Buurtschap Veenhuizen

Gesticht vóór 1252
Het Venehus bij Dalen wordt samen met het huis Pathuis voor het eerst vermeld in 1252. Op 22 juli 1312 vermeldt bisschop Guido van Utrecht in een zogenaamde vidimus-brief – waarmee hij aangeeft dat hij het origineel heeft gezien – dat één zijn voorgangers, bisschop Henric van Utrecht, in maart 1252 het klooster met haar personen en goederen, en met de twee woningen Pathusen en Venehusen bij Coevorden gelegen, met alles wat daarbij hoort, onder zijn hoede en bescherming neemt. Al op 22 juli 1276 wordt een strijd tussen het klooster uit Assen en de eigenerfden van Dalen over het veen tussen Venehus en Pathhus bijgelegd door tussenkomst van de burggraaf van Coevorden. Uit het huis Venehus (‘de domo dicta Venehus’) moeten jaarlijks drie jonge hanen worden geleverd aan het kasteel van Coevorden. Als wederdienst mag het convent haar vee van de Venehusen, zoals dat totdien gebruikelijk was geweest, weiden in de Coevorder marke, mits er geen schade werd aangebracht aan het gezaaide. Wel moet het convent te allen tijde twee stieren (‘tauris non castratis’) aanhouden voor het dekken van de koeien van de eigenerfde buren (‘cives’) van Coevorden.
Bezit van het klooster van Assen dat overging in een buurtschap
Afspraken tussen Coevorden en klooster Assen 1315
In 1315 ontstaat er weer een ruzie, nu tussen de burggraaf van Coevorden en de Asser abdij over het drassige land tussen de huizen Venehusen en Pathus. Als uitgangspunt werd de overeenkomst van 1276 weer van kracht verklaard. De abdij zal jaarlijks uit het huis Venehus drie hoenders opbrengen in het kasteel te Couorde. De abdij mag haar vee van het huis Venehuse in de weide van de marke van Covordia blijven weiden, mits het geen schade toebrengt aan het gezaaide en daarvoor ten behoeve van de burgers van Coevorden twee stieren voor hun koeien gereed moet houden. De Frisones, de Friese kolonisten, die de burggraaf van Coevorden in het drassig land heeft geplaatst, zullen vertrekken zonder schade en hinder aan de bezittingen van de abdij toe te brengen. En ook nooit meer zal verlof worden gegeven om te bouwen of te wonen in het veen, dat voortaan gebruikt zal worden door de beide huizen Pathus en Venehus. De abdij wordt het recht toegekend meerdere huizen te bouwen op het drassige land, mits het huis Venehuse niet dichter wordt gebracht bij de villa Covorde. Een charter van Johannes bisschop van Utrecht – die wordt gedateerd tussen 1322 en september 1324 – vermeldt dat hij de abdij van Sint-Mariakamp in Assen met al haar goederen in bescherming neemt, waaronder ‘grangiam prope Covordiam cum omnibus suis et domum in palude’ oftewel de voorhoeve bij Coevorden met al haar toebehoren (i.c. Padhuis) en het huis in het veen (i.c. Venehuis). De bisschop neemt dus ook het Padhuis en Veenhuizen in bescherming.
Eigendom van burggraaf van Coevorden 1341
Op 26 mei 1341 werd wéér overgegaan tot een nieuwe regeling, want burggraaf Reynold en het convent waren het wederom niet eens over de onder de rook van Coevorden gelegen huizen, die met de jaren waren uitgegroeid tot belangrijke hoeven, met schuren en zelfs met een eigen watermolen. Reynold van Coevorden kreeg het nu zo dicht aan zijn kasteel grenzende goed To den Vene in volle eigendom met al het bouwland, maden, veen en de schuur; het huis zelf bleef aan het convent toebehoren. Bovendien verwierf Van Coevorden de watermolen in de Gotte of Loodiep met de conditie dat de abdij geen molen mag bouwen, met uitzondering van een paardenmolen voor eigen gebruik: ‘dat that convente van Assen ghevet uns dat god ton Vene erflike mit allen den boulande unde made unde vene dat dartho horet sunder dat tymmer biholt dat convente, menen ene scure byholden wi. Dar tho geven se uns ore watermole eulyck tot unser bihof’.
Stichting buurtschap Veenhuizen
Van erve Venehus naar buurtschap Veenhuizen
Net als bij de werkboerderij Pathus horen we later niets meer terug over een werkboerderij Venehus. Zoals we zullen zien lag de werkboerderij Pathus direct aan de Schoonebeeker Aa en was omgeven door een bosje. De pachtboerderijen die later werden gebouwd door het klooster – Pathuis, Luitiens en Vlieghuis – lagen op een kleine afstand van de werkboerderij Pathus en hadden hun eigen opstrekkende landerijen naar de Schoonebeeker Aa. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de situatie van de werkboerderij Venehus niet veel anders zal zijn geweest. Ook hier is een stichting aan het Loodiep aannemelijk, omdat de bewoners water nodig hadden voor hun eigen huishouding. En de in 1341 genoemde watermolen zal niet te ver van hun behuizing zijn gebouwd. Vergelijken we de situatie van Pathus en Venehus op de kaart van Hottinger uit 1773-1795 dan zien we dat de huizen in de buurtschap Veenhuizen hun groenlanden evenals bij Pathuis hebben liggen in de richting van het Loodiep en vanuit het water gezien opstrekkend land hebben naar het westelijk gelegen veengebied. Op enige afstand van de buurtschap Veenhuizen ligt direct aan het Loodiep een bosje in een grillig gevormd perceel, dat in de negentiende en twintigste eeuw Broeken Vliers heet. De vorm hiervan toont veel overeenkomsten met die van een booterrein in Schoonebeek. Het zou heel wel mogelijk zijn dat hier voorheen de werkboerderij Venehus heeft gestaan, op enige afstand van de latere buurtschap Veenhuizen en nagenoeg dezelfde situatie met de werkboerderij Pathus en de buurtschap Padhuis. Aan de overzijde van het Loodiep ligt een driehoekig bebosd perceel, dat er ook voor in aanmerking zou kunnen komen. Het maakt onderdeel uit van een strook madelanden (groenlanden) die Geesten Hok Ma worden genoemd, hoewel de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel van het Kadaster in 1832 Geesten Stok Ma als naam vermeld. Vanaf 1960 wordt de naam op de topografische kaarten als Geeser Stokma aangegeven; er is blijkbaar nogal wat onduidelijkheid over de juiste naam. Deze madelanden waren gelegen tegen het meest zuidelijke puntje van de marke van Gees.
De Nijensleek: eigendom, ontginning en langdurige rechtsstrijd (1582-1690)
De geschiedenis van de Nijensleek laat zien hoe een nat veengebied in de zeventiende eeuw veranderde in een ontginningsgebied met boerderijen, maar ook hoe deze ontwikkeling gepaard ging met tientallen jaren van juridische conflicten over eigendom, grondschattingen en markerechten. De bronnen uit de Etstoel en de belastingregisters geven een uitzonderlijk gedetailleerd beeld van deze strijd.
Van Venehus naar Nijensleek
Waar het gebied in de middeleeuwen nog bekend stond als het Venehus, verschijnt het in de eerste helft van de zeventiende eeuw onder de naam Nijensleek. De naam verwijst naar de ‘nieuwe slieken‘: natte, periodiek droogvallende gronden die geschikt werden gemaakt voor landbouw en bewoning. Volgens het grondschattingsregister van Dalen uit 1642 behoort de Nijensleek toe aan ritmeester Joost van Welvelde, een lid van de adellijke familie van havezate De Klencke te Oosterhesselen. Tegelijkertijd maakt Luitien Huisinge uit Wachtum aanspraak op een deel van het gebied op basis van oudere afspraken uit 1625. Ook De Coster en Evert Lubberinge bezitten er gronden. De kern van de latere rechtszaken ligt in een koop uit 1582. Volgens Johan Godfried van Ensse, eigenaar van de Groote Scheere, had zijn grootvader Evert van Ensse, destijds drost van Coevorden, op 1 mei 1582 de Nijensleek gekocht van de markegenoten van Dalen. Toen Johan Godfried van Ensse het gebied in de jaren 1640 doorverkocht aan Joost van Welvelde ontstond een fundamenteel geschil. De markegenoten van Dalen erkenden wel dat er in 1582 een verkoop had plaatsgevonden, maar stelden dat Van Ensse aanzienlijk méér grond claimde dan destijds daadwerkelijk was verkocht. Volgens hen had hij zich ongeveer de helft meer land toegeëigend dan waarop de oorspronkelijke koop betrekking had. Hiermee begon een juridische strijd die ruim tien jaar zou duren.
Procedures voor de Etstoel
Vanaf 1644 behandelen de drost en de vierentwintig etten van de Etstoel vrijwel jaarlijks nieuwe procedures over de Nijensleek. De eerste zaak betreft een zogenoemde stockstraffing, waarbij de markegenoten bezwaar maken tegen de verkoop van de Nijensleek aan Van Welvelde. Van Ensse beroept zich op de koopbrief uit 1582, terwijl de Dalenaren volhouden dat hij buiten de grenzen van die koop is getreden. De Etstoel besluit de behandeling uit te stellen totdat een andere lopende procedure over de eigendom zal zijn afgerond. Daarmee wordt duidelijk dat de rechters eerst uitsluitsel willen verkrijgen over de eigendomsrechten voordat verdere beslissingen worden genomen.
Geschil over de koopprijs
Naast het eigendom ontstaat ook een conflict tussen koper en verkoper. Van Ensse verlangt betaling van het laatste gedeelte van de koopprijs: 2.150 Carolusgulden. Van Welvelde weigert echter te betalen. Volgens hem heeft Van Ensse niet geleverd wat hij contractueel had beloofd: de gronden zijn niet vrij van grondschattingen, de markegenoten verhinderen hem delen van het land in gebruik te nemen en hij moet zelf belastingen betalen die eigenlijk voor rekening van de verkoper horen te komen. De Etstoel verlangt van beide partijen uitgebreide schriftelijke bewijsstukken. Vervolgens wordt bepaald dat Van Welvelde wel alvast 950 Carolusgulden moet voldoen, verminderd met de reeds door hem betaalde grondschattingen. Over de resterende koopprijs wordt pas later beslist. De centrale vraag: levering vrij van lasten. Vrijwel alle procedures draaien uiteindelijk om één juridisch uitgangspunt: Heeft Van Ensse de Nijensleek daadwerkelijk geleverd zoals in de koopakte was vastgelegd: vrij van grondschattingen, markeclaims en andere lasten? Van Welvelde stelt dat dit niet het geval is. Van Ensse houdt vol dat hij slechts heeft verkocht onder dezelfde voorwaarden als waaronder zijn grootvader het gebied zelf in 1582 had verworven. Deze tegenstelling vormt jarenlang de kern van alle rechtszaken.
Nieuwe processen tussen Van Ensse en Dalen
Vanaf 1646 procedeert Van Ensse rechtstreeks tegen de gezamenlijke markegenoten van Dalen. Hij eist dat zij hem vrijwaren voor alle grondschattingen omdat zij volgens de koopbrief van 1582 zouden hebben gegarandeerd dat de Nijensleek ‘vrij van alle lasten en onraad’ was verkocht. De Dalenaren brengen daar verschillende verweren tegenin. De oorspronkelijke verkoop zou onder dwang tot stand zijn gekomen. Niet alle gerechtigde markegenoten zouden ermee hebben ingestemd. De koopbrief zou daardoor onvoldoende rechtskracht hebben, en bovendien was de omvang van het verkochte gebied volgens hen veel kleiner. De Etstoel wijst Van Ensse uiteindelijk af. Wel krijgt hij nog de mogelijkheid om zijn eventuele rechten te verhalen op de erfgenamen van degenen die destijds daadwerkelijk hadden verkocht.
Geschillen over houtkap
Tijdens dezelfde periode ontstaat nog een tweede conflict. Van Ensse beschuldigt enkele markegenoten — onder meer Jan Abbinge, Toenijs Teenge en anderen — van het kappen en afvoeren van hout uit de Nijensleek. Volgens Van Ensse behoort dit hout tot zijn eigendom. De markegenoten antwoorden opnieuw dat Van Ensse nooit eigenaar van dit deel van het gebied is geworden. Ook in deze procedure krijgt Van Ensse uiteindelijk geen gelijk. Een landmeter moet duidelijkheid brengen. Omdat de situatie steeds ingewikkelder wordt, besluiten drost en etten in 1647 dat een onafhankelijke landmeter een nauwkeurige kaart van het gehele betwiste gebied moet vervaardigen. Deze kaart moet exact aangeven: de ligging van de Nijensleek, de omvang van de verschillende percelen en welke gronden werkelijk onder de koop van 1582 vallen. Dit laat zien hoe belangrijk cartografie inmiddels wordt voor juridische geschillen over grondbezit.
Voortdurende conflicten over grondschattingen
Ondanks verschillende uitspraken blijft de kwestie van de grondschattingen voortduren. Van Welvelde blijft weigeren de resterende koopprijs volledig te voldoen zolang niet vaststaat dat hij werkelijk eigenaar is van alle verkochte gronden. Van Ensse meent daarentegen dat hij inmiddels aan alle verplichtingen heeft voldaan. In 1649 proberen drost en etten de partijen zelfs door middel van bemiddeling tot een minnelijke regeling te brengen. Een commissie krijgt opdracht beide jonkers met elkaar te verzoenen. Deze poging mislukt volledig. Daarop volgen opnieuw schriftelijke procedures, replieken, duplieken, triplieken en zelfs quadruplieken. De omvang van het proces groeit daardoor enorm. Pas tijdens de winterlotting van 27 maart 1655 komt aan de langdurige procedure grotendeels een einde. In deze uitspraak wordt gesproken over de ‘Nijensleeck ofte Drosten Landt’, waarmee duidelijk wordt dat het gebied inmiddels algemeen wordt verbonden met de voormalige drost Evert van Ensse. Van Welvelde voert aan dat hij uiteindelijk een nieuwe koopakte heeft gekregen, dat hij Van Ensse uitdrukkelijk heeft beloofd de gronden vrij van alle lasten te leveren en hij nooit volledig op de hoogte is geweest van de aanspraken van de Dalenaren. Van Ensse verdedigt zich met de stelling dat hij reeds vóór de koop heeft gewaarschuwd voor mogelijke problemen en dat Van Welvelde daarvan kennis had. Na beoordeling van alle documenten, getuigenverklaringen en eerdere procedures verklaren drost en etten uiteindelijk de vordering van Van Welvelde gegrond. Van Ensse blijft verantwoordelijk voor de grondschattingen en andere lasten die op de verkochte gronden rusten, al behoudt hij nog wel de mogelijkheid elders herstel van zijn rechten te zoeken. Hiermee eindigt een conflict dat meer dan tien jaar vrijwel onafgebroken de Etstoel had beziggehouden.
De ontginning van de Nijensleek
Terwijl de juridische procedures voortduren, wordt het gebied daadwerkelijk ontgonnen. Tussen 1642 en 1645 verschijnen de eerste bewoners. Het register van huizen en hoven uit 1645 noemt drie boerderijen die eigendom zijn van Joost van Welvelde: het huis van Folker, het huis van Jan en het huis van Hendrik Tessinck, alsmede een gezamenlijke schuur. Alle drie de boerderijen vertegenwoordigen ongeveer dezelfde waarde. In het register van 1646 komen dezelfde gebouwen opnieuw voor, waaruit blijkt dat inmiddels sprake is van een kleine maar stabiele nederzetting. Het grondschattingsregister van 1654 laat zien dat de ontginning zich verder ontwikkelt. Folker is inmiddels vertrokken; zijn plaats is ingenomen door Jan Hap. Daarnaast worden genoemd: Hendrik Tessinck, Jan Bult en de Coster. Tegelijkertijd blijft nog steeds discussie bestaan over ongeveer vijf maten land waarop de markegenoten van Dalen aanspraak blijven maken. Het register noemt daarnaast nog enkele andere grondbezitters, waaronder vaandrig Reynkens, de heer Van Echten en ritmeester Johan Hagewolt. Waarschijnlijk hadden zij echter aandelen in de marke van Dalen en niet rechtstreeks in de Nijensleek zelf.
Vergelijking met Weijerswold
Er is een opvallende parallel met Weijerswold. Daar werd in 1654 eveneens een groot broekgebied gekocht door particuliere investeerders, waarna systematisch werd overgegaan tot ontginning en stichting van nieuwe boerderijen. De ontwikkeling verloopt vrijwel identiek: aankoop van woeste gronden, investeringen door adellijke of militaire grondbezitters, aanleg van boerderijen, vestiging van pachters en uiteindelijke verkoop aan de gebruikers. De Nijensleek past daarmee duidelijk binnen de zeventiende-eeuwse veenkoloniale ontwikkeling van Zuidoost-Drenthe.
Overgang van het bezit
Joost van Welvelde overlijdt tussen 1672 en 1676 kinderloos. Zijn bezittingen gaan over op zijn neef Manasse van Welvelde. Na diens overlijden in 1688 wordt zijn broer Ephraim van Welvelde, heer van Farmsum, eigenaar. Nog in hetzelfde jaar verkoopt Ephraim de Erven Nijensleeck voor 6.040 Carolusgulden. Hoewel de kopers niet met naam worden genoemd, ligt het voor de hand dat de pachters de boerderijen en gronden hebben gekocht, zoals ook elders in Drenthe gebeurde. Ook na de verkoop ontstaan opnieuw juridische problemen. Ephraim weigert de verschuldigde overdrachtsbelasting (de honderdste penning) te betalen omdat hij zichzelf beschouwt als buitenlands of buiten de provincie woonachtig. Na een procedure wordt hij in 1689 alsnog veroordeeld tot betaling van de belasting en de proceskosten. In 1690 wordt een deel van deze bedragen via zijn meier Roelof Roelofs voldaan.
Betekenis van de Nijensleek
De geschiedenis van de Nijensleek vormt een bijzonder voorbeeld van de ontginning van Drentse veengebieden in de zeventiende eeuw. De bronnen laten zien hoe economische ontwikkeling, investeringen van adellijke grondbezitters en kolonisatie hand in hand gingen met langdurige juridische conflicten over eigendom, markerechten en belastingen. De procedures maken tevens duidelijk hoe zorgvuldig de Etstoel dergelijke geschillen behandelde. Schriftelijke bewijsstukken, oude koopbrieven, getuigenverklaringen, landmetingen en kaarten speelden daarbij een steeds grotere rol. Tegelijkertijd illustreren de processen de overgang van gemeenschappelijke markegronden naar particulier grondbezit. Uiteindelijk ontwikkelde de Nijensleek zich van een nat veengebied tot een kleine agrarische nederzetting met meerdere boerderijen. Na tientallen jaren van procedures kwam het gebied definitief in particulier bezit en werd het, net als Weijerswold, onderdeel van de zeventiende-eeuwse ontginningen die het landschap van Zuidoost-Drenthe blijvend veranderden.
Thesinks-erve
Vestiging vanuit Hijken 1643-1644
De geschiedenis van het Thesinks erve op de Nijensleek weerspiegelt de ontwikkeling van de buurtschap Veenhuizen vanaf de eerste ontginningen in de zeventiende eeuw tot in de twintigste eeuw. Aan de hand van genealogische gegevens, rechterlijke archieven en belastingregisters is de geschiedenis van zowel de boerderij als de familie Teesink over meerdere eeuwen te volgen. De eerste bekende bewoner van het Thesinks erve is Hendrick Teesinck, afkomstig uit Hijken. Hij vestigt zich waarschijnlijk rond 1643-1644 op de Nijensleek, kort nadat ritmeester Joost van Welvelde de veengronden had aangekocht. Hendrick wordt vanaf 1645 in de registers genoemd als eigenaar of gebruiker van een van de drie nieuw gestichte boerderijen op de Nijensleek. Zijn eenvoudige boerderij meet ongeveer vijf bij negen meter en behoort tot de eerste vaste bewoning van dit ontginningsgebied. Waarschijnlijk is Hendrick een zoon van Jan Jacobs Tesinge, een markegenoot uit Hijken. Daarmee vormt de familie Teesink een goed voorbeeld van boerengezinnen uit oudere Drentse dorpen die zich vestigden in nieuwe veenkoloniale ontginningen.
Hendrick Teesinck I
Hendrick Teesinck wordt tussen 1645 en 1672 regelmatig genoemd in belastingregisters en andere administratieve bronnen. Hij bezit een volledig erf en neemt deel aan markezaken. In 1666 verschijnt hij als markegenoot van Hijken in een procedure over de verdeling van waardelen. Een bijzondere gebeurtenis speelt zich af in 1679, wanneer Hendrick samen met buurvrouw Neesse Buls voor het schultegerecht verschijnt wegens een conflict over beledigende uitlatingen. Uiteindelijk verklaren beide partijen dat zij in vrede verder willen leven, waarna Neesse publiekelijk bevestigt dat Hendrick een ‘goed en eerlijk man en naber’ is. Dit geeft een zeldzaam inkijkje in het dagelijks leven binnen de kleine gemeenschap van de Nijensleek.
Hendrick Teesinck II
Zijn zoon Hendrick Teesinck, geboren omstreeks 1665, zet het bedrijf voort. Waarschijnlijk koopt hij rond 1689 het erf van de erven Van Welvelde, toen de adellijke eigenaar zijn bezittingen op de Nijensleek verkocht. Vanaf dat moment wordt het bedrijf particulier familiebezit. Uit belastingregisters blijkt dat Hendrick een welvarende boer is. Hij bezit meerdere paarden, een volledig boerenbedrijf en een vermogen van ongeveer 150 Carolusgulden. Daarnaast verstrekt hij aanzienlijke leningen aan dorpsgenoten. In 1730 wordt bijvoorbeeld een hypotheek van 900 Carolusgulden op zijn naam gevestigd, een voor die tijd aanzienlijk bedrag. Dit wijst erop dat de familie inmiddels niet alleen landbouw bedreef, maar ook financieel voldoende draagkracht had om als geldschieter op te treden. Uit het huwelijk van Hendrick komen meerdere kinderen voort. Zijn dochter Geesjen Tieseng trouwt met de bekende predikant en heelmeester Ludovicus Abrahamy, die vanaf 1733 predikant van Zweeloo is. Abrahamy geniet grote bekendheid doordat hij orde brengt in het kerkelijk bestuur, kerkregisters invoert en daarnaast als geneeskundige een uitstekende reputatie opbouwt. Zijn kruidenmiddelen tegen koorts trekken patiënten uit een groot gebied. Een andere dochter, Lammechien Tieseng, trouwt met Harmannus Hoving uit Zweeloo. De opvolger van het familiebedrijf wordt zoon Hendrik Teessinck.
Hendrik Teessinck III
De derde generatie zet de verdere ontwikkeling van het bedrijf voort. Hendrik trouwt rond 1732 met Luichje Evenhuis, afkomstig uit een koopmansfamilie uit Zweeloo. Haar vader Lambert Lucas Evenhuis was slijter en winkelier, zodat via dit huwelijk ook verbindingen ontstaan met de middenstand van Zweeloo. Hendrik wordt gedurende tientallen jaren genoemd als eigenaar van een volledig boerenbedrijf op de Nijensleek. Uit verschillende hypotheekakten blijkt opnieuw dat hij over aanzienlijke financiële middelen beschikt. Hij verstrekt leningen van 100, 500 en 120 Carolusgulden, waarvoor schuldenaren hun goederen als onderpand geven. In 1741 blijkt bovendien dat Hendrik zijn bedrijf uitbreidt met een nieuwe schuur en een rosmolen, waarmee paardenkracht kon worden gebruikt voor het aandrijven van landbouwkundige werkzaamheden. Dit wijst op een modernisering van het bedrijf. Na zijn overlijden zet zijn weduwe Luichje Evenhuis de boerderij voort. Uit het haardstedenregister van 1784 blijkt dat zij samen met een medewerker of inwonende knecht het volledige boerenbedrijf draaiende houdt.
Lambert Teesink
De belangrijkste vertegenwoordiger van de familie wordt Lambert Teesink, geboren in 1737. Hij ontwikkelt zich niet alleen tot landbouwer, maar ook tot landmeter. In 1756 wordt hij officieel beëdigd als landmeter, een functie waarvoor specialistische kennis noodzakelijk was. Zijn maatschappelijke positie groeit verder wanneer hij in 1795 wordt benoemd tot schulte van Dalen en Oosterhesselen, een functie die hij tot 1802 bekleedt. Als schulte vervult hij bestuurlijke, rechterlijke en administratieve taken. Voor zijn benoeming wordt een borgtocht van 6.000 Carolusgulden gesteld, wat het aanzien en de verantwoordelijkheid van het ambt onderstreept. Tijdens zijn ambtsperiode verricht hij talrijke officiële inschrijvingen in de schulteprotocollen. Daarnaast blijft hij actief als ondernemer. Hij koopt gronden, verstrekt leningen en investeert in landbouwbezit. In 1802 koopt hij bijvoorbeeld een omvangrijk stuk land van Georg Rudolph Wolter Kymmell voor 2.000 gulden.
Verdeling van het bezit
Na het overlijden van Lambert Teesink in 1821 wordt het familiebezit verdeeld. Zijn zoon Hendrik Teesing overlijdt al een jaar later, waardoor de twee dochters de belangrijkste erfgenamen worden. Roelfje Teesing, gehuwd met Harm Meijer, verkrijgt het oorspronkelijke Thesinks erve. Lucresa Teesing, gehuwd met Olf Kiers, krijgt de naastgelegen voormalige schuur die inmiddels tot zelfstandige boerderij is verbouwd. Hierdoor ontstaan feitelijk twee afzonderlijke Thesink-erven. Lucresa en Olf Kiers wonen aanvankelijk op de Veenhuizen, verhuizen vervolgens naar Dalen en keren na het overlijden van Lambert terug naar de Nijensleek. Uiteindelijk verlaten zij de boerderij opnieuw, waarna deze wordt verhuurd.
De negentiende en twintigste eeuw
Het oorspronkelijke Thesinks erve blijft via de familie Meijer behouden. Na het overlijden van Roelfje hertrouwt Harm Meijer met Sophia Hidding. Hun dochter Roelina Meijer trouwt met Hendrik Kip, waardoor de boerderij opnieuw binnen de familie wordt voortgezet. In 1920 verkopen de erfgenamen de oude boerderij aan Albertus Jansen. Hij moderniseert het gebouw ingrijpend. Daarbij verdwijnen enkele bijzondere historische elementen, waaronder de beroemde blauwe houten schotten waarop een koets was afgebeeld. Volgens de overlevering vormde deze kamer tussen 1795 en 1802 het kantoor van schulte Lambert Teesink. De beschilderde panelen worden door Jansen verplaatst naar de stal om de koeien tegen de kou te beschermen. In 1947 koopt huurder Hans Uneken de boerderij. Op 30 juni 1969 gaat het eeuwenoude Thesinks erve echter volledig door brand verloren. Daarna wordt aan de overzijde van de weg een nieuw woonhuis met bedrijfsgebouwen gebouwd, het huidige Veenhuizerweg 10 te Dalen.
Tweede Thesinks-erve
Stichting van tweede erve omstreeks 1821
Ook de naastgelegen boerderij kent een eigen geschiedenis. Na Lucresa Teesing en Olf Kiers komt deze via hun dochter Annechien Kiers in bezit van de familie Boesjes. Vervolgens erven Jan Boesjes en later diens kinderen het bedrijf. In 1965 wordt de boerderij verkocht aan Jacob Gubler. Door de ruilverkaveling moet het erf echter verdwijnen. Gubler verhuist naar het Geeserveld, terwijl de Stichting Beheer Landbouwgronden eigenaar wordt. Buurman Hans Uneken koopt vervolgens het oude huis met het plan er een schuur van te maken. Vanwege de slechte bouwkundige staat wordt het pand uiteindelijk gesloopt. De geplande nieuwbouw gaat echter niet door doordat ook het oorspronkelijke Thesinks erve in 1969 afbrandt.
Bults-erve
Ontstaan omstreeks 1643-1645
Het Bults erve behoort tot de oudste boerderijen van de Nijensleek (de latere Veenhuizen bij Dalen) en ontstond tijdens de eerste ontginning van het veengebied in de jaren 1643-1645. De geschiedenis van het erf laat zien hoe pioniers uit Hijken zich vestigden op nieuw ontgonnen gronden en hoe het bezit zich gedurende ruim drie eeuwen ontwikkelde van een pachtboerderij tot een zelfstandig familiebedrijf. Door de combinatie van belastingregisters, rechterlijke archieven en genealogische gegevens kan de geschiedenis van zowel het erf als de bewoners nauwkeurig worden gevolgd. De eerste bewoner is Jan Bults, afkomstig uit Hijken. Hij vestigt zich vermoedelijk rond 1643-1644 op de Nijensleek, tegelijk met andere pioniers zoals Hendrik Teesinck. Landheer Joost van Welvelde had de gronden kort daarvoor aangekocht en liet er drie boerderijen bouwen die werden verpacht aan kolonisten. Jan wordt in 1645 voor het eerst genoemd als bewoner van één van deze nieuwe boerderijen. De registers van 1645, 1646 en 1654 laten zien dat het om een relatief bescheiden bedrijf ging met een woonhuis, hof en landbouwgrond. Zijn afkomst uit Hijken sluit aan bij de bredere migratie van boerengezinnen naar de nieuwe veenkoloniale ontginningen. Waarschijnlijk was Jan een zoon of kleinzoon van een eerdere Jan of Jacob Bults, die al in 1612 voorkomt in het register van bezaaide landen van Hijken.
Jan Bults en Neesjen Rolvinge
Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwt Jan Bults in 1654 met Neesjen (Neesse) Rolvinge, vermoedelijk afkomstig van het Rolvinge-erve te Gees. Omdat Jan uit zijn eerste huwelijk drie minderjarige kinderen heeft, wordt een zogenoemd éénkindschap opgesteld. Daarbij worden de belangen van de kinderen uit het eerste huwelijk veiliggesteld voordat het nieuwe huwelijk wordt gesloten. De Etstoel keurt deze regeling in 1655 goed. Waarschijnlijk is deze Neesse dezelfde vrouw die in 1679 voorkomt in een bekende burenruzie met Hendrick Teesinck. Uiteindelijk verklaren beide partijen elkaar weer als goede buren te beschouwen, wat een beeld geeft van het dagelijks leven in de kleine gemeenschap op de Nijensleek.
Familiebezit en voogdijzaken
In 1659 verzoeken Jan Bults en enkele voogden toestemming om een klein stuk grond van de wezen van wijlen Hinrick Bults te verkopen. De opbrengst moet worden gebruikt voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen. De Etstoel staat de verkoop toe, mits deze openbaar plaatsvindt. Deze procedure laat zien dat familieleden elkaar ondersteunden en dat de overheid toezicht hield op de belangen van minderjarige erfgenamen. Albert Alberts, afkomstig uit Beilen en jarenlang soldaat en later bewoner van De Loo bij Coevorden, koopt het Bults erve van Ephraim van Welvelde, de laatste adellijke eigenaar van de ontginningsboerderijen op de Nijensleek. Om de aankoop te financieren sluit Albert een lening van 500 Carolusgulden af, waarbij het Bults erve als onderpand dient. Hiermee wordt duidelijk dat de voormalige pachtboerderij nu daadwerkelijk particulier eigendom wordt. Of Albert zelf op het erf is gaan wonen blijft onzeker. Mogelijk heeft hij het aanvankelijk als belegging gekocht en door pachters laten exploiteren. Toch wijzen verschillende aanwijzingen erop dat zijn dochter Hillighijn Alberts later daadwerkelijk op het Bults erve terechtkomt.
De achtergrond van Albert Alberts
Albert Alberts trouwt in 1657 met Trijntien Lambarts in Coevorden. Hij was soldaat en woonde later op De Loo, waar hij een meierplaats pachtte op het landgoed Ten Klooster. Waarschijnlijk is Hillighijn Alberts een dochter van Albert Alberts en Trijntien Lambarts. Hillighijn trouwt eerst met Jan Wolters van De Loo. Na diens overlijden blijft zij achter met vijf minderjarige kinderen, waarvoor voogden worden benoemd. In 1708 hertrouwt zij met Gerrit Claesen Hengelaer. Bij het huwelijk wordt nauwkeurig vastgelegd hoe de bezittingen en de rechten van de kinderen uit het eerste huwelijk beschermd blijven. Elk kind ontvangt een geldbedrag, terwijl de dochters bovendien een complete uitzet meekrijgen en de zoons nieuwe kleding krijgen wanneer zij zelfstandig worden. Na dit huwelijk vestigt Gerrit Claesen zich waarschijnlijk op het Bults erve en neemt hij geleidelijk de familienaam Bults aan. Vanaf dat moment verschijnt hij ook onder die naam in de belastingregisters van de Nijensleek. Uitgebreide familieverbanden De genealogie van Hillighijn Alberts laat zien hoe sterk de families rond Coevorden, De Loo, de Ballast en de Nijensleek met elkaar waren verweven. Kinderen uit haar eerste huwelijk trouwen onder meer met leden van de familie Hengelaer, terwijl andere kinderen zich vestigen in Dalen en omliggende buurtschappen.
Albert Janzen Bults
Een volgende eigenaar is Albert Janzen Bults, die rond 1730 trouwt met Hilligje Hebers uit Oosterhesselen. Uit belastingregisters blijkt dat Albert zijn bedrijf uitbreidt. In 1741 bezit hij twee nieuwe schuren en bovendien een extra woning. Opvallend is dat over een deel van de gronden geen schattingen worden geheven omdat het nog steeds om slecht ontgonnen veenland gaat. Na Alberts overlijden zet zijn weduwe Hilligje het bedrijf nog enige jaren voort. Tussen 1754 en 1764 verhuist zij echter naar het voormalige Folkers erve, waardoor het oorspronkelijke Bults erve wordt verpacht.
Meiers op het Bults erve
Na het vertrek van de familie Bults wordt het erf bewoond door verschillende pachters. De eerste bekende meier is Hendrik Beerents, die vanaf 1764 als volledige boer op het erf voorkomt. Later wonen ook zijn neven en nichten op de boerderij. Na Hendriks overlijden erven zijn familieleden een aanzienlijk vermogen. Eén van hen, Roelf Hilbers, verhuist in 1794 naar het Bults erve. Hij blijft er slechts enkele jaren wonen en koopt vervolgens elders een keuterij, waarna opnieuw een nieuwe pachter op het erf verschijnt. Deze wisselingen laten zien dat de eigenaar inmiddels niet langer zelf op de boerderij woont, maar inkomsten verkrijgt uit verpachting. In de negentiende eeuw blijft het erf in handen van de familie Nevels/Bults. Een belangrijk moment vormt het testament van 1797, waarin Hillegien Bults en haar echtgenoot T eunis Nevels het gehele bezit nalaten aan hun neef Teunis Nevels. Volgens een beschrijving uit 1807 omvat het bezit: twee woonhuizen, twee schuren. een schaapskooi, hof en tuin, bouw- en groenlanden en daarnaast nog zeven mud bouwland buiten de opgang. Dit toont aan dat het oorspronkelijke ontginningsbedrijf inmiddels is uitgegroeid tot een omvangrijke landbouwonderneming. Via dochter Klazina Nevels komt het erf vervolgens in handen van Wolter Maties van de Ballast. Na diens overlijden in 1870 erven dochter Klazina Gerridina Maties en haar echtgenoot Berend Jan Arink het bedrijf.
Modernisering van de boerderij
Tijdens de negentiende en twintigste eeuw wordt de boerderij meerdere keren aangepast: 1873 eerste grote verbouwing, 1917 verkoop aan aardappelfabrikant Menno Kornelis Boon uit Hoogezand, 1918 volledige afbraak en herbouw van de boerderij en 1959: gedeeltelijke modernisering en interne verbouwing. Hiermee verandert het oorspronkelijke zeventiende-eeuwse ontginningsbedrijf geleidelijk in een modern landbouwbedrijf. In 1966 gaat het Bults erve door hooibroei volledig verloren. Na de brand wordt op dezelfde plaats een nieuwe woning met bedrijfsgebouwen gebouwd. Het huidige adres is Veenhuizerweg 7 te Dalen. Daarmee eindigt de geschiedenis van het oorspronkelijke historische gebouw, terwijl de locatie haar agrarische functie behoudt.
Folkers-erve
Ontstaan omstreeks 1640 als nieuwe ontginning
Het Folkers erve behoort tot de oudste boerderijen van de Nijensleek (het latere Veenhuizen bij Dalen) en kent een geschiedenis die teruggaat tot de eerste ontginning van het gebied in de jaren 1640. De ontwikkeling van het erf weerspiegelt de ontginning van de Drentse veengebieden, waarbij een aanvankelijk eenvoudige pachtboerderij uitgroeide tot een zelfstandig landbouwbedrijf. De opeenvolgende bewoners en eigenaren zijn goed te volgen dankzij belastingregisters, rechterlijke archieven en genealogische bronnen. De eerste bekende bewoner is Folkers, die in 1645 wordt genoemd als pachter van een van de drie nieuw gebouwde boerderijen van ritmeester Joost van Welvelde op de Nijensleek. Zijn boerderij vertegenwoordigt een waarde van ongeveer 150 Carolusgulden en behoort tot de eerste vaste bewoning van het nieuwe ontginningsgebied. Ook in 1646 wordt Folkers nog genoemd, maar in het grondschattings-register van 1654 is hij verdwenen. Zijn plaats is dan ingenomen door Jan Hap, die het huis en de bijbehorende hof gebruikt. De registers uit 1741 tonen vervolgens aan dat ook dit huis inmiddels verdwenen is. Het oorspronkelijke Folkers erve lijkt dus in de loop van de zeventiende eeuw te zijn afgebroken.
Herbouw van het erf
Kort daarna ontstaat echter een nieuw erf op vrijwel dezelfde locatie. Uit de registers van 1741 blijkt dat Albert Bults een klein woonhuis en twee schuren heeft laten bouwen. Opvallend is dat de belasting voor dit huis in Oosterhesselen wordt betaald. Het gebouw was mogelijk afkomstig uit Oosterhesselen en op de Nijensleek opnieuw opgebouwd. In 1742 verschijnt op deze nieuwe boerderij Jannes Santinge als bewoner. Hiermee begint de tweede geschiedenis van het Folkers erve. Johannes (Jannes) Hendriks Santinge is afkomstig uit Dalerveen. Na zijn huwelijk met Fennigje Santing trekt hij waarschijnlijk in bij de familie van zijn vrouw en neemt hij de familienaam Santinge aan. Omstreeks 1742 vestigt het gezin zich op het nieuw gebouwde Folkers erve. Het verblijf duurt slechts enkele jaren. Tussen 1742 en 1745 verhuist de familie alweer naar het Boelken-erve in Roswinkel, waar zij als meiers werkzaam zijn. Hun kinderen verspreiden zich vervolgens over verschillende boerderijen in Roswinkel en omgeving. Daarmee vormt de familie Santinge slechts een korte, maar duidelijk herkenbare schakel in de geschiedenis van het erf.
De familie Uneken
Na het vertrek van de Santinges wordt het Folkers erve omstreeks 1745 bewoond door Jan Uneken en zijn vrouw Jantje Uneken. Jan was eerder meier op boerderijen in Wachtum en Dalen. Op de Veenhuizen worden nog twee kinderen geboren: Willem en Aaltje. Omstreeks 1760 verhuist het gezin opnieuw, ditmaal naar Zweeloo. De familie Uneken vertegenwoordigt het typische patroon van achttiende-eeuwse meiers, die regelmatig van boerderij wisselden afhankelijk van pachtmogelijkheden.
De familie Bults
Na het vertrek van Uneken krijgt het Folkers erve een geheel andere functie. Hilligje Hebers, weduwe van Albert Janzen Bults, verhuist met haar dochter Hilligje Bults en schoonzoon Klaas Nevels, die later eveneens de naam Bults gaat voeren, van het oorspronkelijke Bults erve naar het voormalige Folkers erve. Hoewel het aanvankelijk slechts een klein huisje was, moet het gebouw vóór hun komst aanzienlijk zijn vergroot. Bij de afbraak in 1964 bleek het houtwerk immers meer dan drie eeuwen oud te zijn, wat erop wijst dat delen van de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse constructie behouden waren gebleven. De verhuizing van de familie Bults wordt gevolgd door een reeks notariële akten die een goed beeld geven van de vermogenspositie van het gezin. In 1768 schenkt Hilligje Hebers een kwart van haar vaste goederen aan haar schoonzoon Klaas Bults. Op dezelfde dag benoemt zij hem tevens tot erfgenaam van haar roerende goederen, aangekochte bezittingen en overige eigendommen. Deze schenkingen tonen het vertrouwen dat zij in haar schoonzoon stelde en markeren de geleidelijke overdracht van het familiebezit aan de volgende generatie.
Klaas en Hilligje Bults
Klaas Bults en zijn vrouw Hilligje Bults worden vervolgens de centrale bewoners van het Folkers erve. In 1768 maken zij een gezamenlijk testament op. Opvallend is dat zij na achttien jaar huwelijk nog geen levende kinderen hebben, hoewel Hilligje op dat moment zwanger is. Op 1 januari 1770 wordt dochter Jantje geboren, maar zij overlijdt vermoedelijk al op jonge leeftijd. Het echtpaar blijft daardoor zonder nakomelingen. Na het overlijden van zijn ouders nemen Klaas en Hilligje hun achterneef Teunis Nevels in huis. Deze groeit feitelijk op als hun pleeg- of adoptiefzoon. Gedurende de jaren 1790 leggen Klaas en Hilligje in verschillende akten vast dat zij hem als hun opvolger beschouwen. In 1794 schenken zij hem reeds een vierde deel van hun vaste goederen. Tevens wijzigen zij hun testament zodat deze schenking wordt bevestigd. Daarnaast worden legaten opgenomen voor een nicht en voor de diaconie van Dalen. Het definitieve testament wordt opgesteld op 1 mei 1797. Daarin verklaren Klaas en Hilligje dat zij wegens hun hoge leeftijd en toenemende afhankelijkheid al hun bezittingen willen nalaten aan Teunis Nevels, die inmiddels bij hen inwoont en voor hun verzorging instaat. Daar tegenover verplicht Teunis zich zijn pleegouders levenslang te onderhouden, hen van voedsel, kleding en huisvesting te voorzien en uiteindelijk voor een waardige begrafenis zorg te dragen. Deze overeenkomst laat zien hoe familiebanden en wederzijdse verzorging een belangrijke rol speelden binnen de plattelandssamenleving.
Overgang naar Teunis Nevels
Klaas Bults overlijdt in 1798; Hilligje volgt in 1805. Teunis Nevels wordt vervolgens volledig eigenaar van het Folkers erve én van het naastgelegen Bults erve. Volgens het kohier van 1807 bezit hij: twee woningen, twee schuren, een schaapskooi, hof en tuin, bouw- en groenlanden, zeven mud bouwland buiten de opgang en daarnaast verschillende afzonderlijke akkers en waardelen. Hieruit blijkt dat de beide oorspronkelijke ontginningsboerderijen inmiddels één omvangrijk landbouwbedrijf vormen. In 1816 laat Teunis Nevels tussen het Bults erve en het Folkers erve een geheel nieuwe boerderij bouwen. Na de verhuizing houdt hij een openbare verkoping van materialen en overtollige goederen van het oude erf. Het voormalige Folkers erve wordt daarna niet langer door de eigenaar zelf bewoond, maar aan verschillende meiers verpacht. Hiermee verandert het karakter van het erf van familiebedrijf naar pachtboerderij.
De negentiende eeuw
Via de dochters van Teunis Nevels blijft het bezit in de familie. Dochter Lammechien Nevels trouwt met Jannes Kiers. Zij erven uiteindelijk het Folkers erve. Omstreeks 1847 verhuizen zij naar Dalen en verpachten de boerderij. In 1878 wordt dochter Aaltje Kiers, gehuwd met Gebertus Kiers, eigenaar. Gedurende deze periode blijft het erf agrarisch in gebruik en worden regelmatig verbeteringen uitgevoerd. Aan het einde van de negentiende eeuw wordt de boerderij grondig gemoderniseerd: 1899 bouw van een nieuwe schuur en 1900 vrijwel volledige herbouw van de boerderij. Wanneer Jan Mepschen in 1939 als huurder zijn intrek neemt, bezit het voorhuis nog steeds een traditioneel met heide gedekt dak, wat de ouderdom van delen van het gebouw illustreert. In 1947 koopt Jan Mepschen het huis met omliggend grasland van de gezamenlijke erfgenamen. In 1964 wordt de oude boerderij gesloopt en vervangen door een nieuw woonhuis met moderne bedrijfsgebouwen. Het voormalige Folkers erve bevindt zich tegenwoordig aan de Veenhuizerweg 8 te Dalen.
Betekenis Thesinks-erve
De geschiedenis van het Thesinks erve laat zien hoe een pioniersboerderij uit de eerste ontginning van de Nijensleek uitgroeide tot een welvarend familiebedrijf. Gedurende ruim drie eeuwen bleef het erf grotendeels in handen van opeenvolgende generaties Teesink en hun nazaten. De familie speelde niet alleen een belangrijke rol in de landbouw, maar leverde ook een landmeter, een schulte en verwanten die maatschappelijk aanzien genoten, zoals predikant Ludovicus Abrahamy. De talrijke vermeldingen in belastingregisters, rechterlijke archieven en schulteprotocollen maken het mogelijk de ontwikkeling van zowel de familie als de boerderij uitzonderlijk nauwkeurig te reconstrueren. Daarmee vormt het Thesinks erve een representatief voorbeeld van de kolonisatie en ontginning van de Drentse veengebieden vanaf de zeventiende eeuw en van de sociale stijging van een boerenfamilie die zich vanuit Hijken op de Nijensleek vestigde.

Betekenis Bults-erve
De geschiedenis van het Bults erve weerspiegelt de ontwikkeling van de gehele Nijensleek. Wat begon als een pachtboerderij op nieuw ontgonnen veengronden groeide uit tot een zelfstandig familiebedrijf met een omvangrijk grondbezit. De vele vermeldingen in belastingregisters, schulteprotocollen en Etstoelarchieven laten zien hoe grondbezit, familieverbanden, huwelijkscontracten, voogdijregelingen en verpachting nauw met elkaar verweven waren. Daarnaast maakt de genealogische reconstructie duidelijk hoe families uit Hijken, Coevorden, De Loo en Oosterhesselen via huwelijken met elkaar verbonden raakten en gezamenlijk de ontwikkeling van de Nijensleek vormgaven. Het Bults erve vormt daardoor een representatief voorbeeld van de kolonisatie, economische ontwikkeling en familiegeschiedenis van de Drentse veenontginningen in de zeventiende tot en met de twintigste eeuw.


Betekenis Folkers-erve
De geschiedenis van het Folkers erve laat zien hoe de eerste ontginning van de Nijensleek leidde tot een blijvende agrarische nederzetting. Het erf kende verschillende fasen: aanvankelijk als pioniersboerderij van Folkers, vervolgens als nieuw opgebouwd erf van Albert Bults en uiteindelijk als familiebezit van de families Bults, Nevels en Kiers. De vele bewaard gebleven belastingregisters, schulteprotocollen en testamenten maken het mogelijk de ontwikkeling van het erf over ruim drie eeuwen nauwkeurig te volgen. Ze tonen niet alleen de veranderingen in eigendom, maar geven ook inzicht in de sociale verhoudingen op het Drentse platteland. Huwelijkscontracten, schenkingen en testamenten laten zien hoe zorgvuldig men familiebezit overdroeg en hoe pleegkinderen of neven soms de rol van erfgenaam overnamen wanneer eigen kinderen ontbraken. Het Folkers erve vormt daarmee een representatief voorbeeld van de ontwikkeling van een zeventiende-eeuwse ontginningsboerderij tot een modern landbouwbedrijf, terwijl de opeenvolgende bewoners een goed beeld geven van de economische en sociale geschiedenis van de buurtschap Veenhuizen/Nijensleek.
