Direct naar de inhoud.

Zwolle

Stadsrechten Zwolle

Nederzetting op een dekzandrug
Zwolle is in de middeleeuwen ontstaan op een dekzandrug tussen de IJssel en de Overijsselse Vecht aan het riviertje de Aa. Dit was een hoger gelegen en bewoonbare plek in het verder moerassige landschap. Zo’n plek werd destijds een ‘suol‘ genoemd. De plaatselijke bebouwing was gesitueerd rondom de aan Sint Michaël gewijde parochiekerk. Die was vanuit Deventer gesticht. In 1040 verklaarde de bisschop van Utrecht de kerk te Zwolle zelfstandig onder enkele voorwaarden.

Zwolle krijgt stadsrechten en recht van stadsmuur van de bisschop van Utrecht

Zwolle krijgt stadsrechten

Schenking door Wilbrand van Oldenburg 1230

Als beloning voor de loyaliteit en financiële steun van Zwolle in de strijd tegen de opstandige Drenten, was bisschop Wilbrand van Oldenburg in 1230 bereid gehoor te geven aan het verzoek om van Zwolle een oppidum (sterkte of stad) te maken. Eén van de belangrijkste bepalingen van het stadsrecht was het recht om de nederzetting te mogen beschermen door de aanleg van grachten en het bouwen van een omwalling van planken of muren. Door een gebrek aan gegevens is niet precies bekend op welke wijze de stad hier invulling aan gaf.

Stad met eigen rechten en plichten

Door de verlening van stadsrechten aan die gemeenschap in 1230 werd de nieuwe stad als het ware afgescheiden van het omringende land en golden binnen die stad andere rechten en plichten, die geregeld waren in het stadsrecht. Deze situatie heeft ruim vijf en een halve eeuw bestaan. Dit stadsrecht werd in de loop der tijd bij het aantreden van een nieuwe landsheer, eerst de vorst-bisschoppen van Utrecht en vervolgens de vorsten uit het Habsburgse Huis opnieuw bevestigd, voor het laatst in 1549 toen prins Philips – de latere Spaanse koning Philips II – zich in bijna al de Nederlandse gewesten liet huldigen en aannemen als toekomstige opvolger van zijn vader, keizer Karel de Vijfde.

Vastgelegd in stadsprivilegeboek

De verheffing van de nederzetting Zwolle tot een stad is verwoord in een Latijnse tekst van 250 woorden in het stadsprivilegeboek, dat omstreeks 1509 is aangelegd. Volgens het privilegeboek zou de bisschop de akte van het stadsrecht hebben uitgereikt op 31 augustus 1230 in de ridderzaal van het bisschoppelijk paleis naast de Lebuinuskerk te Deventer. Die bijeenkomst vond daar plaats omdat Zwolle in die tijd kerkelijk gezien onder het Deventer kapittel viel. Zwolle maakte eeuwenlang gebruik van de verleende rechten. De nieuwe stad had onder andere het recht zich te versterken met grachten, planken of muren. Daardoor kon Zwolle zich beter beschermen tegen mogelijke aanvallen vanuit nabij gelegen kastelen, zoals het kasteel Voorst. Afgezien van een deel van een oude stadsmuur, die in 2004 gevonden werd bij een opgraving op een plek Achter de Broeren, zijn er geen restanten van de oudste versterkingen van Zwolle teruggevonden. Toch wordt aangenomen dat Zwolle zich in de dertiende eeuw heeft omgeven met een stenen verdedigingsgordel.

Impuls om tot handelsgebied te ontwikkelen

De betekenis van het stadsrecht is groot geweest. Zwolle kreeg er meer status en macht door. Zo mocht Zwolle binnen de grenzen van de stad een eigen bestuur kiezen en zelf wetten maken. Ook economisch gezien gaf het stadsrecht een belangrijke impuls. Vanaf de elfde eeuw was Zwolle uitgegroeid tot meer dan alleen een agrarische samenleving. Zwolle begon een rol op handelsgebied te vervullen. Tussen Melkmarkt en Voorstraat ontstond in de elfde eeuw een havencomplex, dat rond 1400 opschoof naar het Rodetorenplein. Vanaf de dertiende eeuw was Zwolle minstens gelijkwaardig aan die twee andere belangrijke IJsselsteden: Deventer en Kampen.

Het verkrijgen van stadsrechten

Vanaf het jaar 1000 werden privileges door grootgrondbezitters als landsheren en bisschoppen aan nederzettingen verstrekt (soms ook keure genoemd). Het ging hier om voorrechten en bepaalde vormen van autonomie, bijvoorbeeld met betrekking tot regelgeving en rechtspraak of het houden van markten. Het verkrijgen van stadsrechten kon op grofweg twee manier gebeuren. Het initiatief kon liggen bij de plaatselijke grootgrondbezitter of heer, die door grotere vrijheid de economische ontwikkeling van zo’n plaats wilde stimuleren en daarmee extra eigen inkomen wilde genereren, of die, gedwongen door geldnood, een privilege te koop aanbood. Dit patroon kwam vooral voor in economisch minder ontwikkelde gebieden, zoals het Sticht, Groningen, Friesland en Holland. In de zestiende eeuw, het einde van de traditionele stadsrechten in de Lage Landen, is het een veelvoorkomend fenomeen.

Positieve en negatieve ontwikkeling voor de feodale machthebbers

Het initiatief kon liggen bij de nederzettingen. Deze boden de besturend heer hoge geldbedragen voor de toekenning van bepaalde rechten of ze trokken te strijde. Dit patroon is vooral in Vlaanderen, Brabant, Gelre en Zeeland wijdverbreid geweest, waar veel rijke en dichtbevolkte steden lagen. Stadsrechten waren zowel een positieve als een negatieve ontwikkeling voor de feodale machthebbers. Positief omdat zij inkomsten opleverden (hoewel vaak eenmalig) en konden bijdragen tot de economische ontwikkeling van het gebied, en door belastingheffing voor de heer – en negatief omdat de lokale heer een deel van zijn macht kwijtraakte. Omgekeerd boden stadsrechten voor de bewoners van een plaats veelal mogelijkheden voor een positieve lange-termijnontwikkeling.

Stadsmuur van Zwolle

Eerste stadsmuur 1260-1280

Een belangrijke bepaling van het stadsrecht dat Zwolle in 1230 ontving, was dat de bewoners de vrijheid kregen om hun nederzetting te omgeven met grachten, planken en muren. Vermoedelijk was een groot deel van de bewoningskern rond 1260-1280 al volledig ommuurd. Van deze eerste stadsmuur die grotendeels de natuurlijke loop van de dekzandrug zal hebben gevolgd, is slechts één segment bij de Broerenkerk archeologisch opgegraven op een locatie bij Achter de Broeren aan de zuidzijde van de Kleine Aa. Vermoedelijk liep deze stadsmuur vanaf de Kleine Aa over het Rodetorenplein door de Korte Kamperstraat, de Kalverstraat en de Koestraat. Over de wijze waarop de zuid- en de oostzijde van de stad in de dertiende eeuw beschermd was is niets bekend. Mogelijk zal deze ergens in de buurt van de huidige Schoutenstraat en Vijfhoek moeten worden gezocht.

Tweede stadsmuur 1350-1380

Na de standsbrand van 1324 is de stad begonnen met de aanleg van een tweede stadsmuur. In de historische bronnen worden vanaf dat moment ook voor het eerst verdedigingswerken vermeld. Bij de belangrijkste uitvalswegen waren drie hoofdpoorten gebouwd: de Diezerpoort aan het einde van de Diezerstraat (in eerste instantie ter hoogte van de Kleine Aa), de Sassenpoort en de Voorsterpoort (later Kamperpoort) aan het einde van de Kamperstraat. Al deze verdedigingswerken liggen op belangrijke strategische plekken in de stad. Vermoedelijk is de oudste stadsmuur vanaf het begin van de veertiende eeuw ingrijpend aangepast en/of vervangen.

Bouw van diverse toegangspoorten tot Zwolle

De noordgrens werd net als in de periode daarvoor nog steeds gevormd door de Klein Aa. De oostgrens van het laatmiddeleeuwse Zwolle werd vastgelegd door de bouw van de stadsmuur langs de Spoelstraat en de Walstraat tussen de Diezerpoort en de Sassenpoort. Na 1350 komt ook de westgrens prominenter in beeld en bestaat er een Rode Toren (1351), een Voorsterpoort (1364) en een Sassenpoort (1365). Bij de Sassenpoort gaat het om een voorloper van de huidige nog bestaande poort die op een andere plek heeft gelegen. Achter de Broeren, het Rodetorenplein en aan de Korte Kamperstraat zijn resten van deze tweede muur opgegraven. In de huidige bebouwing zijn van deze muur ook nog talloze resten bewaard gebleven. Bekend zijn muurdelen bovengronds en in kelders in huizen aan de Koestraat, Korte Kamperstraat, Walstraat en Spoelstraat. In 1380 is de nieuwe stadsmuur voltooid. Aan de uitvalswegen staan de Kamperpoort, de Diezerpoort en de Sassenpoort. Tegen het geweld van kanonnen die omstreeks deze tijd in gebruik kwamen, waren de poort en de stadsmuren niet bestand. Daarom werd de stad al snel na de bouw van de Sassenpoort, voorzien van een dubbele vestinggracht.

Kruitmakerstoren en Kleine Aa

Ter hoogte van de Plantagekerk stond de zware vierkante Kruitmakers- of Houttoren, die al in 1329 in de bronnen wordt genoemd als de schepenen van de stad deze toren in erfpacht te bewoning geven aan ‘Hillebrand van Baerlo en Berte zijn wijf’. De toren was opgenomen in het stuk stadsmuur dat langs de Spoelstraat liep, daar waar de Kleine Aa de stad bereikte. Dit water stroomde in noordelijke richting verder als stadsgracht langs de veldzijde van de stadsmuur en duikt rond 1350 voor het eerst in historische bronnen op als ‘olde (…) graven’. Met de latere ommuring van het stadsdeel ‘De Smeden’ (1375-1425) en de bouw van een nieuwe noordelijke stadsmuur langs de Thorbeckegracht (1475-1500) kwam de Kleine Aa binnen de stad te liggen. Iets zuidelijker stroomde het riviertje de Grote Aa Zwolle binnen. 

Deel van tweede stadsmuur bewaard

De laatmiddeleeuwse stadsmuur langs de Spoelstraat is over een grote lengte bewaard gebleven, grotendeels ingekapseld in de later tegen de muur gebouwde huizen. In de smalle steeg achter de Plantagekerk, op de begane grond overbouwd, is de veldzijde van de stadsmuur in het zicht. De delen van de muur vormen tegelijkertijd de achtergevels van de huizen aan de Spoelstraat. Met een baksteenformaat van 27-29 x 13/14 x 6/6,5 cm en een tien-lagenmaat van 75-78 cm, is duidelijk dat in deze muur kleinere bakstenen zijn verwerkt dan in de oudste stadsmuur aan de noordzijde. Daar werd namelijk stenen van 30 x 15 x 7 cm gemeten. Hiermee lijkt een latere, (vroeg) veertiende-eeuwse, datering van dit stuk stadsmuur bevestigd te worden. Hoewel de muur tot op verdiepingsniveau bewaard bleef, ontbreken concrete sporen van schietgaten of een weergang.