Direct naar de inhoud.

Groningen

Oudste vermelding Groningen 1040

De prefect van Groningen was oorspronkelijk door de bisschop van Utrecht aangesteld om zijn gebied te beheren. De oudste vermelding van de stad Groningen dateert uit 1040 als keizer Hendrik III een deel van zijn koningsgoed aan het kapittel van het bisdom Utrecht schenkt. Rond deze tijd moet Groningen al een zekere marktfunctie voor de directe omgeving hebben gehad. De bisschop zelf heeft waarschijnlijk eerder al een ander deel van de palts van de keizer gekregen. Bovendien wordt ook het wereldlijke gezag over Drenthe door de keizer aan de bisschop gegeven, Groningen is van oorsprong een Drents dorp. De bisschop heeft daarmee zeggenschap over het dorp gekregen, hoewel de precieze reikwijdte daarvan uit de schaarse bronnen niet heel duidelijk wordt.

Geschiedenis van de prefectenfamilie in de stad Groningen

Bouw van Walburgkerk rond 1100

Het dorp Groningen ontwikkelt zich in de elfde en twaalfde eeuw voorspoedig en krijgt stedelijke kenmerken: het aanleggen van een patroon van keienstraten met bermsloten dat naar de mode van die tijd lijkt te zijn gebaseerd op een Romeins castellum en de bouw van de Sint-Walburgkerk rond 1100 als eigen privékapel, direct naast de oudste parochiekerk van de stad, de Maartenskerk. De Walburgkerk is waarschijnlijk bedoeld als uiting van de bisschoppelijke positie in de stad, maar al in de twaalfde eeuw wordt het recht van de bisschop op de kerk door de Stadjers betwist. De stad komt ook meermalen in opstand tegen de bisschop, waarbij groepen uit de dan nog Friese Ommelanden zich met facties van de stadsbevolking verenigen. De bisschop weet veelal na verloop van tijd zijn positie te bevestigen, maar ziet in dat de afstand van Utrecht tot Groningen te groot is om de stad blijvend te beheersen.

Prefect van Groningen

Vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop

De prefecten van Groningen waren in de middeleeuwen de vertegenwoordigers van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht. Het aanstellen van een prefect of burggraaf in Groningen was waarschijnlijk vooral bedoeld om de afstand tussen Utrecht en Groningen te overbruggen. Hartbert van Bierum (<1100-1150) was domproost van Utrecht tot hij op 24 juli 1139 tot bisschop werd gewijd. Hij vervulde deze functie tot zijn overlijden op 12 november 1150. Volgens de Narracio was Hartbert afkomstig uit ‘Berum’, waarmee vermoedelijk Sexbierum werd bedoeld. Hij was mogelijk een zoon van Rudolf van Bierum/Wierum, die burggraaf van Coevorden en maarschalk van Drenthe was, en een zoon van Rudolf van Bierum, graaf van de gouw Fivelgo, en Sigardis van Coevorden. De graaf van Fivelgo stamde uit het Westfaalse geslacht Werl en uit de hoogadel.

Benoeming van broers 1145

Bisschop Hartbert (1139-1150) probeert zijn positie in het noordelijke deel van zijn gebieden te versterken door het inschakelen van zijn familie. In 1145 benoemt hij zijn broer Leffard tot prefect van Groningen en zijn broer Ludolf wordt kastelein in Coevorden en vertegenwoordigt de bisschop in Drenthe met uitzondering van het Gorecht. Met het kasteel Coevorden in het zuidoosten van Drenthe kreeg Ludolf de controle over de enige weg door het Bourtangermoeras van Drenthe naar het huidige Duitsland. Coevorden was ontstaan op de kruising van de oude heirweg van Stavoren naar Osnabrück met die van Groningen naar Bentheim. Beide functies van prefect van Groningen en kastelein van Coevorden worden erfelijk, waardoor de persoonlijke band tussen bisschop en prefect en bisschop en kastelein na het overlijden van Hartbert verdwijnt. Met name de kastelein van Coevorden streeft naar een eigen positie en weet zich daarbij veelal gesteund door zijn familie in de stad, of als dat beter uitkwam, de tegenstanders van zijn familie. Door deze familiepolitiek werd de kiem gelegd voor het latere verlies van Drenthe voor het prinsbisdom Utrecht. In 1227 leidde dat uiteindelijk tot de slag bij Ane.

Conflicten met de Groninger stadselite

Binnen de stad heeft de prefect een lastige positie. Als vertegenwoordiger van de bisschop is hij gericht naar het zuiden. De stad zelf is echter vooral gericht op de Friese Ommelanden. Voor de Ommelanden is de stad de natuurlijke marktplaats. De Ommelanden zelf hebben geen band met Utrecht, kerkelijk maken zij deel uit van het bisdom Münster, wereldlijk zijn het min of meer onafhankelijke landschappen. Binnen de stad Groningen komt de prefect dan ook al vrij snel in conflict met de stedelijke elite die zichzelf prima in staat acht de stad zelf te besturen. In de dertiende eeuw heeft de prefect verschillende steunpunten buiten de stad aan doorgaande wegen over de Hunze, waar hij borgmannen of ministerialen op zet. Om hun macht te tonen vervingen de Stadjers in de dertiende eeuw op eigen gezag hun aarden landweer door een stenen omwallilng, die overigens net als de voorganger waarschijnlijk aan de kant van de A niet was afgesloten.

Bemoeienis van de Ommelanden

In de kroniek van Bloemhof wordt beschreven hoe groepen uit de Ommelanden zich bemoeien met de machtsstrijd binnen de stad. Daarbij lijkt er een verbond te bestaan tussen de burgerij die zich tegen de prefect verzet en de Friese Ommelanders. In hoeverre de prefect in de dertiende eeuw daadwerkelijk gezag kon uitoefenen binnen de stad is onduidelijk. Bronnen uit deze periode zijn schaars. Er is sprake van een strijd rond het geslacht van de Gelkingen. De stad werd regelmatig belegerd en ingenomen. De Ommelanders eisen het neerhalen van de stadsmuren aan de noordkant van de stad, zodat zij vrij toegang krijgen, de zuidkant mag wel beschermd blijven.

Stedelijke ontwikkeling van Groningen

De groei van Groningen van dorp tot stad in deze periode blijkt uit de stichting van een tweede parochie rond de Der Aa-kerk en de vestiging van twee kloosters, een van de Franciscanen en een van de Dominicanen. Ook het oudste gasthuis, het Pelstergasthuis, stamt uit deze periode. Het wordt voor het eerst genoemd in een pauselijke bul uit 1267. Waar nu het Academiegebouw staat, werden in 1276 en 1284 twee begijnhofjes gesticht: het Vrouwe Menoldaconvent en het Vrouwe Sywen Convent. De verstening van de stad kreeg ook vorm in woonhuizen, waarbij de verstening vaak tot doel had een huis weerbaar te maken. De oudst bewaard gebleven panden stammen uit de dertiende (Calmershuis, Hinckaertshuis) en veertiende eeuw. Deze woontorens rezen destijds op tot 25 meter hoog.

Zelfstandigheid van stad Groningen

In 1310 bepaalt bisschop Gwijde van Avesnes in een geschil tussen de prefect Ludolf van Gronebeke en de stad dat iedereen zich moet neerleggen bij de beslissing van de meerderheid van de raad. Impliciet erkent de bisschop daarmee de zelfstandigheid van de stad én het einde van de zelfstandige positie van de prefecten van Groningen. In het Gorecht weet de prefect zijn positie langer te handhaven, maar in 1392 weet de stad de rechten op het Gorecht in pacht te krijgen van het Domkapittel, waarmee er een einde komt aan de positie van de prefect.

De familie van Seppenrothe

Leffard van Groningen

Zoals vermeld werd Leffard in 1145 door zijn broer Hartbert, bisschop van Utrecht, benoemd tot de eerste van de prefecten van Groningen. Doordat de functie erfelijk was, werd hij in zijn functie opgevolgd door zoon Leffard of Leffert van Groningen (ca. 1114-1178) die prefect van Groningen en heer van Selwerd werd. Omstreeks 1160-1170 huwt de enige dochter van Leffert met de Westfaalse edelman Godschalk van Seppenrothe (ca. 1130-ca. 1177). Deze laatste werd door dit huwelijk de stamvader van de latere burggraven (prefecten) van Groningen en heren van Selwerd tot het midden van de veertiende eeuw. Van Sepperothe vestigt zich op de borg Selwerd, die door zijn schoonvader werd gebouwd. Hier werden drie zoons en twee dochters geboren. Van Seppenrothe en zijn vrouw overleden beide voordat zijn schoonvader stierf. Daardoor brak er na het overlijden van prefect Leffard van Groningen in 1178 een strijd uit tussen Leffards broer Lambert van Peize en Leffards drie kleinzoons Egbert (die de borg Selwerd had gekregen), Rudolf en Menzo van Sepperothe. De bisschop van Utrecht intervenieerde en schonk de prefectuur aan het geslacht Van Groningen – en dus niet aan Van Peize – als een leenbezit voor een bedrag van 300 mark, en wel aan ieder van de drie broers voor een derde deel. Bij hun nageslacht bleef deze driedeling bestaan en het twistpunt had geen nadelige gevolgen voor de interfamiliale relaties.

Egbert I van Groningen

De vermelde Egbert van Sepperothe stond ook bekend als Egbert I van Groningen (ca. 1155-ca. 1240). Hij was stedevoogd, prefect of burggraaf van Groningen namens de Utrechtse bisschop Otto II van Lippe, kreeg in 1223 ruzie met de Gelkingen, een vooraanstaande en rijke Groningse familie. Al in het jaar daarvoor had hij zijn tegenstanders in een hevig gevecht binnen de stad Groningen verslagen. Daarop vroegen zij hulp aan Rudolf van Coevorden, die vervolgens het kasteel van Egbert belegerde. Dit beleg werd opgeheven toen de bisschop naar Groningen kwam. Hij droeg beide partijen op in vrede te leven en zich, op straffe van de dood, rustig te houden. Na het vertrek van de bisschop laaiden de twisten echter opnieuw op. Een burcht die Egbert in Glimmen had laten bouwen, werd in 1226 door Rudolf van Coevorden aangevallen en ingenomen. Egberts hele gezin werd gevangen genomen, zijn burcht werd verwoest en hijzelf werd gedwongen naar Friesland te vluchten.

Belegeringen van Groningen 1227-1232

Met hulp van zijn vrienden trok hij korte tijd later met een aanzienlijke strijdmacht naar Groningen, waar hij de stad met geweld heroverde. Hij versterkte de Sint-Walburg kerk en bereidde zich voor op een nieuwe aanval. Rudolf belegerde de stad opnieuw, maar Egbert verdedigde zich dapper met steun van ridders uit het Sticht Utrecht, totdat bisschop Otto II arriveerde en Rudolf dwong het beleg op te geven. De rust die daarop volgde, was van korte duur. In 1231 nam Egbert deel aan de onlusten tussen de Fivelingoërs en de Hunsingoërs. Hoewel de Fivelingoërs in 1232 tweemaal Groningen belegerden, moesten zij zich uiteindelijk met verlies terugtrekken. Terecht wordt Egbert van ondankbaarheid beschuldigd, want de Fivelingoërs hadden hem eerder geholpen toen hij door de Gelkingen uit de stad was verdreven. Hij lijkt in 1240 te zijn overleden en werd in zijn functie opgevolgd door zijn zoon Rudolf. Zijn twee andere zonen waren Egbert en Godschalk.

Egbert II van Groningen

Nadat zijn broer Rudolf – die hun vader was opgevolgd als prefect van Groningen – in 1241 tijdens de strijd tussen de Gelkingen en de Popelingen tegen het huis van Egbert werd overvallen en gedood, wist Egbert samen met zijn broer Godschalk aan het gevaar te ontkomen. Zij versterkten hun huis (of stins) en behaalden na verschillende gevechten de overwinning op hun vijanden. De woningen van hun tegenstanders werden in brand gestoken, waarbij bijna de hele stad in vlammen opging. Hoewel er enige tijd later, door bemiddeling van de Utrechtse bisschop, vrede werd gesloten tussen Egbert en de Gelkingen, bleven de onderlinge spanningen bestaan. Al snel braken er opnieuw onlusten uit, waarvan het verloop in de vaderlandse geschiedenis wordt beschreven. In 1252 werd Groningen opnieuw overrompeld door ridders die bij het vredesverdrag waren verbannen. Eén van de leiders werd daarbij vermoord. Daarop trokken de Hunsingoërs en Fivelingoërs opnieuw ten strijde tegen Groningen. De verbannen ridders gaven zich uiteindelijk over op genade. Egbert moest zich als gijzelaar beschikbaar stellen. Op zijn erewoord werd hij vrijgelaten, waarna hij met gewapende manschappen naar de stad oprukte. Na vele bloedige gevechten werd hij echter verslagen, gevangengenomen en opgesloten in een toren in Appingedam. Na zes weken werd hij tegen borgtocht vrijgelaten. In 1255 werd hij in zijn functies hersteld en werden de twisten bijgelegd.

De Prefectenhof

De prefect heeft binnen de stad over een eigen steenhuis beschikt. De plaats van dat huis, veelal aangeduid als zijn hof, is lang onzeker geweest. Uit de bronnen blijkt dat het huis al in de veertiende eeuw verdwenen was. Aan het einde van de twintigste eeuw werd de plaats van de prefectenhof vastgesteld bij opgravingen op de plaats van het oude politiebureau, direct ten noorden van de Martinitoren. De fundamenten van een relatief zeer groot steenhuis werden toen blootgelegd. Ter plaatse staat nu de Prefectenhof, waar een aantal diensten van de gemeente Groningen is gevestigd.