Direct naar de inhoud.

13e eeuw

De organisatie van het Fivelgo

Hierna wordt een poging gedaan om een beschrijving te geven van de bestuurlijke organisatie van het Fivelgo. Zonder diep in te gaan op het ontstaan van de georganiseerde landsgemeente, die zeker al vóór de strijd tegen de binnenlandse dynasten bestond, wordt eerst de achtergrond geschetst van de gezamenlijk handelende priesters, krijgers en edelen zoals die op het Friezenbeeld in de dom van Münster zijn afgebeeld. Daarmee wordt tegelijkertijd afstand genomen van al te eenvoudige schema’s van de Friese landsgemeente. Zulke schema’s doen namelijk geen recht aan de werkelijke verhoudingen binnen de Friese kustgebieden. Figuren als dekens en abten konden daarin bijvoorbeeld nooit een plaats krijgen die overeenkwam met hun feitelijke betekenis. De beschrijving van het conflict tussen de kerspelen Eenrum en Uithuizen, evenals de voorstelling van de Menaldavetes, markeren de jaren vijftig van de dertiende eeuw. Juist in deze periode bereikte de activiteit van het klooster Wittewierum op het gebied van dijkbouw een eerste hoogtepunt. Tenslotte maken de interpretaties van het conflict tussen abt Emo en de bisschoppelijke official Herderich van Schildwolde, evenals het optreden van de Friese landen in verband met de bisschopsvrede van 1276, duidelijk welke oorzaken achter deze machtsconflicten schuilgingen. Tegelijk rijst de vraag in hoeverre het beeld van een geïsoleerd Fries gebied, ver verwijderd van het Rijk, werkelijk door de bronnen wordt ondersteund.

Lokale en personele verbanden tussen de Hondsrug en de Waddenzee in de 13e eeuw

Landsgemeente van Fivelgo en stad Groningen

Op 29 juli 1231, de dag waarop de schenking van de kerk van Scharmer aan het klooster Wittewierum in aanwezigheid van de dekens werd vernieuwd, sloten de Drenten en de Fivelgoërs een beëdigd verbond tegen de stad Groningen. Hiermee groeide een lokaal conflict tussen Eenrum en Uithuizen uit tot een bredere oorlog waarin vrijwel geheel Friesland tijdelijk werd meegesleept. Hoewel beide plaatsen geen directe grens deelden, ontstond ruzie over een eiland, waarschijnlijk Rottumeroog. Een uitspraak van de Friese vergadering bij de Upstalsboom kende het eiland toe aan Uithuizen, gesteund door de landsgemeente van het Fivelgo. Daarmee viel het toch al broze bondgenootschap tussen Hunsingo en Fivelgo uiteen.

Tegenstand van Egbert prefect van Groningen

De Eenrumers ontvingen steun van de Groninger prefect Egbert, die na de Slag bij Ane geholpen was door hen bij het neerslaan van een opstand in Groningen. Tegen deze overmacht konden de Fivelgoërs weinig beginnen. De Groningers gebruikten wapens die in Fivelgo onbekend waren. Uit angst voor de vijanden verbonden de Eenrumers zich vervolgens met de tegenstanders van de bisschoppelijke partij: de Drenten en de Vredewolders. De oude grenssloot werd doorgetrokken tot aan zee. Terwijl de Drenten in augustus 1231 Groningen belegerden, damden de Fivelgoërs de sloot af en verwoestten Eenrum. Maar toen zij de volgende dag opnieuw op rooftocht gingen, troffen zij een Groninger leger tegenover zich. Het beleg van Groningen was intussen al opgeheven. Een maand later mislukte een nieuwe poging van het bondgenootschap, omdat de bisschop van Utrecht de Drenten met oorlog bedreigde. Vervolgens trokken de Eenrumers, gesteund door strijders uit gebieden ten westen van de Lauwers en uit Groningen, over de grenssloot en verwoestten verschillende dorpen. Daarbij werden zelfs kerken en geestelijken niet ontzien. De kerk van Usquert werd geplunderd en een kluizenaar gedood. Onder de aanvoerders noemt Emo van Wittewierum verschillende leidende Friezen en Groningers. Bisschop Ludolf van Holte sprak daarop de ban uit over de Eenrumers wegens deze schending van kerkelijke heiligheid. Hoewel zij later met geld boete deden voor de herbouw van de kerk, ging de oorlog verder. In 1232 verwoestten de Hunsingoërs Wigbaldeswerf. Pas later dat jaar konden de Fivelgoërs succesvol weerstand bieden. Een groep Hunsingoërs en Groningers reed na een drinkgelag vanuit Groningen richting Westeremden en raakte in een dichte mist verstrikt. Bij het luiden van de klokken van Sint-Andreas werden bijna vierhonderd vooraanstaande mannen gevangen genomen. Toch ontsnapten zij korte tijd later alweer.

Brede Fries-Oostfriese crisiszone

Toen de Reiderlanders in 1234 hulp vroegen tegen hun buren, de Emsgoërs en Aschendorpers, kreeg de oorlog een geheel Fries karakter. De Emsgoërs waren verbonden met meerdere Oost-Friese groepen, terwijl ook Midden-Friese landschappen zich tegen Fivelgo keerden. Zo ontstond een brede Fries-Oostfriese crisiszone. Tegelijk werd Groningen verscheurd door vetes tussen machtige families. In 1242 ging de stad voor de tweede maal in vijftien jaar in vlammen op. De spanningen in Groningen draaiden om de verhouding tussen de bisschoppelijke prefect en bepaalde Groninger families. Kooplieden kozen doorgaans de zijde van de prefect. De stad ontwikkelde zich op een strategisch kruispunt van handelswegen tussen Coevorden, Bedum, Dokkum en Emden. Al in de vroege middeleeuwen ontstond hier een militair steunpunt tegen de Noormannen. Rond de huidige Grote Markt lag vermoedelijk een Rijksgoedcomplex met de Walburgkerk, mogelijk verbonden aan een paltsachtige inrichting naar voorbeeld van Aken. Daarnaast groeide de Martinikerk uit tot een belangrijk religieus centrum. Archeologisch onderzoek heeft resten blootgelegd van zowel een tufstenen kerk uit de elfde of twaalfde eeuw als een oudere houten voorganger. Groningen vervulde dus reeds vóór de schenking aan het bisdom Utrecht in 1040 een centrale rol tussen Lauwers en Eems. De nederzetting versterkte zich vervolgens met eigen muren, ondanks tegenstand van de bisschop. Rond 1200 werd de Martinikerk aanzienlijk uitgebreid, wat de groei van de stad weerspiegelde.

Einde oorlog Hunsingo en Fivelgo 1250

In 1250 kwam een einde aan de langdurige oorlog tussen Hunsingo en Fivelgo. Rottumeroog werd verdeeld tussen Eenrum en Uithuizen. Kort daarop belegerden Fivelgoërs, Hunsingoërs en Menterne gezamenlijk Groningen. Na vier weken gaf de stad zich over. De muren werden deels gesloopt, evenals de Gronenburg van de prefect. De bisschoppelijke ministerialen trokken zich terug naar Coevorden. In 1258 werd uiteindelijk vrede gesloten tussen de edelen van Fivelgo en de burgers van Groningen. De Hunsinger Keuren, kort na deze vrede opgesteld, geven inzicht in de rechtsorde van Hunsingo. Zij noemen algemene landdagen en kleinere regionale bijeenkomsten. Opvallend is de belangrijke rol van de kloosters Oldeklooster, Rottum en Aduard. De abten van deze instellingen oefenden bestuurlijke en juridische invloed uit over verschillende gebieden. Het toont aan hoe sterk religieuze instellingen verweven waren met de Friese landsgemeenten.

Complexe bestuurlijke structuur in Fivelgo

Ook de Fivelgoër Keuren geven een beeld van de rechtsorde. Daarin verschijnen consules, redjeven en gezworen rechters als dragers van de rechtspraak. Hun taak was niet primair politiek, maar juridisch. Daarnaast speelden de kloosters een grote rol. De landsgemeente beloofde bijvoorbeeld bescherming aan kloosters wanneer monniken hun geloften verbraken en zonder toestemming het klooster verlieten. De werkelijke politieke leiding lag echter bij de viri discreti, de “wijzen” van het land. Dit waren leden van de Friese adel, samen met abten, dekens en andere leidende figuren. Zij traden op bij vredesonderhandelingen en vormden de feitelijke elite van de Friese landsgemeenten. Daarom is het misleidend om de Friese organisatie uitsluitend als een “consulatsconstitutie” te beschrijven. Appingedam ontwikkelde zich in deze periode tot de hoofdplaats van Fivelgo. De nederzetting ontstond bij een dam in het Delfgebied en groeide uit tot een belangrijk handelscentrum. Door zijn ligging aan waterwegen overvleugelde het oudere plaatsen zoals Westeremden. Uiteindelijk werd ook Appingedam echter overvleugeld door Groningen en Emden. De bestuurlijke structuur van Fivelgo bleef complex. Grenzen tussen landsgemeenten waren vaak vloeiend en veranderlijk. Toch slaagde Fivelgo erin een zekere samenhang te bewaren, mede dankzij het klooster Wittewierum, dat door zijn grondbezit en invloed een bindende factor vormde tussen kust en binnenland.

Van Ane en Altenesch tot Eberhardsbrief van 1276

In 1234 werden in Appingedam twee dominicanen lastiggevallen nadat zij een kruistocht tegen de Stedingers hadden gepredikt. Zij vluchtten naar Groningen en Hunsingo, waar zij verklaarden dat ‘de Stedingers, Drenten en Fivelgoërs gelijk zijn in hun ongehoorzaamheid’. Daarmee brachten zij drie verschillende boerenbewegingen met elkaar in verband: de Drenten rond de Slag bij Ane, de Stedingers aan de beneden-Weser en de Friese kustbewoners van Fivelgo. De vergelijking was veelzeggend. In 1227 hadden de Drenten onder leiding van Rudolf van Coevorden bisschop Otto II van Lippe van Utrecht een vernietigende nederlaag toegebracht bij Ane. Zeven jaar later werden de Stedingers, die eveneens weerstand boden tegen de groeiende landsheerlijke macht van hun bisschop, verpletterd in de Slag bij Altenesch. De Fivelgoërs kwamen daarentegen nooit tot een open oorlog met hun bisschop. Toch zagen tijdgenoten duidelijke overeenkomsten tussen deze bewegingen.

De Slag bij Ane 28 juli 1227

De Slag bij Ane op 28 juli 1227 behoort tot de meest opmerkelijke gebeurtenissen uit de noordelijke middeleeuwse geschiedenis. De bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe, trok met een groot ridderleger Drenthe binnen om Rudolf van Coevorden en de opstandige Drenten te onderwerpen. Aan zijn zijde vochten onder meer de graven van Holland, Gelre, Bentheim en Kleef, evenals de heren van Lippe. Het leek een overweldigende machtsdemonstratie. Toch liep de expeditie uit op een ramp. In het moerassige terrein bij Ane werden de zwaarbewapende ridders vastgezogen in drassige grond en smalle doorgangen. De Drenten, die het terrein uitstekend kenden, maakten gebruik van hinderlagen en snelle aanvallen. Bisschop Otto sneuvelde samen met een groot deel van zijn leger. De nederlaag schokte de tijdgenoten diep, juist omdat een boerenleger erin was geslaagd een feodaal ridderleger te vernietigen.  De achtergronden van de opstand lagen niet uitsluitend in een verlangen naar vrijheid. Enerzijds streefden de Drentse boeren naar behoud van hun traditionele rechten. Anderzijds wilde Rudolf van Coevorden als kastelein een grotere zelfstandigheid tegenover zijn bisschoppelijke leenheer bereiken. Reeds eerder hadden de Drenten zich verbonden met de graaf van Gelre tegen de bisschop van Utrecht. Daarmee ontstond een situatie waarin verschillende machthebbers aanspraken maakten op Drenthe. De Slag bij Ane viel bovendien in een bredere Noordwest-Europese context. Slechts enkele dagen eerder had de Slag bij Bornhöved de Deense macht in Noord-Duitsland ernstig verzwakt. De nederlaag van Otto van Lippe paste in een periode van verschuivende machtsverhoudingen tussen vorsten, bisschoppen en regionale elites.

De Stedingers 27 mei 1234

De Stedingers vormden een boerenbevolking in het moerasgebied aan de beneden-Weser. Net als de Drenten verzetten zij zich tegen de groeiende landsheerlijke macht van hun bisschop. Volgens historici was de Bremer kerk in deze periode overbelast geraakt door conflicten met wereldlijke machthebbers, kruistochten en interne spanningen. Daardoor kon een sterke vrijheidsbeweging ontstaan. De Stedingers werden uiteindelijk als ketters en opstandelingen voorgesteld. Aartsbisschop Gerhard II van Bremen organiseerde een kruistocht tegen hen. Predikers trokken door Rijnland, Vlaanderen en Brabant om strijders te werven. In 1234 kwam een groot kruisvaardersleger bijeen onder leiding van de hertog van Brabant en dezelfde graven die eerder Otto van Lippe hadden gesteund bij Ane. Bij Altenesch werden de Stedingers vernietigend verslagen. Hun nederlaag betekende het einde van hun zelfstandige boerenbeweging. Veel overlevenden vluchtten naar andere Friese gebieden, waaronder Rüstringen.

Emo van Wittewierum

Een centrale bron voor deze gebeurtenissen is de kroniekschrijver Emo van Wittewierum. Zijn houding was dubbelzinnig. Enerzijds voelde hij als Fries sympathie voor Drenten en Stedingers. Anderzijds veroordeelde hij als abt hun verzet tegen kerkelijke autoriteit. Hij keurde de agressieve methoden van de kruisvaartpredikers af, maar zag de rampen die Friesland troffen, zoals de Marcellusvloed van 1219, ook als goddelijke straf voor overtredingen tegen de kerk. Toch koos Emo duidelijk partij wanneer zijn eigen klooster werd bedreigd. Dat bleek vooral tijdens het conflict met Herderik van Schildwolde.

Herderik van Schildwole en de strijd om de macht

Herderik van Schildwolde was official van de bisschop van Münster en vertegenwoordigde diens macht in Friesland. Volgens Emo misbruikte hij zijn positie door willekeurig bans en interdicten uit te spreken en inkomsten uit kerkelijke rechten te verkopen. Achter dit conflict ging echter een diepere strijd schuil: de vraag of de bisschop van Münster aan de Friese kust een echte landsheerlijkheid kon opbouwen. De Friese premonstratenzerkloosters, waaronder Wittewierum, vormden een sterk netwerk dat zich verzette tegen dergelijke machtsuitbreiding. Zij oriënteerden zich eerder op andere Friese kloosters dan op Westfaalse instellingen. Daardoor ondermijnden zij indirect de invloed van de bisschop. Toen Herderik weigerde zich te onderwerpen aan besluiten van het generaal kapittel van de orde, werd hij in de ban gedaan door Friese abten. Hij reageerde door Emo naar Münster te dagvaarden en Wittewierum onder kerkelijke straf te plaatsen. Uiteindelijk liep het conflict zo hoog op dat zelfs pauselijke en Keulse instanties erbij betrokken raakten. In 1224 kwam het in Friesland bijna tot een open opstand tegen bisschoppelijke vertegenwoordigers. De consules van Fivelgo en de gezworenen van de Upstalsboom wisten in Appingedam echter vrede te herstellen. De bisschoppelijke gezanten werden gedwongen tot een vergelijk met Emo. Uiteindelijk moest de bisschop van Münster afstand nemen van Herderik.

De bisschopsvrede van 1276

Later, in de jaren 1270, ontstonden opnieuw spanningen rond bisschoppelijke macht in Friesland, onder meer in verband met het dekenaat van Farmsum. Oldambtsters, Reiderlanders en Eemsgoërs vielen stenen huizen van dekens aan. Toch bleef de onrust relatief lokaal. Onder leiding van de kloosters keerde in Fivelgo snel rust terug. De bisschopsvrede van 1276, bemiddeld door de Friese kloosters, legde uiteindelijk vast dat de bisschop zijn geestelijke gezag mocht behouden, maar geen poging meer mocht doen om een wereldlijke landsheerlijkheid op te bouwen in het links-Eemsische Friesland. Daarmee verschilde de uitkomst wezenlijk van Drenthe en Stedingen. Daar waren de conflicten uitgelopen op bloedige oorlogen; in Friesland leidde bemiddeling uiteindelijk tot een compromis.

Kruistochtgedachte en rijksbewustzijn

Ondanks het ontbreken van een sterke landsheer voelden de Friezen zich onderdeel van het Rijk. Zij erkenden geen heer boven zich behalve de keizer. Tegelijk speelde de kruistochtgedachte een grote rol in hun identiteit. Friezen namen deel aan vrijwel alle grote kruistochten. In 1147 voer een Friese vloot mee naar Lissabon. Tijdens de Derde Kruistocht trokken Friezen opnieuw over zee naar Portugal en het Heilige Land. Oliver van Paderborn wist in 1214 duizenden Friezen voor de kruistocht te winnen. In 1218 namen Friezen deel aan de verovering van Damietta in Egypte. Oliver kende de Friese verhoudingen goed. In zijn brieven richtte hij zich expliciet tot abten, dekens, priesters en consules van Friesland. Zijn optreden laat zien dat Friesland nauw verbonden bleef met bredere ontwikkelingen binnen Kerk en Rijk.

Christelijke boeren doelwit kruistochten

Na 1227 veranderde echter de betekenis van de kruistochtgedachte. De kruistochten tegen Drenten en Stedingers keerden het idee van de heilige oorlog naar binnen: christelijke boeren werden nu zelf doelwit van kruistochten. Tegelijk viel het Staufische rijk uiteen. De Friezen bleven zich onderdeel van het Rijk voelen, maar hun verhouding tot de centrale macht veranderde. Menko van Wittewierum beschreef uitvoerig de ondergang van het huis Hohenstaufen en de afzetting van keizer Frederik II. Toch betekende dit niet dat de Friezen hun band met het Rijk verloren. Integendeel: zij zagen zichzelf nog steeds als vrije rijksgenoten. Vrijheidsprivileges moesten hen ertoe bewegen militaire steun te verlenen aan koningen en kruistochten.  Toen Willem van Holland in 1248 Aken belegerde, werden Friezen verplicht hem te helpen. Menko wist uiteindelijk te bereiken dat zij naar huis mochten terugkeren. Daarmee blijkt hoe nauw Friesland nog steeds betrokken was bij de grote politieke ontwikkelingen van het Rijk. De Friezen beschouwden hun vrijheid niet als losmaking van het Rijk, maar juist als een bijzondere positie daarbinnen. Door hun strijd tegen de zee, hun dijken en hun ontginningen zagen zij zichzelf als opbouwers van het rijk. Hun landsgemeenten vormden een eigen politieke orde, maar wel een orde die zichzelf nog steeds binnen het grotere geheel van het Heilige Roomse Rijk plaatste.

(bron: Ehbrecht, W., ‘Landesherrschaft und Klosterwesen im Ostfriesischen Fivelgo (970-1290)’, Münster, 1974)