Holthone

Een met bos begroeide hoogte
De buurtschap Holthone, gelegen in de gemeente Gramsbergen, bevindt zich op ongeveer vier kilometer ten zuiden van Coevorden. In het noorden grenst zij aan de provincie Drenthe en in het zuiden aan de buurtschap Anerveen. Het centrale landschappelijke element wordt gevormd door de Holthoneres, een zandige hoogte, waaromheen van oudsher de boerderijen zijn gesitueerd.
Op het eerste gezicht lijkt de naam Holthone te zijn afgeleid van holt (hout) en Ane, wat zou neerkomen op “hout van Ane”. Deze verklaring lijkt aannemelijk, aangezien de bewoners van Ane hout nodig hadden voor bouw en brandstof en het gebied vroeger rijk bebost was. Toch is deze interpretatie waarschijnlijk onjuist. In historische bronnen komt de naam namelijk voor als Holthoen of Olthoen. Het element hoen (uitgesproken als ‘hoon’) betekent ‘hoogte’. De naam duidt dus eerder op een “met bos begroeide hoogte”, een betekenis die goed aansluit bij de feitelijke landschappelijke situatie ter plaatse.
Bewoning vanaf begin veertiende eeuw
Ravens – Scheerseweg 11
Koetsier van de heer van Gramsbergen
De geschiedenis van het erve Ravens in Holthone laat zich reconstrueren als een aaneenschakeling van pachters, eigenaren en generaties boeren die gedurende ruim anderhalve eeuw met dit erf verbonden waren. Reeds in 1680 wordt het erf vermeld als ‘Ravents‘, waarbij vermoedelijk Jan Hindriks als pachter fungeerde. Hij was coutzier van de heer van Gramsbergen en trouwde op 1 mei 1659 met Gesina Roelofzen, een bouwmeid. Uit dit huwelijk werd onder meer een dochter Anna geboren in 1658. In de eerste decennia van de achttiende eeuw komt het erf opnieuw in de bronnen naar voren. In 1720 wordt gesproken van ‘Nieuwhuis, Ravens‘, met een pachter die eveneens Ravents wordt genoemd. Kort daarna, in 1723, verschijnt Roelof op Ravens, waarmee duidelijk wordt dat de naam zich geleidelijk ontwikkelt tot een familienaam die met het erf verbonden blijft. In de loop van de achttiende eeuw treffen we achtereenvolgens Jan Ravens (1748 en 1764) en tegen het einde van de eeuw Albert en Roelof Rave (1795). In 1812 worden meerdere leden van de familie Rave genoemd, waaronder Roelof (geboren 1752), Berent (geboren 1756, later gemeenteraadslid) en Albert (geboren 1775). Een belangrijk document uit deze periode dateert van 15 januari 1720, toen voor de scholtis van Hardenberg een omvangrijke hypotheekakte werd gepasseerd. Hierin worden diverse goederen opgesomd waarop een obligatie rustte, waaronder het goed Nienhuis, ook Ravens genoemd. Dit erf maakte deel uit van een groter geheel van bezittingen, waaronder de havezate De Grote Scheer en diverse katersteden en erven in de omgeving van Holthone. Ravens wordt in deze context genoemd als pachtgoed, wat onderstreept dat het erf onderdeel was van een bredere landadelstructuur waarin pachters en eigenaren nauw met elkaar verweven waren.
Huwelijk met buurmeisje van de Kleine Scheere
De genealogische lijn van de familie Rave begint met Jan Rave, geboren omstreeks 1640, die als landbouwer op Ravens werkzaam was. Zijn zoon Roelof Jansen Rave, geboren rond 1665, zette het bedrijf voort en trouwde met Fenne of Arntien Jansen. Hun zoon Jan Roelofs, gedoopt in 1690 te Gramsbergen, vormt de derde generatie op het erf. Hij huwde in 1744 met Aaltjen Berents van de Kleine Scheer, waarmee een duidelijke verbinding ontstond tussen Ravens en het nabijgelegen erve De (Kleine) Scheer. Dit huwelijk bracht meerdere kinderen voort, waaronder Roelof, Berent, Albert en verschillende dochters, die zich deels door huwelijken met andere families in de regio verspreidden. Roelof Ravens, geboren in 1751, vertegenwoordigt de vierde generatie. Hij trouwde in 1784 met Aaltjen Hermsen Poes uit Lutten. Hun gezin weerspiegelt het typische patroon van een agrarische familie in deze streek: meerdere kinderen, waarvan een deel op het erf bleef, terwijl anderen elders hun bestaan opbouwden. Dochter Aaltjen Raven, geboren in 1785, kreeg een bewogen leven. Zij trouwde met landbouwer Albert Roos, met wie zij meerdere kinderen kreeg. Na zijn overlijden leefde zij verder en kreeg nog een buitenechtelijk kind. Haar kinderen vestigden zich deels in Holthone, Coevorden en omliggende plaatsen, waarmee de familie zich verder over de regio verspreidde. Zo ontvouwt zich rond het erve Ravens niet alleen de geschiedenis van een boerderij, maar ook die van een familie die generaties lang geworteld was in het landschap van Holthone en de wijde omgeving van Coevorden en Gramsbergen.
Blaauwgeerts – Scheerseweg 3
Landbouwer op de Blauwenkamp
Het erve Blaauwgeerts in de buurtschap Holthone kent een lange en gelaagde bewoningsgeschiedenis, die teruggaat tot in de tweede helft van de zeventiende eeuw. De vroegste vermelding betreft Jan Blauw, ook wel aangeduid als Jan senior, die omstreeks 1665 op het erf woonde. Hij was gehuwd met Geesien Jansen en overleed vóór 1668. Zijn weduwe hertrouwde op 3 mei 1668 met Jan Tonnissen. Uit deze periode wordt ook een Jan junior genoemd, mogelijk een zoon, waarvan in 1669 een kind, Tonnis, werd gedoopt. In dezelfde tijd treffen we ook Geerd Jansen aan, beter bekend als ‘Blauwe Geerdt‘, die tussen 1675 en 1688 als landbouwer op de zogeheten Blauwenkamp wordt vermeld. Zijn bijnaam zou uiteindelijk de basis vormen voor de latere erfnaam Blaauwgeerts. Geerd Jansen had meerdere kinderen, onder wie Jan, Lucas en Annegien, die allen in Gramsbergen werden gedoopt. In de decennia daarna ontwikkelt de naam Blaauwgeerts zich tot een vaste aanduiding voor zowel het erf als de bewoners. Rond 1680 wordt een Blauw Geerts genoemd als lidmaat van de kerk, gehuwd met Hermtien Luicassen, met wie hij meerdere kinderen kreeg. In de eerste helft van de achttiende eeuw duiken achtereenvolgens namen op als Hendrick Blauw en Jan Blauw, gevolgd door Hendrik Blauwgeers in 1748. Deze periode markeert een zekere continuïteit in bewoning, waarbij het erf binnen een beperkte kring van families bleef.
De naam Blaauwgeerts wordt gebruikt
Een belangrijk keerpunt vormt het midden van de achttiende eeuw met de komst van Derk Dieters Blaauwgeerts. Hij werd in 1726 in Brucht gedoopt en vestigde zich rond 1752 op het erve Blaauwgeerts. Dat gebeurde na zijn huwelijk met Roelofje Hendriks Blaauwgeerts, weduwe van Roelof Jansen op de Scheere. Door dit huwelijk werd Derk verbonden aan het erf en nam hij de naam Blaauwgeerts aan. Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde hij in 1753 met Geesjen Gerritsen Rademaker, afkomstig uit Holtheme. Het gezin woonde in een netwerk van erven in de directe omgeving, met buren op onder meer het erve Tabernakel en het erve Ramaker, wat wijst op een hechte lokale gemeenschap. In 1748 wordt het erve bewoond door Hendrik Blauwgeers en zijn schoonzoon Roelof, samen met enkele dienstboden. Dit geeft een inkijk in de bedrijfsvoering van het erf, waar meerdere generaties en arbeidskrachten samenwerkten. Na het overlijden van Derk en zijn tweede vrouw, kort vóór februari 1769, moesten voogden worden aangesteld over hun vijf minderjarige kinderen: Roelof, Gerrit, Zwaantien, Egbert en Geesjen. Familieleden en dorpsgenoten namen deze taak op zich, wat kenmerkend is voor de sociale structuren van die tijd.
Een nieuwe pachter op het erve
In hetzelfde jaar 1769 werd ook een huwelijkscontract opgesteld voor Fennegien Roelofs, dochter uit het eerste huwelijk van Roelofje Hendriks, en Roelof Jansen. Dit echtpaar kreeg het bezit van het erve Blaauwgeerts in handen, inclusief de verplichting om de vijf wezen op te voeden en te onderhouden. Daarbij speelde ook de diaconie een rol, die financieel bijdroeg aan de verzorging van het jongste kind. Dit soort regelingen toont hoe zorg, bezit en familiebelangen nauw met elkaar verweven waren. De kinderen van Derk Dieters verspreidden zich later over de regio. Zo werd Roelof Dieters Blaauwgeerts landbouwer in Collendoorn, terwijl Gerrit Derksz Blaauwgeerts zich vestigde onder de naam Seinen. Ook dochters als Geesje, die trouwde met Hendrik Tabernakel, bleven in de omgeving actief. Tot in de negentiende eeuw blijft het erf bewoond door nakomelingen, waaronder Harmen en Adolf Blauwgeerts, waarmee de naam en het erf hun plaats in de lokale geschiedenis behouden.
Stroeve – Scheerseweg 1
Uit tweede helft van de 17e eeuw
In de late zeventiende eeuw treffen we op het erve Stroeven in Holthone Geerdt Struiven aan, wiens gezin zich uitbreidt met onder meer twee zoons, beiden Berent genoemd, gedoopt in 1677 en 1679. In deze periode behoort ook de dienstmeid Swaantje Jansen tot het huishouden, die in 1683 als lidmaat wordt vermeld. In de loop van de achttiende eeuw blijft het erve in gebruik, met namen als Jan op Stroeven (1723) en later de weduwe Jenne Streuven (1748), gevolgd door Derk Stroeven in 1764. Tegen het einde van de eeuw verschijnt Geert Stroeve, ook wel Schutker genoemd, geboren te Holthone en overleden te Gramsbergen, gehuwd met Margaretha Derks. Hun zoon Gerrit Jan Stroeven, rooms-katholiek gedoopt in 1778, zet de lijn voort. Hij trouwt in 1802 te Coevorden met Maria Bruining. Rond 1720 blijkt het erve Stroeven bovendien onderdeel van een groter geheel van bezittingen, verbonden aan havezate De Grote Scheere, waarbij het als pachtgoed wordt genoemd binnen een omvangrijke hypotheekconstructie.
Beltman – Holthonerweg 9
De man op de bult
Het erve Beltman komt in de bronnen vanaf het begin van de achttiende eeuw duidelijk naar voren. In 1720 wordt melding gemaakt van een katerstede ‘daar waar de schulte heeft gewoond‘, die op dat moment wordt gepacht door Belt Jan. Enkele jaren later, in 1723, verschijnt hij opnieuw in de registers, wat wijst op een zekere continuïteit van bewoning en gebruik. In datzelfde jaar 1720 vindt een belangrijke juridische handeling plaats voor het gericht van Hardenberg. Daarbij worden diverse bezittingen, waaronder ook de katerstede van Belt Jan, genoemd als onderpand bij een hypotheekoverdracht. Dit toont aan dat het erf onderdeel was van een groter economisch netwerk van landerijen en boerderijen in de omgeving van Holthone. In de loop van de eeuw zet de naam zich voort. In 1748 wordt Albert Beltman genoemd, ook bekend als Aufm Bült of Klumpers, gehuwd met Hendrina Niemeyers uit Vilsteren. Later volgen vermeldingen van Albert Beldman (1764), H. Beltman (1795) en uiteindelijk Hendrik Belt in 1812, waarmee de bewoningslijn zich voortzet tot in de negentiende eeuw.
Tabernakel – Holthonerweg 22
Een bijzondere naam voor een erve
Het erve Tabernakel in Holthone, tegenwoordig verdwenen, vormt het middelpunt van een familiegeschiedenis die zich over meerdere generaties uitstrekt en een goed beeld geeft van het boerenleven in deze streek in de achttiende en negentiende eeuw. De eerste duidelijke vermelding van het erve dateert uit 1748, wanneer Egbert Tabernakel als bewoner wordt genoemd. Enkele decennia later, in 1764, treffen we Evert Roelofs Tabernakel aan, die de spil zou worden van de verdere familiegeschiedenis. Evert Roelofs, ook wel aangeduid als Cijft, Tabernakel of Tabbers, werd in 1730 gedoopt in Gramsbergen en groeide op ‘op den Kievit‘. In 1758 trad hij in het huwelijk met Hendrikje Hendriks Drenthe, afkomstig uit Holthone. Dit huwelijk vormde de basis voor een omvangrijk gezin. Op het erve Tabernakel werden meerdere kinderen geboren, waaronder Henderk, Roelof (tweemaal, wat wijst op het overlijden van een eerder kind), Annigjen, Grietjen, Jan en Jannes. Zoals gebruikelijk in die tijd bleven de kinderen nauw verbonden met het ouderlijk erf, hetzij als opvolger, hetzij als medebewoner of als deelnemer aan de lokale huwelijks- en erfenisnetwerken.
Een ongehoorzame dochter
Een bijzonder inkijkje in deze familieverhoudingen biedt de huwelijksovereenkomst van zoon Jan Tabbers uit 1795, gesloten voor de schulte van Coevorden. Hierin wordt nauwkeurig vastgelegd hoe de goederen en verantwoordelijkheden verdeeld zouden worden. Jan bracht al zijn bezittingen in het huwelijk, terwijl de familie van zijn bruid, Jannegien Koops, eveneens voorwaarden stelde omtrent de verdeling van erfenissen en de zorg voor ouders en ongehuwde zusters. Opvallend is de passage waarin een dochter wegens ‘verregaande ongehoorzaamheid‘ wordt beperkt tot haar legitieme portie, wat een zeldzaam maar veelzeggend detail is over familiedynamiek en gezagsverhoudingen in die tijd. De belangrijkste voortzetting van het erve lag echter bij zoon Henderk (Hendrik) Tabernakel, geboren in 1759. Hij trouwde in 1794 met Geesjen Derksen Blaauwgeerts, afkomstig van het nabijgelegen landgoed De Scheere. Hun huwelijk werd eveneens omgeven door duidelijke afspraken, waarbij de moeder van de bruidegom een centrale rol bleef spelen. Het echtpaar kreeg het recht op de helft van de boedel, maar moest samen met de moeder een gezamenlijke huishouding voeren zolang zij leefde. Tegelijk werden verplichtingen vastgelegd ten opzichte van broers en zusters, die bij huwelijk of anderszins recht hadden op kleding, een uitzet of inwoning.
Franse Oorlog 1795-1814
Het gezin van Hendrik en Geesjen groeide uit tot een nieuwe generatie Tabbers/Tabernakel. Hun kinderen vestigden zich deels in Holthone en de omliggende plaatsen, zoals Coevorden en Steenwijksmoer. Onder hen was Gerrit Tabbert, geboren in 1813, die als landbouwer het agrarische karakter van de familie voortzette. Via zijn nakomelingen verspreidde de familie zich verder over de regio, waarbij huwelijken met families als Meijer, Prenger en Ter Wijlen nieuwe verbindingen legden binnen het lokale netwerk van boeren en arbeiders. Een klein maar sprekend detail uit deze periode is de vermelding uit 1814, waarin Hendrik Tabbert een bescheiden bedrag ontvangt uit een fonds voor inwoners die door oorlogsomstandigheden getroffen waren. Dit plaatst de familiegeschiedenis in de bredere context van de roerige tijd rond de Franse tijd en de nasleep daarvan. Zo weerspiegelt de geschiedenis van het erve Tabernakel niet alleen de opeenvolging van generaties, maar ook de sociale structuren, economische omstandigheden en familierelaties die het leven in Holthone gedurende meer dan een eeuw hebben bepaald.
Warminck & Klumper – Holthonerweg 7
Een erve uit de 14e eeuw
Erve Warminck kent een lange geschiedenis die teruggaat tot 1325, toen het als ‘Wermync‘ werd vermeld. In de eeuwen daarna verschijnt het onder wisselende namen en bewoners, zoals Albert Wermynck en Johan Warmelingk. In de zestiende en vroege zeventiende eeuw blijft de naam Warminck bestaan, waarna het erf mogelijk overgaat in de boerderij Klumper. Het erve Klumper, gelegen te Holthone, kent een lange geschiedenis die teruggaat tot in de late middeleeuwen. Reeds in 1395 wordt het erf genoemd met Wessel van Holthoen als bewoner, een naam die in de daaropvolgende decennia regelmatig terugkeert in de bronnen. Tot in de vijftiende eeuw blijft het erf verbonden aan de naam ‘toe Holthoen‘, met onder meer Gheert en opnieuw Wessel als gebruikers. Vermoedelijk ontwikkelt deze hofstede zich in de loop van de zestiende eeuw tot het latere erve Klumper, want in 1520 verschijnt voor het eerst de naam Berent Klumper.
De boerderijnaam Klumper
In de zeventiende eeuw is het erf duidelijk gevestigd onder deze naam. Personen als Johan Klumper en verschillende leden van de familie Clumper worden genoemd, waarbij ook doopinschrijvingen van hun kinderen bewaard zijn gebleven. Dit wijst op een gevestigde boerenfamilie die generaties lang op het erf woonde en werkte. De naam komt in verschillende schrijfwijzen voor, zoals Clumper en Klumpers, wat kenmerkend is voor deze periode. In de achttiende eeuw wordt het erve Klumpers genoemd in administratieve en juridische stukken. Zo blijkt uit een akte van 15 januari 1720 dat het erf werd gepacht door Harmen Berents en deel uitmaakte van een groter geheel van bezittingen waarop een hypotheek rustte, verbonden aan de havezate De Grote Scheer. Dit onderstreept de economische samenhang tussen de erven in de streek. Ook in 1731 duikt het erf op in een gerechtelijke kwestie, waarbij beslag werd gelegd op verschuldigde houtgelden. Tot in de negentiende eeuw blijft de familie Klumper aanwezig, met namen als Jacob en Harmen Klumpers, waarmee de continuïteit van bewoning duidelijk zichtbaar is.
Bekman – Holthonerweg 20
Oorspronkelijk het erve Raessink in 14e eeuw
Het erve Bekman kent een lange en gelaagde geschiedenis die teruggaat tot de middeleeuwen. In 1325 wordt het erf nog aangeduid als Raessinc en is het in gebruik bij pachter Herman Stael. In de daaropvolgende eeuwen verandert de naam geleidelijk: via Braicman (1395) en de familie Staelmeijer in de vroege vijftiende eeuw, naar benamingen als ter Beecke en op Beke. Deze laatste verwijzen vermoedelijk naar de ligging bij een beek of natte laagte. Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw raakt de naam Bekman in gebruik, met Geerd Bekeman als bewoner in 1474. Toch blijven oudere namen nog lang in omloop, zoals blijkt uit vermeldingen als Nyemeyer en ter Beecke in de zestiende eeuw. In de zeventiende eeuw wordt het erf aangeduid als Beckmans en is het onder meer in gebruik bij Hendrick Odinck. Rond 1665 woont er Hermen Jansen Beckmans, afkomstig uit ’t Laer, die met zijn vrouw Willemien Geerts een gezin sticht. Hun nakomelingen, waaronder Jan Hermens Beckman, blijven nog decennialang met het erf verbonden. Ook in de late zeventiende en vroege achttiende eeuw blijft de naam Beckman in gebruik, al komt daarnaast de naam Rosinks voor, wat wijst op pachtwisselingen.
Raessink, Rosink en Beltman
Een belangrijke momentopname vormt het jaar 1720, wanneer het erve Rosinks – identiek aan Bekman – wordt genoemd in een uitgebreide hypotheekakte. Hierin wordt het erf, samen met andere goederen in de omgeving van Holthone, als onderpand opgevoerd. Pachter is dan Gerrit Harmens. In de achttiende eeuw blijft het erf in handen van de familie Bekman, met namen als Hermen en Harmen Bekman. Tegen het einde van die eeuw wordt een weduwe Bekmans genoemd, gevolgd door Albert Bekman in 1812. Zo weerspiegelt het erve Bekman eeuwen van continuïteit, naamsverandering en lokale bewoningsgeschiedenis.
Holthoons erve – bij Holthoneres
Familie Stael eigenaar erve Ten Holten
Erve Holthoen kent een vroege vermelding in 1395 met Olde Johan van Olthoen als bewoner. In 1425 verschijnt Kerstken, die ook in 1427, 1429 en 1433 als Kersteken van Holthoen wordt genoemd. In 1445 woont Hermen op het erve, waarna in 1457 Herman to Holthoen als bewoner wordt vermeld. In de late middeleeuwen en de vroege zestiende eeuw vormden de goederen in de buurschap Holthone, gelegen in het kerspel Hardenberg, een belangrijk onderdeel van het regionale bezit van enkele vooraanstaande families. De oorsprong van deze bezittingen gaat terug tot de veertiende eeuw, toen de familie Stael zich in deze streek vestigde en daar een aanzienlijk grondbezit wist op te bouwen. Een belangrijk moment vormt het jaar 1372, toen Herman over de Vecht en diens overleden broer Simon over de A het goed ‘ten Holten‘ verkochten aan Roelof Stael van Coevorden. Deze overdracht, die uitvoerig werd vastgelegd in een oorkonde, betrof een volledig erve met alle daarbij horende rechten, zoals turf, hout, water en weide. Daarmee werd de basis gelegd voor het langdurige bezit van de familie Stael in Holthone en omgeving.
Het Holthoensche erve te Rheeze
In de daaropvolgende decennia breidde deze familie haar positie verder uit. Zo blijkt uit bronnen dat Herman Stael in 1367 beleend werd met het goed Roessinck, mogelijk in ruil voor een ander bezit genaamd Waterhuis. Dit Roessinck, gelegen in Holthone, zou uitgroeien tot een centraal leengoed binnen de familie. Daarnaast bezat de familie Stael ook andere erven in de regio, zoals het latere Beckmans (oorspronkelijk Raessinc of ter Becke) en het erve Schultinck te Ane. Parallel aan deze ontwikkelingen verschijnt in de bronnen ook een ander goed dat later in het proces een belangrijke rol zou spelen: het zogenaamde Holthoensche erve. Dit goed werd in 1379 vermeld als gelegen in het kerspel Hardenberg, maar al kort daarna, in 1382, gecorrigeerd naar het kerspel Heemse, meer specifiek in de buurschap Rheeze. Deze correctie is van groot belang, omdat zij aantoont dat er sprake was van twee verschillende goederen met vergelijkbare namen: enerzijds het Holthoonse goed in Holthone, en anderzijds het Holthoensche erve in Rheeze.
Overgang naar familie Mulert
Aan het einde van de veertiende eeuw werd dit laatste goed meerdere malen overgedragen. In 1390 verkochten Evert van Herst en zijn broer Enghelbert een achtste deel van het Holthoensche erve in Rheeze aan Hillebrant de Bleke. Enkele jaren later, in 1398, bepaalden Hillebrant en zijn vrouw Lutgaert dat dit erve na hun dood zou worden geschonken aan een altaar in de Onze Lieve Vrouwekerk te Zwolle. Hiermee werd het goed onderdeel van een kerkelijke stichting, wat de juridische status verder compliceerde. Terug in Holthone bleef het bezit van de familie Stael gedurende de vijftiende eeuw grotendeels intact. Via huwelijk en vererving gingen deze goederen uiteindelijk over op andere families. Zo blijkt uit genealogische reconstructies dat Nese Stael huwde met Johan van Wullen, waarna hun dochter Feye van Wullen trouwde met Seino Mulert. Met deze laatste verbintenis kwamen de Holthoonse goederen in handen van de Kuinderse familie Mulert.
Een zwaardleen
Rond 1520 werd Seino Mulert officieel beleend met de betreffende goederen, waaronder het belangrijke leengoed Roessinck. Na zijn overlijden bleef zijn weduwe Feye van Wullen het leengoed in bezit houden. Hun zoon Egbert Mulert overleed echter vóór zijn moeder, maar liet een zoon na, eveneens Seino geheten. Deze kleinzoon werd vervolgens de nieuwe leenopvolger. Omdat het hier een zogenaamd zwaardleen betrof – een leenvorm waarbij alleen mannelijke opvolgers gerechtigd waren – viel Susanna Mulert, de zuster van Egbert, buiten de directe leenopvolging. Zij speelde aanvankelijk dan ook geen rol in de opvolgingskwestie. De situatie veranderde echter ingrijpend toen de jonge Seino Mulert zonder nakomelingen overleed. Dit overlijden leidde tot een conflict over de vraag wie recht had op de vrijgevallen goederen. Aan de ene kant stond Wemele Lewe, de moeder van de overleden Seino, die inmiddels hertrouwd was met Egbert Alberda uit Groningen. Aan de andere kant stond Susanna Mulert, de tante van de overledene en daarmee de enige nog levende vertegenwoordiger van de directe familielijn.
Geen leengoed maar allodiaal bezit
De kern van het conflict lag in de juridische status van de betrokken goederen. Susanna ging er haar hele leven van uit dat zowel het erve Roessinck als het Holthoonse goed leengoederen waren. Op basis van die veronderstelling had zij zich nooit actief in de leenopvolging gemengd. In werkelijkheid bleek echter dat het Holthoonse goed geen leengoed was, maar allodiaal bezit – vrij eigendom dus, waarop het gewone erfrecht van toepassing was. Indien Susanna hiervan op de hoogte was geweest, had zij aanspraak kunnen maken op een aanzienlijk deel van de erfenis. Haar onwetendheid hierover leidde ertoe dat zij haar rechten pas laat en via juridische weg probeerde te doen gelden. Het conflict escaleerde en kwam uiteindelijk voor het gerecht in Kampen, waar tussen 1568 en 1569 een uitgebreide procedure werd gevoerd. In deze procedure probeerde Egbert Alberda de goederen aan het leenverband te onttrekken, onder meer door te betogen dat het Holthoonse goed niet in Holthone lag, maar in Rheeze. Daarmee zou het buiten het geschil vallen. Susanna Mulert riep de hulp in van haar leenheer, Arent Sloet van Twee Nijenhuizen bij Vollenhove. Deze trad namens haar op en overhandigde leenbrieven waaruit zou blijken dat het Holthoonse goed daadwerkelijk in het kerspel Hardenberg lag. Het gerecht hechtte groot belang aan deze documenten en verwierp de argumenten van Alberda als ongegrond en zelfs “onbeschaamd”.
Holthoonsche erve in Holthone en Rheeze
Op basis van deze bewijsstukken werd Alberda in het ongelijk gesteld. Wat het gerecht echter niet wist, was dat de door Sloet overgelegde leenbrieven betrekking hadden op het Holthoensche erve in Rheeze en dat daarin eerder een fout was gemaakt in de plaatsaanduiding. Deze fout was al in 1382 gecorrigeerd, maar die correctie werd in het proces niet naar voren gebracht. Dit roept de vraag op of Sloet bewust selectief gebruik heeft gemaakt van de beschikbare bronnen om zijn positie te versterken, of dat hij zelf slachtoffer was van onduidelijke of moeilijk leesbare documenten. Hoe dit ook zij, het resultaat was dat Alberda en zijn partij hun aanspraken grotendeels verloren. Opmerkelijk is bovendien dat het Holthoonse goed in Holthone zelf in geen enkel Utrechts leenregister voorkomt, wat bevestigt dat het geen leengoed was. Daarentegen wordt het ‘halve Holthoonse erf‘ in Rheeze wél regelmatig genoemd, maar dit behoorde toe aan geheel andere families, zoals De Vroede en later Schinckel en Bannier. Uiteindelijk blijft de uitkomst van het conflict in zekere zin onbevredigend. Door het ontbreken van volledige processtukken is niet met zekerheid vast te stellen hoe de goederen definitief zijn verdeeld. Wel is duidelijk dat misverstanden over de aard en ligging van de goederen, gecombineerd met complexe leenrechtelijke regels en mogelijk strategisch gebruik van bronnen, hebben geleid tot een langdurige en geruchtmakende rechtszaak. Deze zaak illustreert daarmee op indringende wijze hoe kwetsbaar middeleeuwse en vroegmoderne eigendomsverhoudingen konden zijn, zeker wanneer schriftelijke bronnen onvolledig, tegenstrijdig of voor meerdere interpretaties vatbaar waren.
Drenten – ten noorden Holthonerweg 18a
Oorspronkelijk het Coenders-erve
De geschiedenis van het erve Drenten (ook wel Coenders genoemd) te Holthone reikt terug tot het begin van de vijftiende eeuw en weerspiegelt een lange continuïteit van bewoning, eigendom en pachtrelaties binnen het platteland van het schoutambt Hardenberg. Reeds in 1433 wordt een zekere Coenraet als bewoner genoemd.
Nieuwe pachter vanaf 1602
In de daaropvolgende decennia blijft het erf verbonden met vermoedelijk dezelfde familie: in 1445 en 1457 treffen we Koert (Coert) ‘to Holthoen‘ aan, en in 1474 Johan Coemtssoen. Tegen het einde van de vijftiende eeuw, in 1490, is Hemick Coenraetssone gebruiker van het erf, waarmee duidelijk wordt dat het geslacht Coenraet/Coenders zich over meerdere generaties heeft gehandhaafd. In 1520 wordt het erf aangeduid als ‘Koenredinck‘, nog steeds gebruikt door Hemick Coenraetssone. In de loop van de zestiende en vroege zeventiende eeuw ontwikkelt de naamgeving zich verder tot Coenders of Coenerts, zoals blijkt uit vermeldingen in 1602 en 1609. Rond deze tijd is het erf eigendom van Johan van Steenwick en staat het volgens het verpondingsregister van 1602 korte tijd leeg. Al spoedig vestigt zich echter een nieuwe pachter: Luicken (Luichgen) Jans Coenders, geboren omstreeks 1580. Hij wordt in 1602 genoemd in het register van impost op paarden, hoornvee en bezaaide landen en blijkt over een bescheiden maar duidelijke agrarische bedrijfsvoering te beschikken, met onder meer vijf paarden en vijf varkens. In 1629 verschijnt hij in het gericht van Coevorden, waar hij samen met een verwant afstand doet van een erfenisaandeel ten gunste van een zwager, een aanwijzing voor de nauwe familiebanden en juridische transacties die het boerenbedrijf omgaven. In de zeventiende eeuw treedt een belangrijke overgang op: het erf komt in handen van de familie Drenten, die haar naam blijvend aan het goed zal verbinden. De eerste duidelijke vertegenwoordiger is Jan Luigiens Drenten (ook genoemd Jan Luyties Coenders), geboren circa 1610. Hij wordt in 1651 vermeld als huurder en meier van het erve Coenders. Uit verschillende gerechtelijke stukken blijkt dat hij betrokken was bij financiële verplichtingen en geschillen, onder meer over leveringen aan de pastorie en schuldverhoudingen met familieleden. Deze bronnen tonen een boerenbedrijf dat niet alleen agrarisch, maar ook juridisch en economisch sterk verweven was met zijn omgeving.
De familie Drenten is pachter
De periode rond 1670–1675 vormt een turbulente fase. Tijdens de oorlogsjaren en de militaire spanningen rond Coevorden werd het platteland zwaar belast door inkwartiering van troepen. Jan Coenders (Drenten) moest bijvoorbeeld in 1668 tientallen paarden van soldaten onderhouden, wat aanzienlijke kosten met zich meebracht. Het vuurstedenregister van 1675 vermeldt dat de buurtschap Holthone grotendeels verwoest was geweest, maar dat het erve Drenten opnieuw was opgebouwd. Ook in 1682 wordt het erf genoemd, waarbij hoge waterstanden de bereikbaarheid bemoeilijkten. Na het overlijden van Jan Luigiens Drenten vóór 1677 wordt zijn zoon Hermen Jansen Drenten (geboren ca. 1650) de nieuwe bewoner. Hij wordt in 1677 als lidmaat van de kerk te Gramsbergen aangenomen en verschijnt in 1682 en 1683 in verschillende administratieve en gerechtelijke stukken als pachter van het erve Coenders. Vermoedelijk had hij een zuster, Grietien, wat wijst op voortzetting van de familie op het erf. In deze periode blijft het erf onderdeel van een groter netwerk van goederen waarop renten en hypotheken rustten.
Magescheid in de familie Drenten
In de achttiende eeuw zet de familie Drenten haar aanwezigheid voort. Hendrik Jansen Drenten, geboren rond 1700, is pachter tot zijn overlijden tussen 1741 en 1748. Zijn weduwe, Griete Jans Pothof, wordt in 1748 in de volkstelling genoemd als hoofd van het huishouden, samen met meerdere kinderen en knechten. Dit wijst op een middelgroot agrarisch bedrijf. In 1764 wordt een magescheid opgemaakt waarin de nalatenschap wordt verdeeld. Hieruit blijkt niet alleen de omvang van het bezit, maar ook de zorgplicht binnen de familie: zoon Jan krijgt het erf, maar moet zijn broers en zusters financieel compenseren en hen in bepaalde omstandigheden onderhouden. Jan Drenten, geboren in 1729, zet het bedrijf voort en trouwt tweemaal, eerst in 1773 met Aaltje Hendriks Odink en later in 1785 met Hendrikje Willems. Hij vertegenwoordigt de overgang naar een nieuwe generatie die het erf tot in de late achttiende eeuw beheert. In 1795 wordt hij nog vermeld, waarna in 1812 zijn zoon Hendrik Drenten (gedoopt 1778) als bewoner verschijnt. Hendrik overlijdt in 1846, waarmee de lange lijn van bewoning door de familie Drenten tot diep in de negentiende eeuw doorloopt. Samenvattend laat de geschiedenis van het erve Drenten een opmerkelijke continuïteit zien: van de vijftiende-eeuwse Coenraet en zijn vermoedelijke nazaten, via de familie Coenders, naar de Drenten die zich vanaf het begin van de zeventiende eeuw blijvend met het erf verbinden. Tegelijkertijd weerspiegelt deze geschiedenis de bredere ontwikkelingen van het platteland rond Holthone: wisselende pachtverhoudingen, juridische transacties, oorlogslasten en familieverbanden die samen het bestaan van een boerenbedrijf over eeuwen heen vormgaven.
Meppele of Kiefte – De Haandrik 6
Oorkondelijk vermeld vanaf 1397
Het erve Ter Meppele, later ook bekend als De Kievit of De Kijft, behoort tot de oudere erven in het gebied rond Holthone en wordt reeds in de late middeleeuwen in de bronnen genoemd. De vroegste vermelding dateert uit 1397, wanneer in een schattingslijst van de bisschop van Utrecht ene Gerd ter Meppele wordt aangeslagen voor een halve oude schild. Daarmee is het erve duidelijk al gevestigd en economisch actief binnen het bisschoppelijk domein. In de vijftiende eeuw duiken meerdere bewoners van het erve in de bronnen op. In 1425 worden Johan en Henric ten Meppele genoemd in het bisschoppelijk archief te Utrecht, waar zij een boete van 8½ gulden betalen wegens een poging tot doodslag. Dit wijst erop dat de bewoners niet alleen agrarisch actief waren, maar ook betrokken konden raken bij lokale conflicten. In latere schattingslijsten verschijnen opnieuw namen: in 1474 wordt Beerndt ter Meppele aangeslagen voor twee oude schilden, en in 1490 betaalt Geert ten Meppell een halve oude schild. Het erve blijft daarmee gedurende de gehele vijftiende eeuw continu bewoond en belastingplichtig. In de vroege 16e eeuw wordt het bedrijfsmatige karakter van het erve duidelijker zichtbaar. In het schattingsregister van 1520 staat vermeld dat Henric ter Meppel zijn tienden afdraagt aan Reijndt van Assewijn. Daarnaast verhuurt hij stukken hooiland en zogenoemde ‘voele landen‘, elk tegen een pacht van één pond. Ook in 1529 draagt hij opnieuw zijn tienden af. Dit wijst op een gemengd agrarisch bedrijf met zowel eigen exploitatie als verpachting van gronden.
Onderdeel van landgoed De Groote Scheere
In de zeventiende eeuw wordt het erve opgenomen in een groter geheel. In 1609 wordt De Meppele samen met de Hillebrantsmaete genoemd als onderdeel van het landgoed De Groote Scheer. Rond het midden van die eeuw woont hier Jann Kijft, van wie tussen 1661 en 1668 meerdere kinderen worden gedoopt: Jann, Geert, Egbert, Roelof en Eva. Deze Eva Jansen Kijft trouwt omstreeks 1690 met Willem Wighbolts, een zoon van Wighbolt Telen en Janna Willems. Daarmee ontstaat een belangrijke familielijn die het verdere verloop van het erve sterk zal bepalen. In de laatste decennia van de zeventiende eeuw vinden er ingrijpende veranderingen plaats. De landheer van De Groote Scheer raakt in financiële problemen, wat leidt tot executieverkoop van goederen, waaronder het erve De Meppele. Op 2 december 1693 wordt een akte gepasseerd voor scholtis Johan Molckenbour te Hardenberg, waarbij het erve in erfkoop wordt overgedragen aan Willem Wighbolts en zijn vrouw Eva Jansen. Nog datzelfde jaar verkopen zij de helft van het erve door aan Gerrit Eghberts Eysinck. Hiermee wordt De Meppele feitelijk in twee delen gesplitst. De eerste helft blijft in handen van Willem Wighbolts en zijn gezin. Na zijn overlijden omstreeks 1700 hertrouwt zijn weduwe Eva Jansen met Derk Derksen. Uit dit tweede huwelijk worden tussen 1701 en 1711 meerdere kinderen geboren. De erfopvolging verloopt echter via Eva’s dochter uit haar eerste huwelijk, Annigjen Willems. Zij trouwt op 26 november 1719 met Roelof Everts uit Ane. Door dit huwelijk ontstaat de latere Kieftlijn te Holtheme en raakt de naam Kijft (of Kieft) verbonden aan het erve. Vanaf dat moment wordt De Meppele steeds vaker aangeduid als erve De Kijft.
Harm Derksen vestigt zich als nieuw pachter 1724
Volgens de volkstelling van 1748 wonen Roelof Cijft en zijn vrouw Anne op het erve, samen met hun jonge kinderen Willem, Evert en Swaantien en een dienstmeid. Hun zoon Willem Kieft zet de lijn voort en weet het bezit verder uit te breiden. In 1766 koopt hij een kwart van de andere helft van het erve, waardoor hij driekwart in handen krijgt. Uiteindelijk weet zijn schoonzoon Jannes Jansen, die later de naam Kieft aanneemt, in 1805 ook het resterende kwart te verwerven. Daarmee wordt het erve na ruim een eeuw van deling weer één geheel. De tweede helft van het erve kent in de achttiende eeuw een meer wisselende bewoningsgeschiedenis. Na de verkoop in 1693 komt dit deel in handen van Gerrit Eghberts Eysinck, die het in 1716 overdraagt aan Herm Peters van Ane en diens vrouw Woltertien Nijenhuis. Vermoedelijk blijven de oorspronkelijke eigenaren nog enige jaren op het erve wonen, maar na 1713 verschijnen in de kerkboeken andere bewoners, zoals Albert Egberts en Berendje Egberts, van wie meerdere kinderen worden gedoopt. Deze familie vertrekt rond 1723 naar Laar, waaruit later de familie Meppelink voortkomt, die zich verder uitbreidt richting Emlichheim en Zuidoost-Drenthe. Omstreeks 1724 vestigt zich Harm Derksen op deze helft van het erve, mogelijk als pachter. Hij en zijn vrouw Hille van Engen vertrekken later naar Anerveen en vervolgens naar Schoonebeek, waar hun nakomelingen als Meppelink verder leven. Deze lijn groeit uit tot een omvangrijke familie in Zuidoost-Drenthe. In 1766 wordt, zoals eerder genoemd, een deel van deze tweede helft verkocht aan Willem Kieft, waarmee de herintegratie van het erve begint. Met de aankoop van het laatste kwart in 1805 door Jannes Kieft komt het gehele erve weer in één hand. Zo ontwikkelt het erve Ter Meppele zich van een middeleeuws belastingplichtig erf tot een gesplitst bezit in de zeventiende en achttiende eeuw, om uiteindelijk weer als eenheid voort te bestaan onder de naam De Kijft. Tegelijk vormt het de oorsprong van meerdere familielijnen, waaronder de Kieft- en Meppelinkfamilies, die zich over de regio en daarbuiten hebben verspreid.
Kleine Scheere – De Hulteweg 20
Een half millenium bewoond door één familie
Erve De Kleine Scheere lag en ligt op een markante plek, ongeveer drie kilometer ten zuidwesten van Coevorden, dicht bij de Kleine of Coevordense Vecht. Aan de overzijde van het riviertje begon Overijssel. Die ligging verklaart waarom de geschiedenis van het erf altijd nauw verweven was met zowel Coevorden als het Overijsselse achterland. Niet alleen bezaten de bewoners geregeld grond aan de overzijde van de Vecht, zij waren ook vaak kerkelijk op Gramsbergen georiënteerd. De naam Scheere zal vermoedelijk samenhangen met een oeverrand, zandige hoogte of afgescheiden stuk land. Dat past goed bij de terreingesteldheid: zowel de Groote als de Kleine Scheere lagen op betrekkelijk hoge, zandige en lemige gronden aan de rand van de natte marsen. De naam is oud. In de Sallandse schattingsregisters komen in de vijftiende eeuw al namen voor als Ecbert ter Schedere, Hermen in der Scheden en Gert of Geert ter Schere. Of al deze personen rechtstreeks met het latere erve De Kleine Scheere verbonden waren, is niet met zekerheid te zeggen, maar zij tonen wel aan dat de naam Ter Scheer al vroeg in deze streek ingeburgerd was. In 1525 duikt een Gerdt van de Schere op in verband met een voorgenomen procedure voor de Etstoel in Rolde, het hoogste Drentse rechtscollege. Waarschijnlijk woonde hij toen op De Kleine Scheere of hield hij er rechten op.
Domeingoed van Karel van Gelre
In 1534 blijkt De Kleine Scheere domeingoed te zijn. De toenmalige landsheer van Drenthe, Karel van Gelre, gaf het erf op 18 mei van dat jaar in leen aan Rolof van Lennep Wolterssoon, als beloning voor trouwe dienst. Daarmee kwam het erf formeel terecht in de sfeer van de regionale adel. Dat was niet verwonderlijk, want Rolof van Lennep was via zijn moeder Mechteld van Steenwijck verbonden met de familie Van Steenwijck van de Groote Scheere. Zo werd de oude band tussen de Groote en de Kleine Scheere nog eens bevestigd. Het erf werd in de leenbrief zeer uitvoerig omschreven, met bouwland, hooimaten, stukken marsland en percelen als de Grote Hoymaet, de Haverbrinck, de Grijtemaet en de Lutke Scherinck Statstede. Uit die beschrijving blijkt hoe waardevol het complex was: niet alleen een boerderij met huis en hof, maar een samenhangend agrarisch bezit met bouwland, hooiland en rechten in het omliggende landschap. Van Lennep heeft echter niet lang van dit leen genoten. In 1536 gingen de vroegere bisschoppelijke goederen van Coevorden over op keizer Karel V. Vanaf dat moment werd De Kleine Scheere door de rentmeester van de Drentse domeinen verpacht. In 1538 werd Geerdt ter Scheer pachter van het erf. Waarschijnlijk gaat het om dezelfde man die al in 1525 genoemd werd. In 1539 wordt een Greethe ter Scheer als meier genoemd, in 1540 een Brechte ter Scheer, en van 1541 tot 1547 opnieuw een Geerdt ter Scheer. Vermoedelijk gaat het hierbij om twee generaties binnen dezelfde familie. De pacht werd in natura opgebracht: in 1542/1543 moest Geryt ter Scheer voor het erf tien mud rogge, twaalf mud gerst, vier mud haver en twintig ganzen leveren; in een rekening van 1545 is eveneens sprake van vier mud haver, twaalf mud gerst en twintig ganzen. Zulke cijfers geven een goed beeld van de economische omvang van het bedrijf. In 1547 benoemde keizer Karel V echter Hendrik van Besten uit het graafschap Bentheim tot pachter van Lutteke Scheer. Geerdt ter Scheer zal toen vermoedelijk als onderpachter of meier zijn gebleven. Hendrik van Besten behoorde tot de regionale adel en had banden in Bentheim, Laar, Emlichheim en omstreken. Mogelijk was zijn benoeming een politieke beloning, al blijft dat gissen. Voor de familie Ter Scheer betekende dit in elk geval dat zij wel op het erf bleven, maar niet langer de formele hoofdpositie innamen.
Te lijden van oorlogssituatie
In de tweede helft van de zestiende eeuw werd het leven op De Kleine Scheere zwaar getroffen door de oorlogsomstandigheden rond Coevorden. Onder Filips II kwamen de Drentse domeinen uiteindelijk aan het Landschap Drenthe, maar nog vóór die overgang had de Tachtigjarige Oorlog diepe sporen nagelaten. In 1595 noteerde de rentmeester van de domeinen over het erf Ter Lutkerscheer dat het huis ‘mette belegering gansch weggesleten‘, de hof afgehouwen en het land met schansen vergraven was, zodat het resterende land nog geheel leeg lag. Dat wijst vrijwel zeker op de gevolgen van het beleg van Coevorden in 1592. Prins Maurits had toen zijn hoofdkwartier op de Groote Scheere. Vermoedelijk lag De Kleine Scheere binnen of vlak bij de verdedigingswerken die rondom dat hoofdkwartier werden aangelegd. Toen in 1597 een nieuwe verpachting plaatsvond, werd De Kleine Scheere toegewezen aan jonkheer Johan van Steenwijck ter Groote Scheere. De pacht werd de eerste jaren laag gehouden, omdat het erf verwoest en de behuizing gebroken en verbrand was. Toch kwam het herstel langzaam op gang. Een veetelling van omstreeks 1600 vermeldt op De Kleine Scheere zeventien oude runderen, zes jonge runderen, vijf paarden en achtendertig varkens. Dat laat zien dat het bedrijf, ondanks de oorlogsschade, opnieuw tot een aanzienlijk boerenbedrijf uitgroeide.
De Lutteke of Kleine Scheere
De familie Van der Scheer bleef in deze tijd op de boerderij aanwezig. Waarschijnlijk liep de lijn van Geerdt ter Scheer via een jongere Geerdt en een Hendrik ter Scheer naar Geert Hendriks van der Scheer ten Holte, geboren omstreeks 1575. Met zijn vrouw Stijntje Berents zal hij de ouders zijn geweest van Berent Geertsen op de Lutteke of Kleine Scheer, geboren omstreeks 1605. Met Berent wordt de familiegeschiedenis op het erf veel concreter. Vanaf 1632 komen Berent Geertsen en zijn vrouw Aeltien duidelijk als bewoners naar voren. Zij pachtten het erf en breidden daarnaast hun eigen bezit uit. In 1634 kochten zij een halve hoeve hooiland bij de Kleine Scheere; in 1648 volgde opnieuw aankoop van hooiland en turfland. Ook uit de grondschattingsregisters van 1642, 1646 en 1650 blijkt dat Berent op de Lutteke Scheer niet alleen domeinland gebruikte, maar daarnaast eigen land en gehuurde percelen bezat. Het bedrijf omvatte bouwland, hooiland, een waterhuisrecht en een huis met hooiberg. Deze jaren waren echter niet zonder conflicten. In 1644 zei Johan Godfried van Ensse, de toenmalige pachtheer, Berent de pacht op, vermoedelijk wegens onenigheid, maar Berent bleef uiteindelijk op het erf. In 1651 ontstond een geschil over het turfsteken: de mensen van Coevorden betwistten het recht van de meier op turfwinning en gooiden gestoken turf weer in het water. Pachtheer Van Ensse moest zich daarom tot Drost en Gedeputeerden wenden om duidelijkheid te vragen over de veenrechten van De Kleine Scheere. Zulke voorvallen maken duidelijk hoe kwetsbaar het bestaan van een meier kon zijn, zelfs op een oud en aanzienlijk erf. In 1653 kwam een nieuwe wending. Het Landschap Drenthe verkocht De Kleine Scheere aan Johan Godfried van Ensse voor 2.900 daalders. Daarmee hield het erf op domeingoed te zijn. Bij die verkoop bestond het bezit uit twaalf mudden bouwland, zes dagwerken hooiland en twaalf dagwerken marsland; het boerenhuis was zeven gebinten lang en negentien voet breed. Berent Geertsen bleef als pachter op de boerderij wonen, maar nu onder een particuliere heer. Zijn nageslacht zou er tot op heden blijven, eerst als pachters en later als eigenaars.
Lokale bekendheid: Wibbe op de Scheere
Na Berent kwam zijn zoon Evert Berents van de Kleine Scheer op het erf, gehuwd met Wibbe Egberts uit de Meene. Evert overleed omstreeks 1691, waarna Wibbe als weduwe de boerderij met haar kinderen voortzette. Zij groeide uit tot een bekende figuur in de omgeving, ‘Wibbe op de Scheere‘. In 1704 behoorde zij zelfs tot de klagers tegen de commandeur van Coevorden, omdat deze haar zou hebben gedwongen tot allerlei leveranties. In 1718 verkocht zij nog een stuk veen aan haar dochter Anna Everts en schoonzoon Roelof Alberts. Wibbe overleed in 1720. Hun zoon Berent Everts van de Kleine Scheer zette het bedrijf voort. Hij huwde in 1713 Harmtien Jansen Beckmans uit Holthone. Onder hun beheer nam de welstand toe. Zij kochten opnieuw grond aan, en in 1748 blijkt Berent zo welvarend dat hij twee dienstmaagden en een knecht in dienst had. Daarna volgde hun zoon Evert Berents van der Scheer, gedoopt in 1720, gehuwd met Geertien Lucas Lamberts. In hun tijd kwam de beslissende stap: de overgang van pacht naar eigendom.
Familie Van der Scheere koopt erve 1772
De familie Van Ensse was in financiële moeilijkheden geraakt, en via een magescheid was De Kleine Scheere uiteindelijk in handen gekomen van de familie Bentinck tot Langewische en Wolda. Ook die familie kreeg in de achttiende eeuw schuldenproblemen. Joachim baron van Bentinck verkocht daarom op 8 december 1772 De Kleine Scheere aan Evert van der Scheer en Geertien Lamberts. De koopprijs bedroeg ƒ 6.400, een hoog bedrag voor die tijd. Een deel werd verrekend via bestaande hypotheken en gerechtelijke obligaties; het resterende bedrag werd in 1773 voldaan, waarna op 20 september 1773 de definitieve overschrijving plaatsvond. Daarmee werd een eeuwenlange ontwikkeling voltooid: de familie die sinds de zestiende eeuw als meier op De Kleine Scheere had gewoond, werd nu eigenaar van het erf. Zo ontwikkelde De Kleine Scheere zich van een laatmiddeleeuws erf op een hoge zandige rand bij de Vecht, via domeingoed en adellijk pachtgoed, tot een familiebezit van de Van der Scheers. Oorlog, verwoesting, pacht, veenconflicten en schuldenlast van heren gingen aan het erf voorbij, maar de familie wist stand te houden. Juist daarin schuilt de betekenis van De Kleine Scheere: niet alleen als oud boerengoed bij Coevorden, maar als voorbeeld van opmerkelijke continuïteit in bewoning en bezit.
Ten Holte – De Hulteweg 7
Onderdeel van bisschoppelijk goederencomplex
Het erve Ten Holte behoort tot de oudere agrarische erven in de omgeving van Coevorden en komt reeds in de zestiende eeuw duidelijk in de bronnen naar voren. In 1546 wordt het genoemd in een overzicht van inkomsten van de bisschop van Utrecht in Drenthe. In deze lijst van pachten, tienden en andere opbrengsten verschijnt Ten Holte onder de ‘andere verscheiden inkomsten‘, samen met omliggende landerijen zoals hooilanden, maden en percelen tussen de Scheere en het erve zelf. Dit wijst erop dat het erve toen al deel uitmaakte van een groter complex van bisschoppelijke goederen rond Coevorden. In de vroege zeventiende eeuw wordt het erve concreter zichtbaar in de archieven. Rond 1630 blijkt het in bezit te zijn van de familie Van Ensse, verbonden aan de havezate De Groote Scheere. Het grondschattingsregister van dat jaar vermeldt dat rentmeester Caspar Benninck het erve aangeeft namens de kinderen van juffer Anna van Steenwijck. Opvallend is dat een deel van het bouwland in Salland ligt, terwijl het huis en een deel van het land onder de heerlijkheid Coevorden vallen. Dit illustreert de grensoverschrijdende ligging van het bezit, een kenmerk dat vaker voorkomt in deze regio.
Pachters van de familie Van Ensse
In dezelfde periode treden de eerste bekende bewoners naar voren. In 1634 kopen Geert ten Holte en zijn vrouw Swaene een helft van een stuk hooiland bij de Kleine Scheere, grenzend aan hun erve. Deze aankoop bevestigt hun positie als gevestigde gebruikers van het land. Geert overlijdt vermoedelijk vóór 1642, waarna zijn weduwe Swaene nog lange tijd in de bronnen voorkomt, onder meer in het haardstedenregister van 1650 en later in het grondschattingsregister van 1703. Zij vertegenwoordigt daarmee een continuïteit van bewoning op het erve. Parallel aan deze familiegeschiedenis verschijnt midden zeventiende eeuw een andere belangrijke figuur: Marie ten Holte. Zij is meierse op het erve en pacht het land van de Van Ensse’s. Uit de grondschattingsregisters van 1642, 1646 en 1650 blijkt dat het bedrijf toen een aanzienlijke omvang had, met zeven tot negen mud bouwland, circa negen dagwerken hooiland, een aandeel in de meent en een gerechtigheid van een waterhuis. Daarnaast bestonden er een huis van zes gebinten en een schuur van vier gebinten. De jaarlijkse pachtopbrengsten van het waterhuis, zoals vermeld in de pachtboeken tussen 1618 en 1649, tonen dat het erve ook economisch verweven was met de waterstaatkundige infrastructuur rond Coevorden.
Ten Holte: van boeren naar bestuurders
De familie Ten Holte zelf ontwikkelt zich in deze periode verder. Stamvader Wolter Holt, geboren rond 1580, vormt het beginpunt van een uitgebreide familie. Zijn zonen en nakomelingen verspreiden zich over de regio en vervullen uiteenlopende rollen, variërend van boeren tot bestuurders. Zo wordt Hendrik Holt schulte van het kerspel Hardenberg en treden andere familieleden op als pachters en gebruikers van het erve. Geert ten Holte en zijn nakomelingen blijven nauw verbonden met het bezit, terwijl andere takken zich vestigen in Hardenberg, Gramsbergen en omliggende gebieden. In de tweede helft van de zeventiende eeuw verandert de juridische positie van het erve. In 1684 wordt het tweemaal genoemd in akten waarin het als onderpand dient bij financiële transacties van de familie Van Ensse. Het erve wordt daarbij verhypothekeerd ten behoeve van schulden en garanties rond andere goederen, zoals het goed Tepperich in het ambt Voorst. Deze handelingen tonen dat Ten Holte niet alleen een agrarisch bedrijf was, maar ook een waardevol bezit binnen het netwerk van adellijke landgoederen.
Familie Slingenberg vestigt zich op Ten Holte
In de vroege achttiende eeuw blijft het erve functioneren binnen hetzelfde economische systeem. Registers uit 1703 en 1711–1727 geven een gedetailleerd beeld van de verdeling van gronden in het Holterland, inclusief percelen in bezit van nazaten en verwanten. Tegelijkertijd vinden er transacties plaats waarbij delen van het land worden verkocht, zoals in 1721, wanneer hooiland wordt overgedragen aan buren op de Kleine Scheere. Deze verkopen illustreren een geleidelijke versnippering van het grondbezit. Een nieuwe fase van stabiliteit begint rond 1750, wanneer Berent Everts Slingenberg zich op het erve vestigt. Zijn familie blijft er meer dan een eeuw wonen. Deze langdurige bewoning wijst op een periode van relatieve rust en continuïteit, waarin het erve als familiebedrijf wordt voortgezet. In 1858 komt hier een einde aan wanneer Berend Jan Hulter overlijdt. Zijn zoon Jan Harm Hulter vertrekt, waarna het erve wordt verpacht en later verkocht. De negentiende eeuw brengt ingrijpende veranderingen. Nieuwe eigenaren en pachters volgen elkaar op, waaronder de familie Kloekhorst en later Stroeve. Tegelijkertijd wordt het erf aangepast aan moderne landbouw en infrastructuur. In 1875 worden oude schuren gesloopt en vervangen door een grotere schuur, gevolgd door verbouwingen van de boerderij in 1882. De aanleg van een bakhuis en latere kadastrale wijzigingen tonen een voortdurende ontwikkeling van het erf. In de twintigste eeuw verandert ook het landschap rond Ten Holte. De kanalisatie van de Kleine Vecht in 1925 leidt tot herverkaveling en samenvoeging van percelen. Na 1967, wanneer een lid van de familie Stroeve overlijdt, wordt een nieuwe woning gebouwd en krijgt het erf een modernere indeling. Met de aanleg van de Hulterweg krijgt het erve uiteindelijk zijn huidige adres. Zo ontwikkelt het erve Ten Holte zich van een bisschoppelijk inkomstenobject in de zestiende eeuw tot een modern agrarisch erf, waarbij eeuwen van bewoning, familiegeschiedenis en landschappelijke veranderingen samenkomen in één continu verhaal.

Kleinjan – Holthonerweg 18
Erve Kleinjan wordt al in 1325 vermeld als Wychmannyncs. In 1395 is Gosen to Holthoen er eigenaar, gevolgd door Egbert Wychmanning (1425–1433). In de 15e eeuw komen namen voor als Geryt Wychmaning (1445) en Volker Wygmyng (1457), later Volckershuys (1490). In de zestiende en zeventiende eeuw zet de lijn Volckers zich voort. Vanaf 1665 verschijnt Klein Jan, met nakomelingen tot in de acbttiende eeuw. In 1812 wordt Willem Kleijan als bewoner genoemd.


Bosman – Holthonerweg 14
Het erve Bosman bij Holthone komt rond 1700 in beeld met Geert Bosmans, van wie een dochter Jennigje in 1698 wordt gedoopt. In 1720 wordt de plaats, gelegen achter het Holthoner Bos, gepacht door Roelof Berents, die in 1723 wordt genoemd als ‘Roelef in ’t Bos‘. In datzelfde jaar verschijnt voor het gerecht van Hardenberg een akte waarin deze plek expliciet wordt vermeld als onderdeel van een groter geheel van onderpanden. Later zien we het erf terug bij Jan Bosman in 1764 en H. Bosman in 1795. In 1812 woont er vermoedelijk Hendrik Hermanus Bosch, die in 1798 trouwt met Johanna Hermina Klumpers uit Holthone.
