Bunne

Oudste vermelding Bunne
In Drenthe lag de Commanderie Bunnen van het Huis van de Duitse Orde. Het dorp Bunne wordt voor het eerst genoemd in 1141 als Buun. Rond 1206-1207 wordt de naam gespeld als Bonne en Bunne duikt voor het eerst op in 1302. De betekenis is niet bekend: Er zijn drie verklaringen bekend; de naam kan zijn afgeleid van de mansnaam Bunno, Bunne, Bunna of Buyn; of van het woord buun of bune, wat wordt verklaard als ‘gevlochten heg‘, ‘vlechtwerk‘ of ‘beschoeiing‘; of de naam kan zijn afgeleid van het woord bunjo, wat ‘verhoging‘ of ‘hoogte‘ betekent.
Het Huis van de Duitse Orde
Ontstaan in nadagen Derde Kruistocht
De Duitse Orde ontstond in de nadagen van de Derde Kruistocht, een periode waarin christelijke legers probeerden de heilige stad Jeruzalem opnieuw in handen te krijgen. Nadat Jeruzalem in 1187 verloren was gegaan, riep onder anderen Frederik Barbarossa zijn ridders op om deel te nemen aan een nieuwe kruistocht. Tijdens deze strijd, in 1190, lagen Duitse kooplieden uit de Hanzesteden Lübeck en Bremen voor de kust van het Heilige Land bij de belegerde stad Akko. Onder leiding van Siebrand richtten zij met scheepszeilen een veldhospitaal in om gewonde kruisvaarders en zieke pelgrims te verzorgen. Dit initiatief groeide al snel uit tot een stenen hospitaal in Akko, waaraan een religieuze broederschap werd verbonden: de Broeders van het Hospitaal van de Heilige Maria van de Duitse Natie. Aanvankelijk had deze gemeenschap een zuiver verzorgend karakter, maar op aandringen van de paus werd zij in 1198/1199 omgevormd tot een ridderorde. Daarmee kreeg zij een dubbele taak: enerzijds ziekenzorg en liefdadigheid, anderzijds militaire inzet ter verdediging en verbreiding van het christelijk geloof. De orde werd daarmee onderdeel van de zogenoemde Milites Christi, de ‘strijders van Christus‘, vergelijkbaar met de Tempeliers en de Johannieterorde.
Balijen onder leiding landcommandeur
Toen het niet lukte om Jeruzalem blijvend te heroveren, verlegde de Duitse Orde haar activiteiten naar Europa. In de dertiende eeuw richtte zij zich op de gewelddadige kerstening van heidense volkeren in gebieden als Pruisen en Lijfland. In latere eeuwen bleef de orde militair actief, onder meer tegen het oprukkende Ottomaanse Rijk en, in de zestiende en vroege zeventiende eeuw, tegen de verspreiding van de Reformatie. Organisatorisch was de orde regionaal ingedeeld in zogenaamde balijen, elk onder leiding van een landcommandeur. Zo ontstond ook in de Nederlanden al in de middeleeuwen een belangrijke afdeling: de Balije van Utrecht. Deze balije omvatte een hoofdhuis, zoals het Duitse Huis in Utrecht, en verschillende kleinere commanderijen die werden bestuurd door commandeurs. In deze huizen leefden verschillende groepen leden: ridderbroeders, priesterbroeders en lekenbroeders of knechten.
Balije van Utrecht
Na de Reformatie onderging de balije van Utrecht een belangrijke verandering: zij werd protestants, terwijl andere balijen, zoals die van Biesen bij Maastricht, rooms-katholiek bleven en door katholieke ridders werden bemand. Ondanks deze religieuze en politieke veranderingen bleef de organisatie voortbestaan. De geschiedenis van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht strekt zich daarmee uit over meer dan acht eeuwen. Wat begon als een geïmproviseerd hospitaal tijdens een kruistocht, groeide uit tot een invloedrijke religieuze en militaire organisatie met vertakkingen door heel Europa, waaronder ook de Noord-Nederlandse gebieden.
Commanderie te Bunne
Bisschoppelijke burcht bij Bunne 1145
De geschiedenis van de commanderij te Bunne begint in de twaalfde eeuw. Omstreeks 1145 liet Hartbert van Bierum, bisschop van Utrecht, nabij het esdorp Bunne een burcht bouwen. Deze lag in het gebied tussen Vries, Eelde en Norg en bestond uit een versterkt complex met een kapel en zelfs een bierbrouwerij, omgeven door een brede gracht. Daarmee vormde het geheel een belangrijk steunpunt van bisschoppelijke macht in Noord-Drenthe. In de loop van de dertiende eeuw kreeg deze locatie een nieuwe bestemming. Ludolf van Bunne trad omstreeks 1272 toe tot de Duitse Orde en schonk kort daarna, in 1276, zijn huis of erve te Bunne, met bijbehorende bezittingen, aan deze ridderorde. Hoe dit huis er precies uitzag is niet bekend, maar het was vermoedelijk meer dan een eenvoudige boerderij en mogelijk zelfs een versterkt huis. Met deze schenking werd de basis gelegd voor een ordehuis van de Duitse Orde in Bunne.
Bunne als volwaardige commanderij
Aan het begin van de veertiende eeuw, in ieder geval vanaf 1302, functioneerde Bunne als een volwaardige commanderij van de Duitse Orde. Het huis stond op de plek waar tegenwoordig de kop-rompboerderij Huis te Bunne ligt, ten zuidwesten van het dorp, aan de westzijde van de Burchtweg. De commanderij was bescheiden van omvang en werd doorgaans bewoond door drie broeders, waaronder een priester die de bijbehorende kapel bediende. Ondanks deze beperkte omvang vervulde de commanderij een belangrijke rol in de regio. In de late middeleeuwen groeide de betekenis van de commanderij verder. Het “Duitse Huis der Heilige Maria te Bunne” werd een van de drie kloosterlijke instellingen van de Duitse Orde in Drenthe, naast Mariënkamp bij Assen en Dikninge bij De Wijk. Vanuit Bunne werden de bezittingen van de orde in Noord-Nederland beheerd en werden middelen ingezameld ter ondersteuning van de ridders en hun expedities. De invloed van de commanderij strekte zich uit over Noord-Drenthe en tot in de omgeving van de stad Groningen. Bovendien bezat de commanderij het collatierecht van de kerk van Eelde en verwierf zij in 1446 ook de kerk van Vries. De zielzorg in deze parochies werd vermoedelijk verricht door priester-broeders uit de commanderij.
Hoge schuldenlast 1560
In de zestiende eeuw trad echter verval in. Onder invloed van de onrust van de Gelderse Oorlogen en door het feit dat de ridders vaak afwezig waren, raakte het beheer van de commanderij in verval. Er ontstonden financiële problemen en sprake van wanbeheer. Rond 1560 waren de schulden zo hoog opgelopen dat het huis zelfs tijdelijk onbeheerd werd achtergelaten.
Afstand van commanderij Bunnen 1563-1565
De Duitse Orde besloot daarop afstand te doen van de commanderij. In 1563, en volgens andere bronnen in 1565, werd Bunne geruild met Johan van Ewsum van de havezate Mensinga, behorend tot de invloedrijke Groninger familie Van Ewsum. Deze familie, die betrokken was bij de ontginning van veengebieden in het Westerkwartier, zag in Bunne een strategisch bezit. Na de overdracht kreeg het complex de naam ‘Huis te Bunne‘. De nieuwe eigenaren en hun opvolgers probeerden het huis erkend te krijgen als havezate, wat hun adellijke status en rechten zou versterken. Bij de commanderij had altijd een kapel behoord, waar een priester niet alleen de bewoners van het huis, maar ook de bevolking van Bunne en het nabijgelegen Winde bediende. Na de opheffing van de commanderij werd deze kapel in 1580 afgebroken. Het terrein kreeg daarna een nieuwe bestemming als begraafplaats. Zo ontwikkelde de plek zich van een twaalfde-eeuwse bisschoppelijke burcht tot een middeleeuwse commanderij van de Duitse Orde en uiteindelijk tot een adellijk huis, waarbij de functie en betekenis van Bunne zich voortdurend aanpaste aan de veranderende politieke en economische omstandigheden.
De gebouwen van de commanderie
Twee rechthoekige, omgrachte terreinen
Omstreeks het midden van de twaalfde eeuw, rond 1145, liet bisschop Herbert van Utrecht een burcht bouwen in Bunne, gelegen in de streek tussen Norg, Peize en Eelde. Het complex bestond niet alleen uit een versterkte woning, maar omvatte ook een kapel en zelfs een bierbrouwerij. Alles werd omgeven door een brede gracht, wat wijst op zowel een defensieve als een bestuurlijke functie binnen het landschap van Drenthe. De commanderij Bunne is gelegen aan de noordwestzijde van de ovale Bunner Esch. Die ligt op de overgang naar het beekdal van de Winderloop, dat in de Nieuwe Tijd is opgedeeld in langgerekte, evenwijdige kavels. Ten westen daarvan strekten de ongedeelde vochtige heidevelden zich uit. Zoals de kadastrale minuut uit ca. 1830 laat zien, lag de commanderij afzijdig, maar in de loop van negentiende en in de twintigste eeuw is de bebouwing aan de Burchtweg sterk toegenomen. Het complex bestond in 1832 uit twee rechthoekige, omgrachte terreinen. Op het kleinere westelijke terrein, waarop de huidige boerderij zich bevindt, zal het hoofdhuis hebben gelegen, en op het aansluitende oostelijke eiland de bijgebouwen. Van de grachten, die in 1832 nog aanwezig waren, zijn sporen in het landschap waar te nemen. Over de oorspronkelijke verschijningsvorm van de commanderij is weinig bekend. In 1415 stond er, behalve de commanderij die het hoofdgebouw zal zijn geweest, ook een kapel. Met een lening van 150 gulden van de commanderij Schoten werden commanderij en kapel hersteld.
Stenen huis met boerderij en kapel 1565
In 1565 bestond het complex uit ‘het steenen hues mit de principale hues (waarschijnlijk de woning van de commandeur) mit noch een bouhuis (boerderij) en een capelle’. Misschien was het eerstgenoemde huis het conventhuis. Het is aannemelijk dat de beide eerstgenoemde objecten op het westelijke eiland lagen. De kapel was in 1602 al verdwenen. Het in 1645 nog genoemde ‘olde steenhuis met de beijde verdiepingen’ van 21 meter lengte en bijna zes meter breed was ongetwijfeld het toen nog bestaande commanderijhuis, dat twee bouwlagen heeft gehad, die zich vermoedelijk boven een kelder.
Ludolf van Bunne
Burcht in handen van Ludolf van Coevorden
Na het overlijden van de bisschop in 1150 ging de burcht vermoedelijk over in handen van zijn broer Ludolf van Coevorden, die als drost van Coevorden een belangrijke wereldlijke machtspositie bekleedde. De latere vermelding van een Ludolf van Bunne ondersteunt deze veronderstelling. In de loop van de dertiende eeuw krijgt Bunne een duidelijker plaats binnen de regionale machtsstructuren. Een centrale figuur in deze ontwikkeling is Ludolf van Bunne. Hij trad in 1257 op als olderman en lid van het stadsbestuur van Groningen, wat zijn aanzienlijke maatschappelijke positie onderstreept. In 1272 deed hij een belangrijke schenking, vermoedelijk van zijn bezit te Bunne, aan de Duitse Orde. Deze schenking zou later van grote betekenis blijken voor zijn verdere loopbaan binnen de orde.
Van Bunne getuige bij kloosterkwestie 1276
Nog in 1276 treffen we Ludolf van Bunne aan als getuige bij een belangrijke rechtszaak. Op 22 juli van dat jaar beslechtten Hinricus de Borclo, burggraaf van Coevorden, Hinricus de Elethe, schulte van Drenthe, en ridder Rodolfus Weger een geschil tussen de abdij van Assen en de bewoners van Dalen. Daarbij werd vastgelegd dat de abdij jaarlijks leveringen moest doen aan het kasteel van Coevorden en dat zij onder voorwaarden gebruik mocht blijven maken van het betwiste veengebied tussen Pathhus en Venehusen. De aanwezigheid van Ludolf als getuige toont zijn betrokkenheid bij regionale bestuurlijke en juridische aangelegenheden.

Toetreding tot de Duitse Orde
Enkele jaren later trad Ludolf toe tot de Duitse Orde, vermoedelijk na 1272. Zijn eerdere schenking en zijn positie in de regio droegen eraan bij dat hij snel carrière maakte. Hij werd uiteindelijk commandeur binnen de Utrechtse balije van de orde. Tussen 1286 en 1288 bekleedde hij zelfs de functie van landcommandeur, wat erop wijst dat Bunne inmiddels nauw verbonden was geraakt met de bezittingen van de orde. Het is aannemelijk dat Ludolf zijn eigen huis te Bunne in de orde heeft ingebracht, waarmee de vestiging daar mogelijk al vóór 1286 tot stand kwam.


Commandeur Ludolf van Bunne
Rond 1300 verschijnt opnieuw een Ludolf van Bunne als commandeur van Utrecht. Hij wordt beschouwd als een sleutelfiguur bij de stichting van de commanderij in Bunne. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij zelf in de commanderij heeft gewoond, ligt dit wel voor de hand gezien zijn rol en positie. Zijn commandeurschap bevestigt bovendien dat het huis te Bunne inmiddels stevig was ingebed in het netwerk van de Utrechtse balije van de Duitse Orde. Zo ontwikkelde Bunne zich in de loop van anderhalve eeuw van een bisschoppelijke versterking tot een belangrijke locatie binnen de organisatie van de Duitse Orde, waarbij de figuur van Ludolf van Bunne een verbindende schakel vormt tussen de lokale machtsstructuren en de internationale ridderorde. De vraag is in hoeverre de familie Van Bunne betrokken was bij de slag bij Ane in 1227. Aannemelijk is dat Ludolfs vader aan de bisschoppelijke zijde deelnam aan de strijd.
