Ruinen

Drents esdorp rond Mariakerk
Het dorp Ruinen behoort tot de oudste nederzettingen in Zuidwest-Drenthe en vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen. Het ontwikkelde zich als een typisch Drents esdorp, gekenmerkt door een brink als centraal dorpsplein, omringd door essen (bouwlanden) en uitgestrekte markegronden die gezamenlijk werden beheerd. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw ontstond een kerkelijke kern rond de Mariakerk, die een belangrijke rol speelde in het religieuze en sociale leven van de gemeenschap. Bestuurlijk viel het gebied onder het bisdom Utrecht, maar zoals elders in Drenthe bleef de feitelijke macht grotendeels in handen van de lokale bevolking. Boeren organiseerden zich in buurschappen en marken, waardoor een relatief autonome plattelands-samenleving ontstond. De ligging van Ruinen was daarbij niet onbelangrijk. Het dorp bevond zich langs routes die door het veen- en heidegebied liepen, in de nabijheid van het huidige Nationaal Park Dwingelderveld. Deze positie droeg bij aan de ontwikkeling en continuïteit van de nederzetting. Ook in de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd bleef Ruinen een overwegend agrarisch dorp. De samenleving werd gedragen door boerenfamilies, die niet alleen het economische leven bepaalden, maar ook een sterke gemeenschapsstructuur in stand hielden.
De Oldenhave of het huis te Ruinen was eeuwenlang het machtscentrum van de heren Van Ruinen
Het huis te Ruinen
Kasteeltje met torens en gracht
De Oldenhave, ook bekend als Oldenhoven, Oldenhof of het Huis te Ruinen, vormde eeuwenlang het centrum van macht van de heren van Ruinen. Dit statige huis lag ten zuiden van het dorp, aan de oostzijde van het buurtschap Oldenhave, en had het uiterlijk van een klein kasteel, compleet met torens en een omringende gracht. Hoewel de exacte bouwdatum onbekend is, bestond het huis zeker al vóór 1380. Het ontstaan van de heerlijkheid Ruinen als bisschoppelijk leen is in samenhang te zien met de opkomst van het klooster te Ruinen. Het klooster zal ongeveer in de elfde eeuw gesticht zijn, met als doel de woeste gronden in deze streek te ontginnen en zo voor bewoning geschikt te maken. Oorspronkelijk begon het als een groot boerenbedrijf, maar naarmate de invloed van het geslacht Van Ruinen toenam, werd het complex versterkt en beter verdedigbaar gemaakt. De heren Van Ruinen behoorden tot de Drentse hoofdelingen: regionale machthebbers die hun positie ontleenden aan grondbezit, invloed binnen de marke en hun relaties met het bisdom Utrecht. Anders dan de hoge adel in andere delen van het land beschikten zij niet over grote kastelen, maar over versterkte huizen die pasten binnen de Drentse context van een relatief egalitaire samenleving. De heer van Ruinen trad bovendien op als bestuurder van de heerlijkheid Ruinen, een klein territorium waarin hij aanzienlijke invloed uitoefende. De ligging van de Oldenhave was daarbij strategisch: het huis bevond zich aan belangrijke routes die Friesland via Steenwijk met Coevorden verbonden, evenals Groningen met Meppel.
Huis van stand in politiek roerige tijd
De geschiedenis van het Huis te Ruinen weerspiegelt de roerige politieke verhoudingen van zijn tijd. In de middeleeuwen werd het bestaan van dergelijke huizen gekenmerkt door spanningen tussen lokale elites en de bisschop van Utrecht, evenals door onderlinge conflicten tussen Drentse hoofdelingen. Ondanks deze spanningen bleef de machtsstructuur in Drenthe bijzonder: eerder een ‘boerenrepubliek’ dan een klassiek feodaal stelsel, waarin lokale gemeenschappen en boeren een grote mate van zelfstandigheid behielden. Ook in latere eeuwen bleef het Huis te Ruinen van betekenis. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd er in Drenthe hevig gevochten en het huis werd meerdere malen belegerd en bezet. In 1591 werd met de Spaanse troepen afgesproken dat het zijn militaire functie zou verliezen, maar twee jaar later koos de Spaanse veldheer Francisco Verdugo het alsnog als steunpunt. Daarmee bleef het huis nog enige tijd betrokken bij de militaire ontwikkelingen in de regio.
Heerlijkheid Ruinen onderdeel van Drenthe
In de zeventiende eeuw ontstond er discussie over de bestuurlijke positie van Ruinen: hoorde het bij Drenthe of bij Overijssel? In 1654 werd dit geschil beslecht door de Staten-Generaal, die bepaalden dat de heerlijkheid Ruinen tot Drenthe zou behoren. Voor de toenmalige eigenaar van de Oldenhave, Hendrik Wilhelm Munster van Bernsaw, had dit belangrijke gevolgen. Hij werd opgenomen in de Ridderschap van Drenthe en in 1668 zelfs benoemd tot drost, waarmee hij een prominente positie in het landsbestuur verkreeg. Na deze periode van bestuurlijke en politieke betekenis raakte het Huis te Ruinen geleidelijk in verval. In de achttiende eeuw kwam het leeg te staan en wisselde het meerdere malen van eigenaar. Pogingen van de Landschap Drenthe om het te verhuren mislukten, waarna het uiteindelijk werd verkocht. De laatste bewoners waren burgemeester R.A.L. Nobel en zijn echtgenote, maar ook zij deden het huis na korte tijd van de hand. In 1820 werd het definitief gesloopt door een nieuwe eigenaar, die de grachten liet dempen en de bouwmaterialen hergebruikte voor een boerderij op dezelfde locatie. Vandaag de dag zijn er geen zichtbare resten meer van de Oldenhave. Zoals bij veel Drentse havezaten is het archeologisch bewijs beperkt en is onze kennis grotendeels gebaseerd op schriftelijke bronnen. Toch blijft het Huis van Ruinen van grote historische betekenis. Het illustreert niet alleen de rol van lokale geslachten als het geslacht Van Ruinen, maar ook de bijzondere sociale structuur van Drenthe: een samenleving met weinig dominante adel, sterke boeren en een geleidelijke overgang van middeleeuwse hoofdelingen naar een vroegmoderne plattelandselite.
Familie Van Ruinen 1139-1378
Het bisschoppelijk leengoed Ruinen
De geschiedenis van het geslacht Van Ruinen begint in de vroege middeleeuwen en hangt nauw samen met de ontwikkeling van het bisschoppelijk gezag in Drenthe. Reeds rond het jaar 805, na de onderwerping van de Drenten door Karel de Grote, werd bepaald dat alle niet in gebruik zijnde grond aan de koning toebehoorde. Deze gronden werden later uitgegeven aan trouwe volgelingen, die er landgoederen stichtten op strategische locaties langs belangrijke routes. In Drenthe ontstonden zo verschillende vroege hofcomplexen, waaronder ook Ruinen. In 1040 bevestigde Hendrik III het wereldlijk gezag van de bisschop van Utrecht over Drenthe. Daarmee werd Ruinen een bisschoppelijk leengoed. De lokale machthebbers traden op als leenmannen en beheerden zowel de grond als de rechtspraak. In deze context moeten ook de voorouders van het geslacht Van Ruinen worden geplaatst, die vermoedelijk afkomstig waren uit adellijke Westfaalse kringen en via Gelre en Zutphen naar het noorden waren gekomen.
Eerste vermelding in 1139
De eerste concrete vermelding van het geslacht dateert uit 1139. In dat jaar treedt Otto van Ruinen op als getuige in een oorkonde van bisschop Andreas van Utrecht. Otto, geboren omstreeks 1095, wordt daarin genoemd als ministeriaal, een onvrije maar invloedrijke dienstman van de bisschop. Hij bekleedde een belangrijke positie, want hij had de kerk van Steenwijk in leen en was vermoedelijk voogd van het klooster te Ruinen. Als voogd vertegenwoordigde hij de abt in wereldlijke zaken en oefende hij rechtspraak uit binnen het kloosterlijk domein. In 1141 komt Otto opnieuw naar voren in een belangrijke oorkonde. Op zijn verzoek schonk bisschop Herbert de kerk van Steenwijk aan de kerk van Sint-Maria te Ruinen. Otto zelf droeg daarbij aanzienlijke bezittingen over aan het klooster: veengronden tussen Ruinen en Meppel, tienden, huizen en landerijen in onder meer Pesse en Buinen. Deze schenking had als doel het klooster, waar monniken volgens de regel van Benedictus leefden, een stabiele economische basis te geven. Het wijst erop dat de Van Ruinens nauw betrokken waren bij de stichting en ontwikkeling van het klooster.
Ministerialen met toenemende macht
In de twaalfde en vroege dertiende eeuw bleven de Van Ruinens formeel ministerialen, maar hun feitelijke macht nam toe. Zij noemden zich naar hun eigen hof en ontwikkelden zich tot regionale machthebbers. Rond 1220 worden zij in de bronnen aangeduid als ‘milites’ (ridders), wat wijst op een verdere stijging in status, al betekende dit niet noodzakelijk het einde van hun ministerialiteit. Een belangrijke vertegenwoordiger uit deze periode is Johan I van Ruinen, geboren rond 1188. Hij wordt tussen 1223 en 1241 als heer van Ruinen genoemd en trad op als getuige bij verschillende bisschoppen, waaronder Otto II van Lippe en Wilbrand van Oldenburg. Zijn positie toont aan dat het geslacht stevig verankerd was in het bestuurlijke netwerk van het Sticht Utrecht. Uit 1236 is een interessante oorkonde bekend die een geschil beschrijft tussen het klooster van Ruinen en twee ridders over het veengebied Buddigwolt. Onder leiding van bemiddelaars, waaronder vertegenwoordigers uit Coevorden en Peize, werd een overeenkomst bereikt waarbij het klooster zijn rechten overdroeg in ruil voor jaarlijkse leveringen van graan. Dit document illustreert de economische waarde van het veen en de rol van de Van Ruinens in regionale geschillenbeslechting.
Ridder Mewekinus van Ruinen
In het midden van de dertiende eeuw bereikt het geslacht een nieuw hoogtepunt onder Bartolomeus, ook wel Mewekinus van Ruinen genoemd, geboren rond 1220. Hij wordt vanaf 1261 in de bronnen vermeld en verschijnt in 1263, 1265 en 1273 als ‘dominus’, heer. Hij was ridder en bleef tegelijkertijd bisschoppelijk ministeriaal, wat kenmerkend is voor deze overgangsperiode. Mewekinus stond in nauw contact met bisschop Hendrik van Vianden en behoorde tot diens aanhangers in een tijd van onrust, waarin de bisschop te maken had met opstandige Drenten onder leiding van de burggraven van Coevorden. Waarschijnlijk was het Mewekinus die het bezit en de invloed van de familie aanzienlijk uitbreidde. Door zijn huwelijk met een dochter uit het geslacht Welvelde verwierf hij de hof Welvelde in Twente, waarmee het machtsgebied van de Van Ruinens zich buiten Drenthe uitbreidde. Daarnaast trad hij op als borg en getuige in verschillende transacties, onder meer voor Rudolf van Ansen, en werd hij gerekend tot de kring rond de burggraven van Coevorden en de familie Clencke.

Heerlijkheid van Ruinen
Vanaf het midden van de dertiende eeuw krijgt ook de heerlijkheid van Ruinen duidelijke vorm. Het leen omvatte: het dagelijks gerecht te Ruinen, Buddingwolde, Haakswolde en Ter Bullinge. Verder de Oldenhave, de Nijenhave, de tienden te Ruinen en Pesse, de in het kerspel Ruinen gelegen erven Wulveringe, Ludderinge, Hadeboldinge, Westebringe, Broeksinge en Olde Lanssinge, vervolgens de gruit te Ruinen, zeven hoeven lands onder Zuidwolde, het erve Oldinge onder Dalen, de tiende te Gees, de tiende grof en smal over Roderinge en Ribbertinge onder Diever, de erven Westersche en Wildenberch in het kerspel Avereest, Remmeringe te Balloo, Nijdinge onder Norg, de boterpacht in Buddingewolde en Ter Bullinge en tenslotte in Twenthe onder Borne de hof Welvelde en de daarbij behorende bezittingen. De eigenlijke heerlijkheid, de publiekrechtelijke bevoegdheid van de heren van Ruinen, werd gevormd door het dagelijks gerecht te Ruinen, Buddingerwolde, Haakswolde en Ter Bullinge. Opmerkelijk is dat dit rechtsgebied niet samenviel met het kerkelijke kerspel, wat wijst op een oorsprong in oud kloosterbezit. De heerlijkheid omvatte daarnaast talrijke erven, tienden en goederen verspreid over Drenthe en zelfs delen van Overijssel en Twente. De Van Ruinens bleven tot in de late middeleeuwen een vooraanstaande rol spelen. Zij waren gevestigd op de havezate Oldenhave bij Ruinen, die fungeerde als bestuurlijk en economisch centrum. Het geslacht bleef daar in bezit tot 1378, het jaar waarin Johan III van Ruinen overleed. Zo ontwikkelde het geslacht Van Ruinen zich in ruim twee eeuwen van ministerialen tot invloedrijke regionale heren, nauw verbonden met het bisschoppelijk gezag, het kloosterwezen en de politieke machtsstructuren van Drenthe en omstreken.


Familie Van Norg 1380-1477
Na de overdracht van huis en heerlijkheid kwam het bezit in handen van Arend Huys, die in 1380 de bisschop verzocht hem met de heerlijkheid te belenen. Arend Huys was afkomstig uit het geslacht Van Norg. Zijn zonen namen echter de naam Van Ruinen aan. De oudste zoon, Johan, voerde bij zijn opvolging als heer van Ruinen bovendien het wapen van de oorspronkelijke Van Ruinens, terwijl zijn broers het familiewapen Van Norg bleven gebruiken. Het geslacht Van Ruinen van deze tak kende echter een kort bestaan. Arend Huys werd opgevolgd door zijn zoon Johan, die bij zijn overlijden in 1411 slechts één kind naliet: een dochter, Johanna, geboren omstreeks 1405. Hoewel Johan drie broers had, werd de heerlijkheid Ruinen ook via de vrouwelijke lijn vererfd. Tijdens Johanna’s minderjarigheid traden haar ooms op als voogden. In 1411 werd Johanna met de heerlijkheid beleend. In 1425 trad zij in het huwelijk met Berend van Munster. Zij behield de heerlijkheid tot aan haar overlijden, omstreeks 1477. Na haar dood ging het bezit over op haar zoon, Hendrik van Munster.
