Steenwijk

Stamvader Coenraad van der Goer
Het geslacht De Vos van Steenwijk behoort tot de oudste inheemse adellijke families van Drenthe en is een van de weinige die tot op heden zijn blijven voortbestaan. De oorsprong van deze familie ligt in de dertiende eeuw en hangt nauw samen met het gebied rond Steenwijk en de machtsverhoudingen binnen het Sticht Utrecht. De oudst bekende voorvader is Coenraad van der Goer, die rond 1200 werd geboren als zoon van Hendrik van Steenwijck van Oric en Eyese van Oosterwolde. Hij vond de dood op 28 juli 1227 tijdens de Slag bij Ane, een beslissend conflict tussen de bisschop van Utrecht en de Drenten. Zijn zoon Henric Papinc van der Goer, geboren in 1225 te Steenwijk en gehuwd met Swaneke, zette de familie voort.
Eén van de oudste inheemse adellijke families van Drenthe
De Goere bij Steenwijk
In de volgende generatie werd Herdradus van der Goer de vader van Coenraad van der Goer, die omstreeks 1290 werd geboren. Deze Coenraad is de eerste van wie een duidelijke historische vermelding bestaat: in 1318 wordt hij genoemd als eigenaar van omvangrijke allodiale goederen – dus vrij bezit – in en rond Steenwijk en bij Kampen. Hij bezat onder meer de Coenraetshof en de Coenraetsmaete. Zijn naam verwijst naar het gebied ‘De Goere‘, een laaggelegen of moerassig terrein nabij Steenwijk. Het leven van Coenraad speelde zich af in een tijd van politieke onrust. Steenwijk kwam tijdelijk in handen van Friese partijen, terwijl in Drenthe de invloed van de bisschop van Utrecht afnam. Getrouwen van de bisschop werden verdreven en hun bezittingen verbeurd verklaard. In deze turbulente omstandigheden wist Coenraad zijn positie als grootgrondbezitter te behouden. Uit zijn nageslacht kwamen drie zonen voort. Een van hen, Johan van Steenwijc, wordt in de bronnen aangeduid als ‘dictus Vos’. Hij is de stamvader van het latere geslacht De Vos van Steenwijk. Zijn broer Roelof, die ambtman van Drenthe werd, zette een andere familietak voort onder de naam Van Steenwijk.
Johan de Vos van Steenwijk
Johan de Vos van Steenwijk werd in 1335 geboren als zoon van Coenraad van der Goer en Hadewich Cyses van Ansen. Volgens overlevering kreeg hij de bijnaam ‘Vos‘ vanwege zijn rode haar, een naam die door zijn nakomelingen werd behouden. In 1354 trad hij in het huwelijk met Hadewich van Ansen, geboren in 1338 als dochter van Berthold van Ansen en Elsabe. Reeds in de veertiende eeuw bezat Johan aanzienlijke goederen in Dwingeloo. De familie verwierf daar belangrijke havezaten, waaronder Batinge, Ansen en Havixhorst, waarmee zij deel ging uitmaken van de Drentse ridderschap en een prominente positie innam binnen de regionale adel. Een belangrijk moment in het leven van Johan en zijn vrouw vond plaats in 1388. In dat jaar stichtten zij een memorie in het Convent van Assen ter nagedachtenis aan heer Alef, voormalig pastoor te Rolde. Voor het zieleheil van deze geestelijke schonken zij een stuk land, de Steenakker op de Balloër Esch, aan het convent. Uit Johan de Vos van Steenwijk ontwikkelde zich het geslacht De Vos van Steenwijk zoals dat tot op heden bekend is: een oud-adellijke familie met diepe wortels in Drenthe en Overijssel, ontstaan uit een combinatie van grondbezit, strategische huwelijken en een sterke positie binnen de middeleeuwse regionale machtsstructuren.
Afstamming uit geslacht Van Kuinre
Het geslacht van Norch
Hendrik van Steenwijck, geboren rond 1180, stamde uit het geslacht van de heren van Kuinre, ook wel aangeduid als het geslacht Van Norch. Hij was een zoon van Hendrik van Kuinre van Norch en een moeder uit het Groningse geslacht Van Sepperothe. Zijn grootvader was Hendrik van Cunre van Urk. Deze familie behoorde tot de regionale elite en speelde een belangrijke rol in het machtsgebied langs de noordelijke en oostelijke grenzen van het Sticht Utrecht. Aan het einde van de twaalfde eeuw trad Hendrik, bijgenaamd ‘de Crane‘, op de voorgrond. Hij gedroeg zich als een soort graaf in het kustgebied langs de zuidrand van Friesland. Hij was borggraaf van de Kuinder en vermoedelijk ook verbonden aan Urk en Emmeloord (Emelweerd), gebieden die als leen onder het gezag van de bisschop van Utrecht vielen. Deze bisschop had, samen met de graaf van Holland, de grafelijke rechten verworven over het gebied tussen het Vlie en de Lauwers.
De graven van Holland
Rond het einde van de twaalfde eeuw ontstonden spanningen binnen het Hollandse grafelijke huis. Willem van Holland, later bekend als Willem zonder Land, keerde terug van een tocht naar Palestina en ontdekte dat zijn erfgoed verdeeld was. Met bemiddeling van zijn oom Boudewijn, bisschop van Utrecht, kreeg hij Friesland toegewezen. Willem wist vervolgens Hendrik de Crane te verdrijven uit gebieden die deze zich had toegeëigend en liet een versterkt slot bouwen bij Oosterzee om zijn positie te consolideren. De machtsstrijd bereikte een hoogtepunt omstreeks 1196. Volgens de Annales Egmondenses nam Hendrik van Kuinre Willem van Holland gevangen op het slot ter Horst. Willem was daar uitgenodigd door zijn broer Dirk van Holland. Tijdens een maaltijd werd hij, onder Dirks ogen, door Hendrik overmeesterd. Vermoedelijk handelde Hendrik in opdracht van Dirk, die zich verzette tegen Willems steun aan graaf Otto van Gelre.
Herstel positie Hendrik de Crane
Na deze conflicten wist Hendrik zijn positie deels te herstellen. In 1204 kreeg hij zijn bezittingen en rechten terug, waaronder de borg te Kuinre en de bijbehorende heerlijkheden, die hem eerder door Willem waren ontnomen. In de daaropvolgende periode bleven de heren van Kuinre een opvallende rol spelen. Zij waren weliswaar ridders, maar stonden ook bekend om hun harde optreden tegen handelaren, vooral uit de Hanze. Langs de rivier de Kuinder (Tjonger) bouwden zij rond 1200 een eerste burcht. Door de uitbreiding van de Zuiderzee moest deze worden opgegeven, waarna verder landinwaarts een nieuw kasteel werd gebouwd. Archeologische vondsten in de Noordoostpolder bevestigen deze geschiedenis. Resten van fundamenten, wapens en gebruiksvoorwerpen zijn teruggevonden, evenals wrakken van koggeschepen. Deze schepen getuigen van de intensieve handel in die tijd, maar ook van de risico’s: zowel door natuurgeweld als door het optreden van machthebbers zoals de heren van Kuinre, die zich geregeld met roof en losgeld verrijkten.
Overijsselse banden
Albert van Steenwijk tot de Scheer
Met Albert van Steenwijk tot de Scheer treedt de familie Van Steenwijk duidelijk naar voren in de Overijsselse geschiedenis. In 1484 werd hij door de landsheer, de bisschop van Utrecht, opgeroepen voor de klaring te Kampen van 28 juli. Tijdens deze bijeenkomst werd in hoogste instantie recht gesproken, waarbij de bisschop werd bijgestaan door vertegenwoordigers van de Overijsselse steden en de ridderschappen van Salland, Twente en het Land van Vollenhove. Albert, die in 1485 overleed, was een zoon van Arend van Steenwijk en Femme van Ansen. Zijn huwelijk met de rijke erfdochter Johanna van Selwerd betekende een belangrijke uitbreiding van het familiebezit. Door dit huwelijk verkreeg hij aanzienlijke goederen rond Hardenberg, nabij Coevorden in Drenthe en Emlichheim in het graafschap Bentheim.
Afsplitsing van de tak Ansen
Deze familietak had zich afgesplitst van de oudere tak Ansen en voerde voortaan uitsluitend de naam ‘van Steenwijk’, zonder de toevoeging ‘de Vos’. De lijn ‘tot de Scheer‘ bleef bestaan tot het overlijden van Johan van Steenwijk in 1610, waarmee deze tak uitstierf. De havezate De Scheer, ook wel de Grote Scheer genoemd, ging vervolgens via zijn dochter Anna van Steenwijk over op de familie Van Ensse. Uit deze lijn ontstond nog de tak Bonkenhave in het Land van Vollenhove. Deze tak eindigde met Johan van Steenwijk tot Bonkenhave, die op 14 januari 1681 overleed en werd begraven in de Grote Kerk van Vollenhove. Het bezit Bonkenhave vererfde daarna aan de familie Gansneb genaamd Tengnagel. Van deze latere bezitters zijn in de relevante archieven geen stukken bewaard gebleven.

De familie van Steenwijk tot Entinge
Parallel aan de tak tot de Scheer ontwikkelde zich een andere lijn binnen de familie. Roelof de Vos van Steenwijk tot Entinge werd op 19 juli 1492 verschreven op de klaring te Vollenhove. Hij was al in 1489 benoemd tot maarschalk van David van Bourgondië, destijds bisschop van Utrecht en landsheer van Overijssel. Roelof was een zoon van Roelof de Vos van Steenwijk en Hille van Ittersum, en een kleinzoon van Hendrik de Vos van Steenwijk en Mette van Geesteren, die tot de tak Ansen behoorden. Hoewel hij gehuwd was met de Overijsselse Jutte Mulert, die via haar moeder rechten in het Land van Vollenhove kon doen gelden, lijkt het waarschijnlijk dat zijn aanwezigheid op de klaring eerder voortkwam uit zijn functie binnen de bisschoppelijke entourage dan uit ridderschappelijke rechten. Mogelijk werd hij ook verschreven op basis van zijn bezittingen in Drenthe, dat destijds evenals Overijssel deel uitmaakte van het Oversticht.


Toelating Ridderschap van Overijssel
Met Coert de Vos van Steenwijk verschijnt vervolgens het eerste duidelijk Overijsselse lid van de familie. Als zoon van Hendrik de Vos van Steenwijk en Evertrje Kruse behoorde hij tot de tak Ansen. Hij werd op 17 juni 1531 als riddermatige toegelaten tot de landdag van de Overijsselse Staten. Zijn huwelijk met Johanna van Isselmuden bevestigde zijn positie binnen de regionale elite. Van hem en zijn directe voorgeslacht zijn bovendien archiefstukken bewaard gebleven, waardoor deze lijn beter gedocumenteerd is dan de voorgaande generaties.
