Direct naar de inhoud.

1234

Otto III van Holland sluit vrede

De Narracio eindigt met de nederlagen bij Bakkeveen op 12 september 1232 en bij Nutspete op 20 september 1232. Het jaar daarop – op 26 juli 1233 – sterft bisschop Wilbrand in Zwolle. Zijn opvolger, Otto III van Holland, is meer op Holland georiënteerd en sluit vrede met de Drenten. Wat er precies is afgesproken weten we niet. Maar de kern is, dat de bisschop als graaf van Drenthe recht heeft op bepaalde inkomsten, maar het bestuur overlaat aan de heren van Coevorden. De nazaten van Rudolf van Coevorden zullen nog twee eeuwen lang schout/drost van Drenthe blijven en burggraaf van Coevorden.

Ontwikkeling tot een zelfstandige ‘boerenrepubliek’

Eigen Drents rechtssysteem

In de praktijk krijgt Drenthe een grote mate van onafhankelijkheid, waardoor Drenthe een eigen rechtssysteem kan ontwikkelen. Voor Drenthe ontstaat er vanaf 1235 een machtsbalans tussen de Utrechtse bisschoppen en de Drentse Landschap, die aan de strijd een einde maakt. In een eenvoudige en duurzame zelfbewustheid kunnen de Drenten hun eigen rechtssysteem naleven en hun dorpsgemeenschappen verder ontwikkelen. Daarbij helpt het dat zij door het ontbreken van steden en zeehavens en door een veel geringere aanwezigheid van kloosters en kastelen dan elders feitelijk vooral als zelfstandige ‘boerenrepubliek’ kunnen functioneren.

De Drentse boerenrepubliek

Beperkte bisschoppelijke invloed

Drenthe werd gekenmerkt door relatief arme zandgronden, waardoor de bevolking dun verspreid bleef en het land grotendeels in handen van boeren bleef. Adel en religieuze instellingen waren er slechts in beperkte mate aanwezig. Het plattelandsleven in het laatmiddeleeuwse Drenthe wordt aangeduid als een ‘boerenrepubliek’ aan de rand van het Heilige Roomse Rijk. Hoewel Drenthe formeel onder het gezag van de bisschop van Utrecht viel, bleef diens directe bemoeienis met het gebied beperkt. Hierdoor konden de ongeveer 130 dorpen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van lokale juridische praktijken. Het dorp, of buurschap, moet in dit verband worden begrepen als een tweeledig collectief verband. Enerzijds was het een nederzetting met een zekere mate van lokale bestuurlijke autonomie; anderzijds vormde het een gemeenschap van ingezetenen die gezamenlijk verantwoordelijkheden droegen. Binnen het territorium van een dorp, de zogeheten marke, bevond zich de buurmarke: de gemeenschappelijke gronden waarover de bewoners gezamenlijk beschikten. In de vijftiende eeuw vielen de markegenoten – de belanghebbenden bij deze gronden – niet altijd samen met de buren die tot de dorpsgemeenschap behoorden. Toch ontwikkelden marken of buurmarken geen zelfstandige bestuurlijke organisatie.

Dingspelen en kerspelen

Op een hoger niveau was Drenthe verdeeld in zes dingspelen, bestuurlijke districten die op hun beurt waren onderverdeeld in 36 kerspelen. Deze kerspelen fungeerden zowel als kerkelijke parochies als lokale rechts- en bestuursgebieden. Ze stonden onder leiding van een schout, terwijl de buurschappen daar weer onder ressorteerden. Het buurschap vormde de laagste instantie waar recht werd gesproken en regels werden vastgesteld. De buurrocht – de dorpsrechtbank – werd bijeengeroepen door de schout van het betreffende kerspel en in sommige gevallen door de drossaard, de vertegenwoordiger van de bisschop. Tijdens deze bijeenkomsten werden lokale keuren vastgesteld en werden uiteenlopende zaken behandeld, variërend van strafzaken tot civiele geschillen en vrijwillige rechtshandelingen.

Goorspraken en Etstoel

Boven dit lokale niveau functioneerden de dingen of goorspraken als regionale rechtbanken. De hoogste juridische instantie in Drenthe was echter de Etstoel, die eveneens onder voorzitterschap van de drossaard stond. Vanaf 1411 werden de leden van deze rechtbank – de zogenoemde etten – gezamenlijk gekozen door de drossaard en het gemene land van Drenthe. Elk van beide partijen benoemde twaalf etten uit een kandidatenlijst die door de dingspelen werd voorgedragen. Deze gezworenen waren eigenerfde boeren, die drie keer per jaar samenkwamen met de drossaard om recht te spreken en beroepszaken te behandelen. De registers met de uitspraken van de Etstoel zijn bewaard gebleven. Een aanzienlijk deel van de uitspraken van de Etstoel had betrekking op geschillen over juridische procedures en bevoegdheden die voortkwamen uit de gelaagde rechtsstructuur van Drenthe. Daarbij moesten de wereldlijke rechtbanken van het gewest zich ook verhouden tot andere rechtsinstanties, zoals kerkelijke rechtbanken of rechtbanken in omliggende gebieden.

De Stellingwerven

Friezen wenden zich af van de bisschop

Tijdens de Drentse oorlog verandert de houding van de Friezen van Kuunder en Lende (Linde), het latere Stellingwerf, ten opzichte van hun landsheer, de bisschop van Utrecht. In 1228 geven ze de bisschop nog alle steun; in 1232 is er verzet. Oldeberkoop neemt het voortouw, de overige dorpen tussen Kuunder en Lende (Linde) volgen. Wellicht schoorvoetend, wellicht met een zeker enthousiasme. Maar in ieder geval hebben ze de opdracht van bisschop Wilbrand om Oldeberkoop tot de orde te roepen niet uitgevoerd.

Ontstaan van vrije Friese landsgemeente

In dit verzet zijn mogelijk de voortekenen te zien van het ontstaan van de vrije Friese landsgemeente Stellingwerf later in de dertiende eeuw. De eerste stappen worden gezet. Misschien dat kort na de gebeurtenissen van 1232 al enige dorpsoudsten contact met elkaar gezocht hebben. Zeker Oldeberkoop had redenen tot het afleggen van enige vriendschapsbezoeken. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat op stel en sprong het onafhankelijke Stellingwerf tot stand is gekomen. We weten niet wanneer het onafhankelijke Stellingwerf is ontstaan. Ergens tussen 1232 en 1309 moet het gebeurd zijn. In 1232 zien we de eerste tekenen, in 1309, wanneer de naam Stellingwerf voor het eerst in de bronnen voorkomt, is Stellingwerf al een volgroeide vrije Friese landsgemeente met stellingen als rechter en bestuurder. Hans Mol dateert het ontstaan van Stellingwerf in de tweede helft van de dertiende eeuw. Dan omarmen ook Westergo en Oostergo de Friese vrijheid, die al eerder was ontstaan in Oost-Friesland en de Friese ommelanden in het huidige Groningen.

Eigen Friese rechtspraak en bestuur

Deze Friese vrijheid betekent, dat men geen landsheer meer erkent en zelf rechtspraak en bestuur op zich neemt. In Westergo en Oostergo is de Friese vrijheid een reactie op de dreiging van de graven van Holland. In het zuiden van Friesland heeft men te maken met de bisschop. Maar juist in deze tijd zijn de bisschoppen van Utrecht overwegend zwak. Dat geldt met name voor Jan van Nassau (1267-1290), die steeds meer in zware financiële problemen komt. Die kan weinig tot niets ondernemen.

1234

Vrij van de Utrechtse bisschop

Deze periode is dus bij uitstek geschikt voor de Friezen van Kuunder en Lende (Linde) om de bisschop als landsheer buiten de deur te zetten, zich los te maken van het Sticht Utrecht (niet het bisdom Utrecht) en zich aan te sluiten bij de Friese vrijheid. Het is dus alleszins redelijk er vanuit te gaan, dat de onafhankelijkheid van Stellingwerf tijdens de regeerperiode van Jan van Nassau tot stand gekomen is. Gezien de gebeurtenissen in 1232 is het ook niet helemaal onmogelijk, dat de vrije Friese landsgemeente Stellingwerf al eerder, bijvoorbeeld omstreeks 1250, ontstaan is. Maar erg waarschijnlijk is dit niet.