Direct naar de inhoud.

Bennevelderstraat 18-20

Ovinghe erve in Benneveld

Het ontstaan van het Ovingegoed
Het Ovingegoed, gelegen aan de huidige Bennevelderstraat 18 te Benneveld, behoort tot de oudste bekende boerderijen in het voormalige kerspel Zweeloo. De geschiedenis van dit erf is nauw verbonden met het middeleeuwse leenstelsel van de bisschoppen van Utrecht en weerspiegelt ruim vijf eeuwen bestuurlijke, juridische en maatschappelijke ontwikkelingen. Uit de beschikbare leenregisters, gerechtelijke stukken en genealogische gegevens ontstaat een vrijwel ononderbroken overzicht van de leenmannen, eigenaren en bewoners van het erf vanaf de dertiende eeuw tot aan de afschaffing van het leenstelsel in 1798. De geschiedenis van het Ovingegoed begint in de nasleep van de Drentse opstand tegen de bisschop van Utrecht. In 1231 werd de burggraaf van Coevorden verplicht twaalf van zijn vazallen met hun leengoederen aan de bisschop af te staan. Deze leenmannen werden voortaan ingezet als borgmannen van het bisschoppelijke kasteel te Vollenhove. Eén van de daarbij behorende leengoederen was het Ovingegoed in Benneveld. Het was oorspronkelijk een zogenoemd borgleen was: de leenman was verplicht mee te helpen bij de verdediging van het bisschoppelijke kasteel te Vollenhoave wanneer dat noodzakelijk was. Daarmee kreeg het Ovingegoed een belangrijke plaats binnen het militaire en bestuurlijke leenstelsel van het Oversticht.

Van middeleeuws leen tot familiebezit

Tot de afschaffing van het leenstelsel 1798

De eerste leenmannen

De oudste met naam bekende leenman is waarschijnlijk Alard Ovinge, die in 1276 als scheidsrechter optrad in een geschil tussen het klooster Assen en de eigenerfde boeren van Dalen over de weiderechten langs het Schoonebeekerdiep. Hoewel niet expliciet wordt vermeld dat hij leenman van het Ovingegoed was, maakt de naamgeving dit zeer aannemelijk. Vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw verschijnen de leenmannen met grotere regelmaat in de leenregisters. Achtereenvolgens worden genoemd: Alaert Ovinghe (1379-1382), Alart Aving (1394), Wobbe vrouw van Bernt Aveking (1400), Wobbe Avynge (1433) en Claes Koeyter (1437) . Deze vermeldingen tonen aan dat het leen gedurende meerdere generaties binnen dezelfde familie bleef, waarbij ook vrouwelijke erfgenamen een belangrijke rol konden spelen. Dat een weduwe of dochter het leen hield totdat een nieuwe leenman werd beleend, was binnen het leenrecht niet ongebruikelijk.

De overgang naar de familie Ten Holte

In de vijftiende eeuw raakt de familie Hubbelding met het Ovingegoed verbonden. Vervolgens komt het bezit terecht bij de familie Ten Holte. Johan Hubbelding wordt in 1457 vermeld, waarna zijn zoon Bernt ten Holte en diens zoon Roeloff ten Holte als leenmannen optreden. Hoewel de familienaam verandert, blijft het duidelijk om hetzelfde leengoed gaan. De opeenvolgende beleningen laten zien hoe het erf binnen een netwerk van verwante families werd overgedragen, waarbij zowel erfopvolging als overdracht mogelijk waren. In 1542 wordt Roeloff Ovinck, zoon van Roloff Ovinck en kleinzoon van Berent Ovinck (Ten Holte), opnieuw met het erf beleend. Opmerkelijk is dat de leenregisters van twee eerdere bisschoppen zijn vader en grootvader niet meer vermeldden. Daarom moest hij bij zijn belening een dubbel heergewaad betalen als herstel van het verzuim. Dit illustreert hoe zorgvuldig de leenadministratie werd bijgehouden en hoe belangrijk een correcte registratie was.

Het leenconflict van 1559-1561

De ingewikkeldste episode uit de geschiedenis van het Ovingegoed speelt zich af tussen 1559 en 1561. In 1546 had Roeloff Ovinck het leen overgedragen aan Johan ten Holte. Enkele jaren later bleek echter dat ook Ghese Ovinck, dochter van Tonis Ovinck en kleindochter van Berent Ovinck, als erfgename aanspraak maakte op hetzelfde leen. Zij droeg haar rechten onmiddellijk over aan Herman van Welvelde. Daardoor ontstonden twee concurrerende leenrechten op één en hetzelfde erf. De zaak kwam voor het leengericht van Coevorden onder leiding van drost en leenrichter Engelbert van Ensse. In 1559, 1560 en 1561 werden verschillende zittingen gehouden waarvoor vazallen van de koning als heer van Overijssel werden opgeroepen om zitting te nemen in de leenbank. De stukken laten zien dat het proces meerdere jaren duurde. Uiteindelijk lijkt Johan ten Holte in het gelijk te zijn gesteld. Op 20 augustus 1561 werd namelijk Roeloff Oldenhuyssing op voordracht van Johan ten Holte met het Ovingegoed beleend. Herman van Welvelde verdwijnt daarna uit de leenregisters. Dit conflict vormt een zeldzaam inkijkje in de praktijk van het zestiende-eeuwse leenrecht. Niet alleen blijkt hoe ingewikkeld familieverwantschappen konden worden, maar ook hoe zorgvuldig de juridische procedures rondom leengoederen werden behandeld.

Van Oldenhuising naar Ovinck en Huisinge

Met de belening van Roeloff Oldenhuyssing begint een nieuwe periode in de geschiedenis van het erf. Zijn zoon nam de naam Ovinck aan, waarmee de oude naam van het erf opnieuw als familienaam ging functioneren. Dit gebeurde vaker in Drenthe, waar bewoners van belangrijke erven de naam van hun boerderij als achternaam gingen gebruiken. De opvolging verliep vervolgens als volgt: Johan Ovinck (1567) en Johanna Ovinck (1603) . Johanna Ovinck huwde met Luitjen Huisinge uit Wachtum. Door dit huwelijk kwam het Ovingegoed in handen van de welgestelde boerenfamilie Huisinge, die gedurende ruim een eeuw nauw met het erf verbonden zou blijven. De familie Huisinge behoorde tot de vooraanstaande eigenerfde boeren van Zuidenveld. Verschillende familieleden vervulden belangrijke bestuurlijke functies. Luitjen Huisinge was ette van Zuidenveld, gecommitteerde voor de Rekendag en eigenaar van het Murrenerf in Wachtum. Zijn zoon Johan Huisinge groeide uit tot een van de invloedrijkste bestuurders van zijn tijd. Hij was onder meer: ette van Zuidenveld, gedeputeerde van Drenthe, vertegenwoordiger bij verschillende Provinciale Synoden en afgevaardigde naar prins Frederik Hendrik en later prins Willem bij hun benoeming tot stadhouder. De geschiedenis van het Ovingegoed laat daarmee zien dat een relatief bescheiden leen niet alleen een landbouwbedrijf was, maar ook verbonden kon zijn met families die een belangrijke rol speelden in het provinciale bestuur.

De familie Huisinge en de overgang naar Wispelweij

Na Johan Huisinge volgde zijn zoon Roeloff Huisinge, die opnieuw een opvallende loopbaan had. Hij werd burger van Coevorden, diaken van de stad en vervulde militaire administratieve functies als solliciteur van verschillende compagnieën.

Tijdens de inval van de bisschop van Münster vluchtte hij naar Amsterdam, waar hij nog in 1672 wordt vermeld. Zijn weduwe Bouwe Wildricks werd in 1686 namens hun minderjarige kinderen opnieuw met het Ovingegoed beleend.

Daarna kwam het erf achtereenvolgens in handen van Gerrit Huising en diens zoon Rudolf Jan Christiaan Huising. Hoewel de familie nog steeds eigenaar bleef, lijkt het dagelijkse gebruik van het erf inmiddels steeds vaker door pachters of andere bewoners te zijn uitgevoerd. In 1752 erfde Johanna Rolina Huising haar ouderlijke rechten op het Ovingegoed. Zij was gehuwd met Lourens Wispelweij, vaandrig te Coevorden. Hierdoor kwam het Ovingegoed in handen van de familie Wispelweij. Hun oudste zoon was Johannes Bernardus Wispelweij, gedoopt te Coevorden op 28 april 1762. Hij koos voor een militaire loopbaan en diende bij de Bataafse artillerie. Bij zijn belening in 1797 wordt hij omschreven als eerste luitenant, gelegerd in de Lankerschans. Later zou hij opklimmen tot kapitein en commandant binnen de Nederlandse artillerie. Zijn belening vormt de laatste officiële vermelding van het Ovingegoed binnen het eeuwenoude leenstelsel.

De bewoners van het Ovinge-erve in 18e eeuw

De eerste met zekerheid bekende bewoners uit de achttiende eeuw zijn Warner Ovinge en vervolgens zijn dochter Marchien Ovinge met haar echtgenoot Albert Oosting, die later eveneens de naam Ovinge ging gebruiken. De oude erfnaam bleef zo ook als familienaam voortleven. In de achttiende eeuw blijkt het Ovingegoed regelmatig betrokken te zijn geweest bij financiële transacties. Er werden leningen afgesloten waarbij delen van het erf als onderpand dienden. Ook verschenen de bewoners meermaals voor de Etstoel, het hoogste rechtscollege van Drenthe, onder meer wegens huurgeschillen en schuldvorderingen. Deze procedures illustreren dat het boerenbedrijf volledig was geïntegreerd in de regionale economie. Na Albert Ovinge werd het erf bewoond door Roelof Ovinge, waarna Evert Jansen Oving vanaf het begin van de negentiende eeuw de belangrijkste gebruiker werd. Zijn kinderloos overlijden in 1832 betekende het einde van de naam Oving als bewonersnaam van het erf. Daarna volgden onder meer de families Heeling, Zijnge, Marissen, Lubbers en Been als gebruikers van de boerderij.

De afschaffing van het leenstelsel 1798

Met de Bataafse Staatsregeling van 1 mei 1798 kwam een einde aan het Nederlandse leenstelsel. In de uitvoeringsregeling van 1799 werden alle rechten en verplichtingen uit het leenrecht afgeschaft. Voortaan konden voormalige leengoederen vrij worden verkocht, bezwaard of overgedragen, zonder tussenkomst van de leenkamer en zonder betaling van traditionele leenheffingen. Voor het Ovingegoed betekende dit het einde van bijna zes eeuwen leenrechtelijke geschiedenis.

Van leengoed naar volledig eigendom

Einde horigheid en particulier eigendom

Vanaf dat moment veranderde het erf van een middeleeuws leengoed in gewoon particulier eigendom, waarmee een nieuw hoofdstuk begon in de geschiedenis van de boerderij en haar bewoners. Met de afschaffing van het leenstelsel in 1798 veranderde het Ovingegoed fundamenteel van karakter. Waar het erf eeuwenlang een bisschoppelijk leengoed was geweest, werd het nu volledig particulier bezit. Vanaf dat moment verschuift de aandacht van de formele beleningen naar de feitelijke eigenaars en bewoners van het erf. De negentiende en twintigste eeuw laten zien hoe het Ovingegoed zich ontwikkelde van een middeleeuws leengoed tot een moderne landbouwonderneming, waarbij eigendom en bewoning niet altijd meer samenvielen.

De eerste eigenaren na 1798

Direct na de afschaffing van het leenstelsel ontbreekt enkele jaren duidelijkheid over de eigendomssituatie. Johannes Bernardus Wispelweij was in 1797 nog de laatste officiële leenman geweest, maar na 1798 verdwijnen de leenregisters als bron. Rond 1809 verschijnt Trijntje Blering, weduwe van Harm Hepping, als eigenaar van een belangrijk deel van het Ovingegoed. Na haar huwelijk in 1783 hadden Harm Hepping en Trijntje Blering aanvankelijk in Zweeloo gewoond en later in Wachtum. Na het overlijden van Harm Hepping in 1809 verhuisde Trijntje met haar kinderen naar Benneveld. Op dat moment werd het Ovinge-erve echter nog bewoond door Evert Jansen (Oving) en zijn vrouw Hillegien Harms. Dat betekent dat Trijntje wel eigenaar was van erf, maar niet zelf de boerderij exploiteerde. De bron wijst erop dat de familie Hepping reeds vóór 1798 een deel van het Ovingegoed had verworven, onder meer doordat Hendrik Hepping in 1793 een aandeel uit het erf verkocht. Daarmee blijkt dat de eigendom al vóór de afschaffing van het leenstelsel geleidelijk was versnipperd. Bij het overlijden van Trijntje Blering in 1826 wordt duidelijk hoe omvangrijk het Ovingegoed nog altijd was. De nalatenschap omvatte een aanzienlijk complex van gebouwen, akkers, weidegronden, heidevelden en hofgronden. Tot de bezittingen behoorden onder meer het woonhuis met hof, talrijke akkers met namen als Noordlang, Oosterland, Gleuving, Hagen, Mulakker, Hofakker, Breede, Gravenakker en Kruisakker, meerdere stukken weiland, waaronder de Huismaad, Boschmaad en Mars, circa 28 bunders heide en verschillende kleinere hofgronden. Deze opsomming laat zien dat het Ovingegoed nog steeds een volwaardig Drents boerenbedrijf vormde, bestaande uit een combinatie van bouwland, grasland, heide en woonerf. De oude perceelsnamen weerspiegelen bovendien het historische landschap van Benneveld.

De boedelscheiding van 1832

Na het overlijden van Trijntje Blering besloten haar kinderen de nalatenschap te verdelen. Bij de notariële boedelscheiding van 1832 werd het bezit opgesplitst in afzonderlijke delen, die vervolgens openbaar werden verkocht. Bijzonder is dat het woonhuis letterlijk werd verdeeld. Jan Zijnge kocht het grootste gedeelte van de boerderij, bestaande uit de kamer, keuken, drie gebinten van de schuur, ongeveer twee derde van de hof en gedeelde rechten op de put, oven en toegangsweg. Fredericus Hepping verwierf het resterende deel van het erf met een derde van de hof. De akte bevat bovendien een opvallende sociale bepaling. De weduwe Hillegien Harms, die na het overlijden van haar man Evert Jansen nog in een kamer van de boerderij woonde, kreeg het levenslange recht daar kosteloos te blijven wonen. Haar kamer werd daarom belast met een persoonlijk woonrecht. Dit laat zien dat bij de verkoop niet alleen economische belangen meespeelden, maar ook rekening werd gehouden met bestaande bewoners.

Bewoners en eigenaren lopen uiteen

Vanaf de negentiende eeuw vallen eigendom en bewoning steeds minder samen. De eigenaars verpachtten de boerderij regelmatig aan andere landbouwers. De familie Zijnge werd vanaf 1834 eigenaar van het Ovingegoed. Jan Zijnge en zijn vrouw Hillichje Oldenhuizing behoorden tot een bekende Benneveldse boerenfamilie. Via de familie Oldenhuizing kwamen bovendien nieuwe bezittingen en familiebanden met andere erven in Benneveld tot stand. Op het erf woonde in deze periode echter Hendrik Heeling, die het bedrijf als pachter exploiteerde. Zijn overlijden in 1846 behoort tot de meest opmerkelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van het Ovingegoed. Tijdens een zwaar onweer werd hij, terwijl hij de schapen hoedde, samen met 22 schapen door de bliksem getroffen en gedood. De Drentsche Courant berichtte uitvoerig over dit dramatische ongeval. Volgens de krant waren nauwelijks uitwendige verwondingen zichtbaar, hoewel zijn hemd zwartgeblakerd en vol kleine gaten zat. Deze gebeurtenis geeft een zeldzame inkijk in de gevaren van het boerenleven in de negentiende eeuw.

Van Zijnge naar Marissen en Lubbers

Na het overlijden van Jan Zijnge bleef de familie nog geruime tijd met het Ovingegoed verbonden. Uiteindelijk kwam het bezit via dochter Marchien Zijnge terecht bij de familie Marissen. Hun dochter Hendrikje Marissen huwde in 1883 met Johannes Terinus Lubbers. Hiermee begon een nieuwe, langdurige periode waarin de familie Lubbers het Ovingegoed zou bewonen en exploiteren. Johannes Terinus Lubbers ontwikkelde het bedrijf verder en bleef tot zijn overlijden in 1930 aan het erf verbonden. Zijn zoon Rudolphus Hendrikus Lubbers zette het landbouwbedrijf voort. Vader en zoon vertegenwoordigen de overgang van de traditionele negentiende-eeuwse landbouw naar de modernere bedrijfsvoering van de twintigste eeuw. De boerderij bleef gedurende deze periode ononderbroken als agrarisch bedrijf functioneren. In 1937 trouwde dochter Hendrikje Lubbers met Jannes Been. Daarmee kwam het Ovingegoed in handen van de familie Been.

De familie bleef het erf gedurende tientallen jaren bewonen en exploiteren. Hun kinderen vormden de volgende generatie bewoners van de eeuwenoude boerderij. Hiermee bleef de continuïteit van het landbouwbedrijf behouden, ondanks de vele veranderingen in eigendom die zich sinds de Middeleeuwen hadden voorgedaan.

Kamer in het Ovinge-erve

Een bijzonder onderdeel van de geschiedenis vormt de zogenoemde kamer in het Ovingegoed. Deze zelfstandige woonruimte had een eigen geschiedenis en werd gedurende de negentiende en twintigste eeuw door verschillende gezinnen bewoond. Na Trijntje Blering woonde hier eerst Hillegien Harms, die levenslang kosteloos gebruik mocht blijven maken van de kamer. Daarna volgden onder meer de gezinnen van Alof Eising, Jan Eising, Gerrit Meijering, Willem Naarding, Jan Heidemans, Harm Brinks, Hendrik Kerssies en Berend Albring. Hieruit blijkt dat het Ovingegoed niet uitsluitend één boerengezin huisvestte. De kamer bood plaats aan pachters, schaapherders, landarbeiders of jonge landbouwers. Daarmee vervulde het erf tevens een belangrijke sociale functie binnen de Benneveldse gemeenschap.

Familierelaties en continuïteit

Opvallend in de geschiedenis van het Ovingegoed is de sterke verwevenheid van enkele Benneveldse families. Door huwelijken, erfenissen en boedelscheidingen raken de families Oving, Oldenhuizing, Hepping, Zijnge, Marissen, Lubbers en Been voortdurend met elkaar verbonden. Eigendom ging vaak via dochters over op schoonzonen, waardoor de familienaam veranderde terwijl het erf binnen hetzelfde sociale netwerk bleef. Daardoor bleef het Ovingegoed eeuwenlang onderdeel van een relatief kleine kring van eigenerfde boerenfamilies. Deze onderlinge verbondenheid verklaart mede waarom het erf gedurende honderden jaren zijn agrarische functie wist te behouden.

Conclusie

De geschiedenis van het Ovingegoed laat zien hoe één Drents erf de ontwikkeling van ruim zeven eeuwen plattelandsmaatschappij weerspiegelt. Vanaf de eerste vermelding als bisschoppelijk leengoed in de dertiende eeuw groeide het uit tot een belangrijk landbouwbedrijf dat generaties lang door verschillende, nauw verwante families werd beheerd. Na de afschaffing van het leenstelsel veranderde het juridische karakter van het erf ingrijpend, maar de landbouwkundige functie bleef bestaan. Door boedelscheidingen, huwelijken en verkoop wisselde het eigendom geregeld van familie, terwijl de boerderij onafgebroken bewoond en bewerkt bleef. De reconstructie van zowel eigenaars als bewoners maakt duidelijk dat het Ovingegoed niet alleen een stuk onroerend goed was, maar ook een plaats waar familiegeschiedenissen, lokale bestuursfuncties, economische ontwikkelingen en sociale relaties eeuwenlang samenkwamen.

Belening van het Ovinghegoet

In 1231 moest de burggraaf van Coevorden twaalf vazallen met hun leengoederen aan de bisschop van Utrecht afstaan, die werden ingezet als borgmannen van het kasteel te Vollenhove. Eén van die leengoederen was het ‘Ovinghegoet, gheleghen in den kerspel van Swelle’, met het huidige adres Bennevelderstraat 18 te Benneveld. Het Ovinghegoet kent een lange lijst van leenmannen. Het betreft een zogenaamd koddenleen, zijnde een niet-riddermatig goed. Daartegenover stond een borgleen, wat betekent dat de leenman van dit goed oorspronkelijk als tegenprestatie het bisschoppelijk kasteel mee moest helpen verdedigen.

  • 1276 ws. Alard Ovinge, die in 1276 optrad als scheidsrechter in een geschil tussen het klooster in Assen en de eigenerfde boeren van Dalen over de weiderechten bij het Schoonebeekerdiep
  • 1379-1382 Alaert Ovinghe
  • 22 juni 1394 Alart Aving: ‘Avingenguet to Bonnevelde, gelegen in den kerspel van Swele, mit synen toebehoeren
  • 29 september 1400 Wobbe, vrouw van Bernt Aveking, hulder haar man
  • 2 augustus 1433 Wobbe Avynge, hulder Beernt Hubbending: ‘Dat goet toe Banevelde in den kerspel van Zwelle’, met aantekening ‘is een koddenleen
  • 23 januari 1437 Claes Koeyter na de dood van zijn moeder Wobbe Avynge: ‘Dat guet toe Boenevelde, geheiten Avynge, gelegen in den kerspel van Zwele, voir een koddeleen
  • 1 februari 1437 Roeloff Hobbeling, vanaf deze datum ‘Oeving
  • 14 oktober 1457 Johan Oedbelding
  • 30 september 1495 Beernt ten Holte na de dood van zijn vader Johan Hubbeldinck, na kwijtschelding van het verzuim
  • 7 juni 1497 Berndt ten Holte
  • 15 mei 1504 Roeloff then Holte Berntszoen na de dood van zijn vader Berndt ten Holte
  • 12 juni 1518 Roelof ten Holte Berntszoen
  • 26 januari 1526 Roeloff ten Holte Berntszoen
  • 12 juli 1542 Roeloff Ovinck Roloffszoen na de dood van zijn grootvader Bernt Ovinck en tevens na de dood van zijn vader Roloff Ovinck, van wie de namen in de leenregisteren van Hinrich van Beyeren en Philips van Bourgondiën, bisschoppen te Utrecht, niet te vinden waren, tegen betaling van een dubbel heergewaad
  • 20 juni 1546 Johan ten Holte na opdracht door Roeloff Ovynck Roeloffszoen
  • 22 maart 1558 Johan ten Holte
  • 18 januari 1559 Ghese Ovinck na de dood van haar vader Tonis Ovinck benevens na die van haar grootvader Roloff Ovinck, die een zoon was geweest van Berent, Ghese’s overgrootvader, hulder haar man Thyde Wilbers
  • 18 januari 1559 Herman van Welvelde na opdracht door Ghese Ovinck
  • 20 augustus 1561 Roloff Oldenhuyssing te Bonnefeld na opdracht door Johan ten Holte
  • 1 december 1567 Johan Ovinck na opdracht door zijn vader Roeloff Oelde Huysinck
  • 6 december 1603 Johanna Ovinck, dochter van wijlen Johan Ovinck, hulder haar man Luitgen Huisinge
  • 6 oktober 1654 Joan Huisinge na de dood van zijn moeder Johanna Ovincx
  • 16 juni 1675 Roeloff Huijsinge na de dood van zijn vader Jan Huijsinge
  • 23 september 1686 Bauwe Wilderiks, weduwe van Roelof Huisinge, namens hun onmondige kinderen, hulder kamerbewaarder Egbert Gelderman
  • 12 juni 1734 Rudolphus Huisinge na de dood van zijn (schoon)vader Gerrit Huisinge, zoals Bouwe Wilderiks daarmee in 1686 als laatste namens haar kinderen was beleend, na herstel van het verzuim
  • 2 november 1752 Johanna Rolina Huising, vrouw van Lourens Wispelweij, hulder Albertus van Riemsdijk: ‘Haare gerechte ouderlyke erfportie op het erve en goed Oevink te Bunnevelde
  • 21 april 1797 Johannes Bernardus Wispelweij, eerste luitenant van de Bataafse artillerie, in garnizoen liggende in de Lankerschans, als oudste zoon van wijlen Laurens Wispelweij en diens vrouw Johanna Rolina Huising