Coevorden

Moord op Rudolf
Burggraaf van Coevorden
In 1192 werd Rudolf II in Coevorden geboren als zoon van Folker van Coevorden. Zijn vader was een broer van de zittende burggraaf Rudolf I van Coevorden. Rudolf II was getrouwd met Sophia van Ansen en kreeg met haar drie kinderen: Bertolt, Heino Henrikus en Cyse van Ansen. Na het overlijden van zijn oom Rudolf I werd hij aangesteld als burggraaf van Coevorden en schout van Drenthe. Op 25 juli 1230 vond de moord op Rudolf plaats in het nieuwe bisschoppelijke kasteel te Hardenberg.
Gemarteld en vermoord
Aanvoerder van de Drenten
Rudolf II van Coevorden was aanvoerder van de Drenten bij de slag bij Ane en behaalde hierbij de overwinning op de bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe. De bisschop kwam bij deze slag om het leven. Na de dood van Otto van Lippe werd Wilbrand van Oldenburg tot bisschop gewijd, en ook Wilbrand trok ten strijde tegen de opstandige Drenten, waarbij hij de hulp van de Friezen inriep. Maar ook deze slag, de Fries-Drentse oorlog, werd door de Drenten gewonnen. In een latere slag, bij Peize, werden de Drenten wel verslagen.
In de val met Hendrik van Gravesdorp
Na de slag bij Ane nam de macht van het bisdom Utrecht enorm af en bleven de Stad Groningen en Drenthe lang autonoom, pas in 1588 kwamen Groningen en Drenthe bij de Republiek. In 1229 kreeg Rudolf Coevorden weer in handen. In 1230 werd Rudolf onder valse voorwendselen door de bisschop van Utrecht naar het kasteel van Hardenberg gelokt. Rudolf zag in dat hij op de lange duur geen stand zou houden tegen het grote bisschoppelijke leger en ging in op de uitnodiging. Rudolf begaf zich samen met zijn vriend Hendrik van Gravesdorp (uit Grasdorf in Bentheim) naar Hardenberg. Zijn kans om hier een vrede stichten bleek een hinderlaag. In plaats van naar zijn rang en stand te worden ontvangen, werd hij gevangengenomen en daarna dagen geradbraakt en vermoord op 25 juli 1230. Zijn lichaam werd als waarschuwing op een spies tentoongesteld aan het volk.
Oproep tot Fries-Drentse oorlog
Vervolgens riep Wilbrand de Friezen op om samen met hem tegen de opstandige Drenten te vechten en dit leidde tot de Fries-Drentse oorlog in 1231-1232. Nadat het de Friezen was mislukt, lukte het Wilbrand alsnog zijn doel te bereiken en versloeg hij de Drenten een jaar later bij Peize.
Radbraken
Radbraken of breken op een rad was een martelmethode die gebruikt werd voor publieke terechtstellingen, voornamelijk in Europa. De beul bond de veroordeelde op een wagenwiel, brak zijn ledematen en bracht hem daarna soms ter dood om het lijden te bekorten. De straf was in gebruik van de oudheid tot de vroegmoderne tijd.
In de middeleeuwen was radbraken een onterende straf bedoeld voor de allerzwaarste misdadigers (enkel mannen): vadermoordenaars, verkrachters, verspreiders van dodelijke ziekten. De verminkingen waren bedoeld om wederopstanding te verhinderen.

Breken botten en onthoofding
In de eerste akte werden de ledematen van de veroordeelde gebroken met een ijzeren staaf of een ander zwaar voorwerp. Vervolgens werden de armen en benen van het slachtoffer tussen de spaken van het rad gevouwen, dat boven op een paal werd bevestigd om aan de menigte te worden getoond. Als alle ledematen kapotgeslagen waren, kon een genadeslag op de hartstreek worden gegeven, waardoor de veroordeelde stierf. Dit was doorgaans de negende slag. De genadeslag volgde lang niet altijd. Ook kon de veroordeelde tot slot worden onthoofd, of min of meer levend worden achtergelaten waarna pijn, bloedverlies, dorst en vogels de rest deden.


De 9 slagen
Een andere methode was om de ledematen van de veroordeelde aan latten vast te binden, of op een balk met V-uiteinden. De veroordeelde kreeg de “9 slagen” waarna deze ledematen gebroken werden door er met een ijzeren staaf of hamer op te slaan. Eerst sloeg de beul achtereenvolgens op de onderarmen, bovenarmen, scheenbenen en ten slotte de dijbenen. Dat waren de “8 slagen”. Als de ledematen kapotgeslagen waren, werd het lichaam door de spaken van een rad gevlochten. Het rad met de misdadiger werd vervolgens opgehangen of in zee geworpen. Ook hier geldt dat de genadeslag soms wel en soms niet volgde. Als de negende slag toch kwam, was dat op de borstkas ter hoogte van het hart. Dat was de uiteindelijke genadeklap. Soms gebruikt men deze uitdrukking nog als men iets ergs meemaakt. Dan zegt men: “het was net als een slag op mijn hart”.
