Vollenhove

Drentse borglenen van Vollenhove
Het bisschoppelijk kasteel van Vollenhove speelde gedurende de middeleeuwen een belangrijke rol in het bestuur en de verdediging van het Oversticht. De strategische betekenis van Vollenhove hing samen met zijn ligging op een keileemkaap aan de rand van de delta van IJssel, Vecht en Oerkuinder. Vanaf deze positie beheerste men de toegang tot het achterland van Drenthe en Overijssel. Bovendien was Vollenhove vanuit Utrecht goed bereikbaar over water, waardoor het voor de Utrechtse bisschoppen een aantrekkelijke residentie werd. De basis van het bisschoppelijk gezag in deze regio gaat terug tot 944, toen koning Otto I aan de bisschop van Utrecht rechten verleende in Drenthe en het aangrenzende bosgebied rond Vollenhove. Deze rechten vormden de grondslag voor een langdurige bisschoppelijke aanwezigheid in het gebied. Vollenhove ontwikkelde zich vervolgens tot een bestuurlijk centrum van waaruit ontginningen werden gestimuleerd en toezicht werd gehouden op het noordelijke deel van het bisdom.
Omvangrijk bisschoppelijk verdedigingswerk
Kasteel met voorburcht, stallen en landerijen
De bisschoppen verbleven regelmatig in Vollenhove en hielden er hofdagen waarbij regionale edelen aanwezig waren. Het omvangrijke domein leverde voldoende inkomsten om een aanzienlijke hofhouding te onderhouden. Horige boeren en vissers leverden uiteenlopende producten, waaronder graan, zuivel, vee, turf en vis, evenals geldelijke bijdragen. Hierdoor kon de bisschop gedurende langere perioden in Vollenhove verblijven. Volgens de Narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordia werd het kasteel gebouwd onder bisschop Godfried van Rhenen (1156–1178). Waarschijnlijk ging het daarbij om de bouw van een zware donjon op het terrein van de oudere bisschoppelijke hof. Het kasteel groeide uit tot een omvangrijk complex met een binnenplaats, woongebouwen, een grote toren, een kapel, verdedigingswerken en diverse dienstgebouwen zoals een brouwerij, keuken en opslagruimten. Daarnaast bezat het kasteel een voorburcht met stallen en andere bedrijfsgebouwen. Rondom lagen tuinen, boomgaarden en landbouwgronden die behoorden tot de zogenaamde gaerthof. De verdedigingswerken werden versterkt met grachten, wallen en doornstruiken. In de vroegmoderne tijd verloor het kasteel geleidelijk zijn militaire en residentiële betekenis. Uiteindelijk werd het in de negentiende eeuw gesloopt, waarbij ook de ondergrondse resten grotendeels verdwenen.
De verdediging van het kasteel te Vollenhove
Permanente bewaking door borgmannen
Een kasteel kon alleen functioneren wanneer het permanent werd bewaakt. De verdediging van Vollenhove berustte daarom niet op rondtrekkende ridders, maar op een vaste bezetting van borgmannen. Deze borgmannen waren leenmannen van de bisschop die belast waren met de bewaking en verdediging van het kasteel. De leiding lag bij de kastelein, die tijdens afwezigheid van de bisschop als diens vertegenwoordiger optrad. De kastelein beheerde het kasteel, voerde het bevel over de borgmannen en waakte over de militaire paraatheid. Uit de Narracio blijkt dat de bisschop regelmatig inspectiereizen door Drenthe en Groningen maakte. Tijdens zulke reizen speelde de kastelein een belangrijke rol in het beheer van de kastelen. Van de kasteleins van Vollenhove zijn onder andere Pelgrim II van Putten (1270) en Herbertus van Putten (1313) bekend. De familie Van Putten voerde een gekanteelde muur in haar wapen, een verwijzing naar het kasteleinschap. Aan het ambt waren bepaalde inkomsten verbonden, waaronder gebruiksrechten in de Voorst en het gezag over een groep beleende mannen. In de loop van de veertiende eeuw verloor het erfelijke kasteleinschap aan betekenis. Het ambt werd uiteindelijk verbonden aan de schout van Vollenhove, die daarvoor een jaarlijkse geldelijke vergoeding ontving.
Zestien borgmannen op kasteel Vollenhove
De borgmannen vormden de feitelijke garnizoensbezetting. Zij beschikten over slag- en steekwapens, bogen en later ook vuurwapens. Hun bescherming bestond uit pantsers en harnassen die eigendom waren van het kasteel. Een inventaris uit de tijd van bisschop Frederik van Blankenheim laat zien dat het kasteel beschikte over een aanzienlijk arsenaal. Er waren tientallen vuurwapens, honderden stenen kogels, grote voorraden buskruitgrondstoffen, vijftien bogen, duizenden pijlpunten en tientallen pieken aanwezig. Daarnaast waren er zestien pantsers en harnassen beschikbaar. Op basis van deze uitrusting wordt aangenomen dat de normale bezetting ongeveer zestien borgmannen omvatte. Dit aantal stemt opmerkelijk goed overeen met het aantal Drentse borglenen dat in de leenregisters voorkomt.
De Drentse borglenen van Vollenhove
Borglenen en koddenlenen
Binnen het omvangrijke leenstelsel van de Utrechtse bisschop vormden de borgmannen slechts een kleine categorie. In het Oversticht waren ook borgmannen verbonden aan andere kastelen, zoals Goor en Diepenheim, maar nergens was hun aandeel zo groot als in Drenthe. Van de 23 bisschoppelijke lenen in Drenthe waren er zestien borglenen die verbonden waren aan de verdediging van Vollenhove. Slechts zes behoorden tot de Drentse adel, terwijl één leen, het Germynchehuys in Zuidbarge, een onduidelijke status had. In de oudste bronnen worden deze goederen aangeduid als borglenen. Vanaf de vijftiende eeuw verschijnt steeds vaker de term koddeleen. Beide begrippen verwijzen naar dezelfde categorie dienstlenen. De benaming koddeleen verwijst waarschijnlijk naar de knots of kodde als symbool van de militaire taak van de leenman. De borglenen bestonden doorgaans uit één boerderij met bijbehorende rechten in de marke. Anders dan de omvangrijke leencomplexen van Goor en Diepenheim waren de Drentse borglenen relatief klein en agrarisch van karakter. Een opvallend kenmerk was de grote afstand tussen de lenen en het kasteel dat zij moesten verdedigen. Gemiddeld lag een borgleen ongeveer zestig kilometer van Vollenhove verwijderd. Dit maakt de Drentse situatie uitzonderlijk binnen het bisschoppelijke leenstelsel. De leenregisters vermelden bovendien expliciet dat de bezitters van deze goederen dienstplichtig waren. Zij moesten niet alleen hulde brengen aan hun leenheer, maar ook daadwerkelijk dienen. Deze militaire verplichting onderscheidde hen van andere boerenleenmannen.
De herkomst van de Drentse borgmannen
Gesitueerd in het oosten van Drenthe
De centrale vraag van het artikel betreft de oorsprong van de Drentse borgmannen. Waarom werden juist in Oost-Drenthe borglenen gevestigd voor de verdediging van een kasteel in Vollenhove? Bart Wever zoekt het antwoord in de gebeurtenissen na de Slag bij Ane van 1227. Bij deze veldslag leed bisschop Otto van Lippe een zware nederlaag tegen Rudolf van Coevorden en diens Drentse bondgenoten. Pogingen om de opstandige Drenten militair te onderwerpen mislukten, waarna een arbitrage door Friese abten werd ingesteld. De uitspraak van de abten uit 1231 bevatte ingrijpende maatregelen.
Afstaan van twaalf vazallen en hun leengoederen
De Van Coevordens moesten omvangrijke bezittingen aan de bisschop overdragen en daarnaast twaalf vazallen met hun leengoederen afstaan. Daartegenover stond dat de bisschop hen opnieuw beleende met het kasteel van Coevorden en hun overige bezittingen. Volgens Wever ligt hier de sleutel tot het ontstaan van de Drentse borglenen. De twaalf vazallen die door de Van Coevordens werden afgestaan, zouden later zijn opgenomen in het bisschoppelijke leenstelsel als borgmannen van Vollenhove. Verschillende aanwijzingen ondersteunen deze hypothese. Het aantal borglenen komt redelijk overeen met het aantal overgedragen vazallen. Bovendien kunnen enkele latere borglenen worden verklaard als afsplitsingen van oudere moedererven, waardoor het aantal oorspronkelijke goederen dichter bij twaalf komt te liggen.
Ontmanteling machtsbasis van Van Coevordens
Voorbeelden daarvan zijn de goederen in Anderen en Balloo/Deurze. Analyse van eigendomsgeschiedenis, naamgeving en ligging suggereert dat verschillende latere borglenen uit oudere eenheden zijn voortgekomen. Hierdoor kan het verschil tussen de twaalf vazallen van 1231 en de zestien borglenen van 1379 grotendeels worden verklaard. De geografische spreiding van de borglenen biedt eveneens een aanwijzing. Veel ervan liggen langs de route van Coevorden naar Groningen, de zogenaamde Coevordense weg. Andere liggen langs een westelijke route richting Zuidwest-Drenthe. Mogelijk vormden deze goederen samen een netwerk van militaire steunpunten dat onder controle stond van de Van Coevordens. Wanneer deze interpretatie juist is, betekende de overdracht van de vazallen in 1231 veel meer dan een gewone eigendomsoverdracht. De militaire machtsbasis van de Van Coevordens werd ontmanteld en tegelijkertijd versterkte de bisschop zijn eigen positie. Door de voormalige vazallen als borgmannen aan Vollenhove te verbinden, werden zij onder toezicht geplaatst en konden zij niet langer als zelfstandige militaire factor in Drenthe optreden. Het leenrecht werd daarmee gebruikt als instrument van pacificatie en machtsuitoefening. Dezelfde methode was eerder al toegepast bij conflicten met andere regionale machthebbers, zoals de heren van Bentheim.
De sociaal-economische positie van de Drentse vazallen/borgmannen
Tussenlaag tussen adel en boeren
De Drentse borgmannen vormden sociaal gezien een tussenlaag tussen de adel en de horige boeren. Een uitspraak uit 1328 maakt onderscheid tussen ministerialen, vazallen en horigen. De ministerialen waren de adellijke leenmannen, de vazallen waren de borgmannen en de horigen vormden de onvrije boerenbevolking. De borgmannen waren geen edelen maar boerenleenmannen met een bescheiden economische positie. Hun lenen bestonden meestal uit één erf en leverden een redelijk inkomen op, maar geen aanzienlijke rijkdom. Zij speelden nauwelijks een rol in de regionale politiek en verschijnen vrijwel nooit als getuigen in belangrijke oorkonden. Hun afhankelijkheid van de bisschop blijkt ook uit de wijze waarop zij werden beleend. Bij de verheffing van een borgleen moesten zij zich melden bij de ijzeren poort van het kasteel Vollenhove. Kennelijk werden zij niet rechtstreeks door de bisschop ontvangen, maar door de kastelein of diens vertegenwoordiger.
Borgmannen waren niet van ridderlijke afkomst
Bijzonder is dat het borgleen van de kastelein melding maakt van 32 beleende mannen. Dit aantal is tweemaal zo groot als het aantal bekende borglenen. Bart Wever vermoedt daarom dat elk borgleen twee dienstplichtige personen moest leveren. In vredestijd kon één man dienst doen, terwijl in oorlogstijd beide konden worden opgeroepen. Hoewel de borgmannen leenmannen waren, genoten zij niet het aanzien van de ridderschap. De Saksenspiegel maakte zelfs expliciet een uitzondering voor borgmannen, omdat zij niet voldeden aan de gebruikelijke eisen van ridderlijke afkomst. Een illustratief voorbeeld vormt de zaak van Ghisela Hiddingh van het Mensingegoed te Roden. Zij probeerde rond 1406–1408 aannemelijk te maken dat zij van adel was. Volgens Wever gebeurde dit waarschijnlijk niet om een leen te verkrijgen, maar om vrijstelling te krijgen van de belastende borgdiensten. Indien zij als adellijk werd erkend, zou het verrichten van wacht- en verdedigingsdiensten immers beneden haar stand zijn geweest. Dat deze poging kennelijk mislukte, ondersteunt de conclusie dat borgmannen niet tot de adel behoorden. Zij vormden een aparte categorie dienstplichtige boerenleenmannen die een militaire taak vervulden ten behoeve van hun leenheer.
Oorsprong in de Slag bij Ane 1227
In de loop van de vijftiende en zestiende eeuw veranderde de militaire organisatie van de landsheer ingrijpend. Professionele huurlingenlegers namen geleidelijk de taken over die voorheen door feodale dienstplichtigen werden uitgevoerd. Tegelijkertijd verminderde de militaire betekenis van traditionele kastelen door de ontwikkeling van steeds zwaardere artillerie. Daardoor verloren de borgmannen hun oorspronkelijke functie. Hun militaire verplichtingen werden uiteindelijk afgeschaft en de borglenen veranderden in gewone, dienstvrije lenen. De goederen bleven echter bestaan en gingen veelal van generatie op generatie over. Sommige kwamen in handen van adellijke families of kloosters terecht. In de zeventiende en achttiende eeuw werden verschillende borglenen verworven door leden van de Drentse bestuurlijke elite, zoals gedeputeerden, landschrijvers en functionarissen van de Etstoel. Het leenstelsel bleef formeel bestaan tot het einde van de achttiende eeuw. Sommige leenmannen kochten hun leenrechten zelfs nog af bij de Staten van Overijssel. Dat bleek achteraf onnodig, want met de afschaffing van het leenstelsel in 1798 werden alle leenmannen automatisch volle eigenaar van hun goederen. De geschiedenis van de Drentse borgmannen eindigde daarmee formeel. Hun oorsprong lijkt echter terug te voeren op een cruciaal moment in de nasleep van de Slag bij Ane. De overdracht van twaalf vazallen door de Van Coevordens aan de bisschop van Utrecht vormde waarschijnlijk de basis voor een uniek systeem van Drentse borglenen, waarmee de bisschop niet alleen zijn kasteel te Vollenhove verdedigde, maar tevens de militaire macht van zijn voormalige tegenstanders duurzaam wist te breken.

Uitspraak door Friese abten
In de zomer van 1230 werd het voor de ridders Van Coevorden en Drenten dat de bisschop vastberaden zou blijven en het verstandiger was naar een oplossing te zoeken. In de Narracio van 1232 werd genoteerd:
‘Daarop is de hele zaak ter beslissing in handen gegeven van enige Friese abten, die dit met diverse eden hebben bekrachtigd. Nog diezelfde dag hebben ze op een bij Giethoorn gehouden vergadering als hun oordeel uitgesproken dat alle gevangenen van beide partijen op staande voet vrijgelaten en naar huis gestuurd moesten worden; dat is zonder protest gebeurd. Hieruit putte de bisschop groot voordeel, omdat zeer veel rijke en machtige gevangenen van zijn partij, die in die oorlog veel waard waren, aan hem teruggegeven werden; ook kreeg hij een paar penningen van het hem eerder beloofde zoengeld. Maar afgezien daarvan hebben de Drenten van de beloofde drieduizend meer dan duizend pond achtergehouden, en omdat de abten hen steeds weer eerloos, rebels en ongehoorzaam bevonden, konden zij hun uitspraak pas bekend maken in de week na Pasen. Zo was er al een jaar verlopen sinds ze hun taak op zich hadden genomen. De uitspraak luidde als volgt. Ze hebben bevolen dat de bisschop ergens tussen Hardenberg en Coevorden met de Drenten en de Coevordenaren moest samenkomen.‘
- De Coevordenaren moesten hem en de kerk hun allodiale grondbezit ter waarde van tweeduizend mark in eigendom geven.
- Ze moesten een jaar in ballingschap gaan en daarna kerk en bisschop met honderdvijftig gewapende mannen ten dienste staan op die plaatsen, waar hij hen in verband met hun particuliere veten veilig heen kon leiden.
- Ze moesten de kerk twaalf haar voorheen niet toebehorende vazallen met hun leengoederen geven.
- Met duizend man moesten ze de bisschop over een afstand van een mijl nederig tegemoet gaan en hem te voet vallen.
- Ze moesten daarover een oorkonde geven waarin ze verklaarden dat ze onder geen beding ooit de dienst aan de kerk zouden verzaken.
- Ook moesten ze de kerk bijstaan tegen de Drenten, als die de uitspraak van de Friezen en het verdrag niet zouden nakomen of in de toekomst enig kwaad tegen de bisschoppen zouden ondernemen.


De twaalf Drentse borglenen
De Van Coevordens moesten in 1231 omvangrijke bezittingen afstaan aan de bisschop van Utrecht en daarnaast twaalf vazallen met hun leengoederen afstaan, die ingezet werden als borgmannen van het kasteel te Vollenhove.
Oorspronkelijke 12 Drentse borglenen
- Tavinghegoet te Anderen, leenman 1379: Aelbert Tavinghe
- Mesteringhegoet te Anloo, leenman 1379: Lamme Mesteringhe
- Woltinghegoet te Gasteren, leenman 1379: Lefert Woltinghe
- Evekinghegoet te Drouwen, leenman 1379: Jan Hilboldinc
- Iddickinghegoet te Westdorp, leenman 1379: Jan van Westorpe
- Tessekinghegoet te Pesse, leenman 1379: Henric van Nule
- Mensinghegoet te Roden, leenman 1379: Steven Syghers
- Remmeringhegoet te Balloo, leenman 1379: Witfert
- Peringhegoet te Noordsleen, leenman 1379: Jan Lepel
- Ovinghegoet te Benneveld, leenman 1379: Alaerd Ovinghe
- Tedinghegoet te Meppen, leenman 1379: Roelof van den Lande
- Lippinghegoet te Noordlaren, leenman 1379: Henric Hovekinghe
Later afgesplitste Drentse borglenen
- Hoenrekinghegoet te Anderen, leenman 1379: Henrick Hoenrekinghe
- Houwinghegoed te Balloo, leenman 1379: Henric Mepesche
- Wernsinghegoet te Deurze, leenman 1379: Hughe Wernsinc
Onduidelijke status
- Hillenboldinch te Wachtum, leenman 1379: Claes Hillenboldinch
(bron: Wever, B., ‘De heerlijkheid Ruinen. Historische studies naar de middeleeuwse nederzettingsontwikkeling, veenontginningen en rechtsverhoudingen in Zuidwest-Drenthe’, p. 151-161, Groningen)
