Ommen

Stadsrechten in 1248
Ommen is waarschijnlijk ontstaan rondom het tolhuis dat de bisschoppen van Utrecht hadden gebouwd bij een doorwaadbare plek in de Vecht. De nederzetting lag niet alleen gunstig langs deze rivier, maar bevond zich ook op een kruising van landroutes richting Westfalen en Drenthe. De plaatsnaam verscheen voor het eerst in 1133 in de naam van Engelbertus de Umme, die dan getuige is bij een schenking van goederen aan de abdij Klarholz in Westfalen. In 1248 kreeg Ommen stadsrechten van bisschop Otto III van Utrecht. De oorspronkelijke akte is verloren gegaan, hetgeen bij heel wat steden het geval is. Een document dat daarvoor moest doorgaan wordt algemeen als onecht beschouwd. Het handschrift is zeventiende-eeuws en bevat zelfs het verkeerde jaartal (1208). Niettemin doet de inhoud authentiek aan. De naam van de bisschop wordt vermeld met een achttal getuigen, onder wie ridders en de toenmalige schouten van Salland en Vollenhove. Andere bewijzen voor de oude papieren van Ommen als stad zijn de brieven uit 1343 en 1346, waarin bisschop Jan van Arkel de rechten bevestigt. Aan een charter uit 1336 hangt het stadszegel van Ommen, waarvan het huidige gemeentewapen is afgeleid. Met de stadsrechten kreeg Ommen het recht van ommuring. De eerste verdedigingsmuur was een eenvoudige houten omheining, maar eind 14e eeuw kwamen er wallen en grachten met drie stadspoorten. In 1518 moesten de wallen worden geslecht op bevel van bisschop Philips van Bourgondië.
Troepenverzameling bij Ommen in juli 1227
Sallandse ridders verzamelen zich in Ommen
In de Narracio, die in 1232 werd geschreven door een bisschoppelijk kroniekschrijver, werd genoteerd dat vóór het voorjaar van 1227 bisschop Otto II van Utrecht alle ridders van Salland in het strategisch gelegen Ommen opstelde, om te verhinderen dat de Coevordenaren dat deel van het Sticht zouden binnenvallen. Ook moest dat leger er voor zorgen dat ze het niet zouden wagen om Groningen te gaan belegeren. Rudolf van Coevorden had slechts een handjevol krijgslieden, maar hij viel krachtig aan, versloeg en verdreef de Sallanders alsof het vrouwen waren en plunderde geheel Ommen. Rudolf verzamelde een leger met o.a. de Groninger handelsfamilies Gelkingen en de Friezen en belegerde Groningen.
Hollandse en Stichtse ridders via Vollenhove
De bisschop stelde daarop zelf een omvangrijk leger samen met ridders en schildknapen. Het verzamelpunt van de verschillende onderdelen van dit bisschoppelijk leger was ten zuiden van de burcht Vollenhove geweest op de plek waar de Overijsselse Vecht in de Zuiderzee uitstroomt. Vandaar ging het leger via Dalfsen naar Ommen, waar ze een week voor de slag bij Ane bivak namen. Via de landwegen vanaf Deventer en Zwolle alsook via de Regge (vanuit Twente) en de Vecht konden hier allerlei facties van het bisschoppelijk leger elkaar treffen. Op 8 en 9 juli 1227 was bisschop Otto nog in Deventer. Minstens een deel van de Hollandse en Stichtse mannen zal via Vollenhove (bisschoppelijk kasteel) en het Zwarte Water zijn gereisd. Voor de deelnemers vanuit de Achterhoek en het Rijn-gebied zal ook de IJssel deel van de reisroute zijn geweest. De kastelen Eerde en het Laar waren allicht logiesplekken voor de elite.
Schenking van tienden aan proosdij van Deventer
Een kleine week voordat de Slag bij Ane plaatsvond werd op 22 juli 1227 op de verzamelplaats van de legers bij Ommen een oorkonde opgemaakt, waarbij o.a. zekere Roger de Cotene als getuige optrad. Bij deze oorkonde werden door bisschop Otto II van Lippe tienden bij Hasselt geschonken aan de proosdij van Deventer. Als proost fungeerde daar in die tijd een broer van Otto II, Diederik van Lippe. Ook deze was hierbij te Ommen aanwezig, niet alleen om die tienden in ontvangst te nemen, maar ook om mee te gaan vechten tegen de Drenten. Wat hierbij opvalt, is dat bijna alle hierbij aanwezige getuigen afkomstig waren uit de omgeving van de stad Zwolle. Het ging hier, met uitzondering van Eylard van Bentheim, om Dirk van Buckhorst, Henric en Herman van Voorst, Engelbert van Gerner, Alfer van Isselmuden, Roger de Cotene, H. de Snavle en Johan de Hathem. Van hen zouden Buckhorst, Herman van Voorst en Johan van Hathem binnen vijf dagen hun leven op het slagveld bij Ane verliezen.
Hoger gelegen terrein aan de Regge
De plaats in Ommen waar de bisschop zijn troepen heeft laten samenkomen is vermoedelijk het wat hoger gelegen terrein aan de Regge, waar vroeger een mottekasteel heeft gestaan dat het oudste leengoed nabij Ommen zal zijn geweest. Ridders uit Friesland, de kop van Overijssel en West-Drenthe konden bij Varssen de Vecht oversteken, waar een voorde was. Ridders uit Zwolle en omgeving kwamen via Dalfsen en uit zuidelijker streken kon men via Deventer en Raalte rechtstreeks naar Ommen komen.
Vertrek van Ommen naar Ane
Bisschoppelijk kampement bij Ane
Vanuit Ommen werden de verzamelde troepen aan het eind van de maand richting Ane vertrokken. Vanaf Ommen had het leger na iedere etappe zijn tenten opgeslagen en gebeurde dit aldus de Narracio voor de laatste keer bij Ane. De kroniek spreekt van ‘tenten ende paweljoenen … tot Anem’. Het verschil met de andere etappes is dat de logistiek moest omschakelen van gedeeltelijk vervoer over water naar geheel vervoer over land. Het kan zijn dat niet alle schepen ten tijde van de slag waren leeggehaald. In Ommen, Nijensteden en Gramsbergen zou de bisschop en zijn dienstmannen hebben kunnen verbleven bij een hof. In Gramsbergen zou dat de Oude Hof geweest kunnen zijn (bij Gramsbergen ligt een rond terrein met meerdere omgrachtingen). Ook bij Ane zijn aanwijzingen dat hier mogelijk een versterking heeft gelegen. Dicht bij de Vecht.
Beleg van Coevorden als beoogd doel
Door het noemen van belegeringsmaterieel is duidelijk wat het operationele doel van het bisschoppelijke leger was, namelijk het beleg en de inname van Coevorden. Er zullen veel karren en wagens zijn meegenomen omdat het laatste stuk, zo’n tien kilometer, over land ging via een landweg. Het operationele belang daarvan was groot, immers die weg was voor het aanvallende leger de route naar het aanvalsdoel. Uiteraard was het verdedigende leger erop gebrand om deze toegangsweg te versperren.
Desastreuze slag bij Ane op 28 juli 1227
Dat er tussen Anevelde en Coevorden in die tijd een weg lag blijkt uit 1232, waar de Narracio het heeft over een tocht ‘naar Ane, naar dat moeras en [de] weg naar Coevorden’. Volgens onderzoekers liep er slechts één beter begaanbare weg vanaf Ane, langs de Holthoner Esch richting Coevorden. Deze was als sinds de twaalfde eeuw in gebruik. Daarnaast kon Coevorden worden bereid via een slecht begaanbare landweg, die langs de hoogte de Meene en de Haandrik liep, langs de westkant van de Kleine Vecht. Er zijn aanwijzingen dat het eind juli stevig had geregend, waardoor het minder plausibel dat die weg werd gevolgd daar lager gelegen delen van de bodem onder water stonden. Deze buien hadden de venen en moerassen weer van vers water voorzien. Op 28 juli 1227 volgde de slag bij Ane, die voor de troepen van de bisschop desastreus afliep.
Diorama’s Slag bij Ane
In het Nationaal Tinnenfigurenmuseum in het oude stadhuis van Ommen zijn diorama’s ingericht over de diverse gebeurtenissen betreffende de slag bij Ane. Deze diorama’s werden uitgevoerd door Leipziger modelbouwers.
Stadsrechten en stadsmuur
Toestemming stadsrechten voor Ommen in 1248
In 1248 gaf de Utrechtse bisschop Otto III stadsrechten – en daarmee het recht van ommuring – aan Ommen. De oudste verdediging van Ommen was een houten omheining. Hiermee kon de bisschop niet alleen zijn tolhuis beter beschermen, maar kreeg hij ook de beschikking over een militair steunpunt in deze onrustige grensstreek. Ommen was nu een bolwerk van bisschoppelijke macht. De stad was dan ook een doelwit voor de opstandige heren Zweder van Rechteren en Roderik van Voorst en in 1330 vielen zij Ommen aan. Ze staken de stad in brand en lieten de ommuring afbreken. Door geldgebrek was Ommen voorlopig niet in staat om de omheining te herbouwen.

Nieuwe verdedigingswerken 1382-1386
In de jaren 1382-1386 werd Ommen opnieuw voorzien van verdedigingswerken. Rondom de stad werd een gracht gegraven en het zand dat hierbij vrijkwam werd gebruikt om een aarden verdedigingswal aan te leggen. Voor hem was Ommen een uitvalsbasis om zowel de roofridders te bestrijden als de opstandige Drenten onder de duim te houden. Ook was hij Ommen dankbaar voor hun hulp bij de inname en verwoesting van kasteel Eerde in 1380. Drie poorten gaven toegang tot de stad: de Varsenerpoort en de Bruggepoort (ook wel: Vechtpoort) aan de westzijde en de Arriërpoort aan de oostzijde. Later is ook nog een stenen muur gebouwd, maar vermoedelijk betreft dit een borstwering bovenop de aarden wal. De stadspoorten zijn op dat moment waarschijnlijk ook in steen herbouwd. In 1439 stond de bisschop nog zijn recht op de meente af aan het stadsbestuur, zodat de verdedigingswerken beter onderhouden konden worden. De stenen muur was vermoedelijk niet zo heel hoog, want een verordening uit 1451 verbood het om over de muur heen te klimmen.


Spiker voor oorlogswerktuigen
Steven van den Clooster kreeg in 1465 toestemming om aan de buitenzijde van de stadsmuur een spiker te bouwen. In dit omgrachte bouwwerk moest hij als eigenaar dan wel enkele oorlogswerktuigen op voorraad houden, zoals een knijpbusse. Ook was hij verplicht de stad te verdedigen in geval van een aanval. De Utrechtse bisschoppen verloren in de vijftiende eeuw steeds meer van hun macht, waardoor de positie van Ommen als strategisch steunpunt ook minder belangrijk werd. De groei van Ommen werd tevens belemmerd doordat het handelsverkeer te weinig voorstelde.