuis. Zo procedeert Hendrick over een geldlening en later over de waarde van de gebouwen op het Vlieghuis-erve nadat hij het bedrijf heeft verlaten. Ook eist Aeltien via haar echtgenoot de uitbetaling van haar erfdeel op van haar broer Jan ten Pathuis. Deze processen illustreren hoe boedelscheidingen en familieverhoudingen nauw verweven waren met het voortbestaan van de boerderij. Tijmen investeert bovendien in het bedrijf. Rond het midden van de zeventiende eeuw worden afspraken gemaakt over eigendomsrechten van gebouwen en land, terwijl de familie tevens deelneemt aan het gezamenlijke gebruik van de markegronden van Staals- en Buusenlanden. Hieruit blijkt dat het Vlieghuis niet alleen een individuele boerderij was, maar ook deel uitmaakte van een groter agrarisch samenwerkingsverband.
Claas Tijmens ten Vlieghuis
Zijn zoon Claas Tijmens ten Vlieghuis volgt hem op en beheert het erve vanaf circa 1672 tot zijn overlijden in 1728. Gedurende zijn lange bedrijfsvoering stijgt de waarde van het bedrijf aanzienlijk, zoals blijkt uit opeenvolgende belastingregisters. Het convent van Assen blijft eigenaar van de grond, terwijl Claas als landschapsmeier optreedt. Toch heeft ook hij regelmatig financiële verplichtingen. In 1715 sluit hij een hypotheek af van 260 Carolusgulden. Na zijn overlijden worden verschillende schuldeisers actief en volgen procedures om achterstallige rente en openstaande schulden op de nalatenschap te verhalen. De volgende generatie wordt vertegenwoordigd door Tijmen Claasen ten Vlieghuis, geboren in 1686. Hij trouwt eerst met Geesje IJken en later met Zwaantjen Scholten ter Horst. Na het overlijden van zijn eerste vrouw wordt voor hun dochter Fennigjen een voogdijregeling getroffen. In de daaropvolgende huwelijksovereenkomst wordt nauwkeurig vastgelegd welke rechten de dochter behoudt op de toekomstige pacht van het Vlieghuis-erve en welke goederen de nieuwe echtgenote inbrengt. Onder Tijmens leiding verandert de positie van het bedrijf ingrijpend. In 1750 koopt hij samen met zijn broer Roelof de beide helften van het Vlieghuis-erve in beklemming van de Landschap Drenthe. Daarna ontstaan langdurige geschillen met het provinciaal bestuur over de waardering van gebouwen, de kosten van verbouwingen, de opbrengsten van verkocht veen en de hoogte van de verschuldigde huur. Aanvankelijk worden hun verzoeken om financiële tegemoetkoming afgewezen, maar in 1756 wordt alsnog toegestaan de jaarlijkse huur tijdelijk in te houden totdat de kwestie over de veenopbrengsten is opgelost. Deze procedures laten zien hoe ingewikkeld de verhouding tussen pachters en de Landschap kon zijn. Tijmen laat bovendien nieuwe gebouwen oprichten. Uit registers van 1749 blijkt dat een aanzienlijk deel van het woonhuis en een nieuwe hooischuur worden gebouwd, waarmee het bedrijf verder wordt gemoderniseerd. Tegelijkertijd wordt de familie getroffen door de runderpest van 1750, waardoor een groot deel van het vee verloren gaat. Een verzoek om belastingverlichting wordt echter afgewezen.
Fennigjen ten Vlieghuis en Hendrik Stratensmits
De opvolging verloopt via dochter Fennigjen ten Vlieghuis, die in 1752 trouwt met Hendrik Stratensmits. Volgens de toenmalige gewoonte neemt hij de naam Ten Vlieghuis aan, zodat de familienaam met de boerderij verbonden blijft. Hij wordt de nieuwe meier van het Convent van Assen en beheert het bedrijf tot zijn overlijden in 1804. Registers uit de jaren 1796-1806 tonen een omvangrijk landbouwbedrijf met bouwland, hooiland, weilanden, paarden, runderen en schapen. Zoon Tijmen Stratensmits of Vlieghuis (1754-1790) overlijdt op jonge leeftijd. De nalatenschap wordt zorgvuldig geïnventariseerd. Uit de inventaris blijkt dat het Vlieghuis inmiddels is uitgegroeid tot een welvarende boerderij met meerdere schuren, uitgebreide landerijen, aanzienlijke veestapels en een complete landbouwinventaris. Zijn weduwe Hindrika Kampers hertrouwt in 1791 met Willem Stokman uit Emlichheim. In 1794 sluiten Willem Stokman en de weduwe Hindrika Kampers een huwelijksovereenkomst. Daarbij wordt bepaald dat de langstlevende de gehele boedel erft en dat het echtpaar door de ouders van Hindrika als eigen kinderen wordt aangenomen. Het recht op het erve Vlieghuis blijft behouden, terwijl Tijmens ongehuwde broer Jan Stratensmits of ten Vlieghuis op de boerderij mag blijven wonen. Na het overlijden van Hindrika in 1804 worden voogden benoemd over haar vier minderjarige kinderen en wordt een uitgebreide inventaris van de omvangrijke boedel op Vlieghuis opgesteld. Kort daarna hertrouwt Willem met Geesien Eijsen. In de nieuwe huwelijksovereenkomst worden de erfrechten en verzorging van de voorkinderen zorgvuldig vastgelegd. Veetellingen uit 1811, 1812 en 1814 tonen dat Willem Stokman een welvarende landbouwonderneming bezat. De boerderij gaat in eigendom over van de kinderen van Willem Stokman en wordt omstreeks 1900 verkocht aan de welgestelde boerenfamilie Wilms uit Schoonebeek. Omstreeks 1973 wordt het erve verkocht aan Geert Streutker, die er de zuivelboerderij ‘Katshaar’ gaat exploiteren.

Ligging van de kloosterboerderij
Kloosterbosje bij Schoonebeek
De zeventiende-eeuwse predikant en historicus Johannes Picardt meende dat het oorspronkelijke klooster Maria in Campis aan de A tussen Coevorden en Schoonebeek had gestaan. Dit berust echter op een misverstand. Niet het klooster zelf, maar de kloosterboerderij Padhuis bevond zich op die locatie. De benaming Kloosterbosje, die in de volksmond bewaard bleef, verwijst daarom waarschijnlijk naar deze voormalige voorhoeve. Ook wordt gewezen op de alternatieve naam Smeyland, afgeleid van Sint Marijland, die eveneens naar het klooster verwijst. Op historische kaarten uit circa 1825, 1832 en 1905 vallen enkele verhogingen in het landschap op die mogelijk resten vormen van de middeleeuwse bebouwing. Vooral perceel 1106, dat in 1832 als heidegrond staat geregistreerd terwijl omliggende percelen hooiland of bouwland zijn, is een kansrijke locatie voor de oorspronkelijke kloosterboerderij. De combinatie van landschappelijke kenmerken, oude perceelsgrenzen en historische kaarten vormen een sterke aanwijzing voor de ligging van het middeleeuwse Padhuis.
Archeoloog Van Giffen
Ook twintigste-eeuwse onderzoekers besteedden aandacht aan deze plek. In 1928 wees de burgemeester van Schoonebeek de archeoloog A.E. van Giffen op een opvallende verhoging langs het Schoonebeekerdiep. Hij beschreef oude eikenstronken, wilde vegetatie, verwilderde fruitbomen en andere kenmerken die volgens hem konden wijzen op een voormalige kloosterlocatie. Van Giffen toonde belangstelling, maar had door andere werkzaamheden geen gelegenheid direct onderzoek te verrichten. Ook in 1934 en 1936 werd hij opnieuw benaderd om opgravingen uit te voeren. Ondanks deze herhaalde verzoeken kwam een systematisch archeologisch onderzoek niet van de grond. Daardoor bleef de exacte ligging van de oudste kloosterboerderij onopgehelderd.


Pachters in buurschap Padhuis
Het systeem van Cisterciënzer lekenbroeders stortte in de veertiende eeuw geleidelijk in. De kloosterlingen verlieten uiteindelijk de werkboerderij Ton Pade, waarna wereldlijke pachters de exploitatie overnamen. De overeenkomst van 1341 vormde hiervoor de juridische basis. De boerderij werd waarschijnlijk verplaatst naar een hoger gelegen zandgrond en verpacht. Uit een rechtszaak uit 1531 blijkt dat de boerderij toen al ongeveer tachtig jaar onafgebroken werd gepacht, zodat de stichting van deze pachtboerderij uiterlijk rond 1450 moet hebben plaatsgevonden. Daarmee ontwikkelde zich uit de oorspronkelijke kloosterboerderij geleidelijk de latere buurtschap Padhuis.
Herkomst pachters
Uit dialectonderzoek blijkt dat het Padhuizer dialect nauwelijks aansluit bij andere Drentse dialecten, maar juist sterke overeenkomsten vertoont met dialecten uit Twente en de Achterhoek. Dat wijst erop dat de eerste pachters waarschijnlijk uit die streken afkomstig waren. Bovendien blijkt uit rentmeestersrekeningen van 1602 dat de abdij van Assen inmiddels drie pachtboerderijen in het gebied bezat: Pathuis, Fleechuis en Luichiens. Daarmee wordt zichtbaar hoe de voormalige kloostergronden zich ontwikkelden tot een netwerk van rendabele landbouwbedrijven dat eeuwenlang van betekenis bleef voor de streek rond Schoonebeek en Coevorden.
