13e – 14e eeuw

Kleding en bewapening
Maliën als belangrijkste bepantsering
Kleding en bewapening speelde een belangrijke rol voor de ridders in de strijd. Het arsenaal van de middeleeuwse strijder was uitgebreid en beperkt tegelijk. De persoonlijke wapens van de strijders waren blanke wapens in de meest diverse vormen. Ridders besteedden een groot deel van hun tijd aan wapentraining. Ze waren professionele strijders die bereid moesten zijn tot het voeren van oorlog. In de achtste en negende eeuw draagt men een maliënkolder of byrnie. De maliën zijn verscheidene eeuwen de belangrijkste bepantsering van de krijgsman. De harnassen van zware en grote metalen platen ontstaan in de twaalfde eeuw, als meer bescherming nodig is tegen wapens met spitse punten, zoals pijlen en hellebaarden.
Kleding en bewapening waren van groot belang voor ridders
Uitrusting tijdens Slag bij Bouvines 1214
Gepantserde cavalerie was bepalend
De twee strijdende legers tijdens de Slag bij Bouvines in 1214 waren uit zowel ruitercontingenten als uit grote afdelingen van voetvolk samengesteld. Deze laatsten waren aan beide zijden duidelijk oververtegenwoordigd, maar werden door hun lichte uitrusting verondersteld maar van weinig militaire waarde te zijn. De uitkomst op het slagveld van Bouvines werd door de gepantserde cavalerie bepaald, waardoor deze strijd tot de klassieke ridderslagen van de middeleeuwen wordt gerekend. De kwaliteit van de uitrusting verschilde naargelang de stand en het vermogen van de bereden krijger, want niet elke ruiter bij Bouvines was ook een ridder. Juist rond de eeuwwisseling van de twaalfde naar de dertiende eeuw, toen het ridderschap zich tot een vaste sociale stand begon om te vormen, waarbij voor het behoud ervan een behoorlijk financiële basis voor nodig was, konden zich steeds minder leden van de lagere adel aan de nodige voorwaarden voor de verlening van de ridderslag voldoen en kozen er daarom voor als edelknaap ten strijde te trekken.
Welgestelde ridders en baronnen
Het uit ijzeren ringen (maliën) of plaatjes bestaande maliënkolder (pantserhemd) vormde de meest gangbare vorm van bescherming voor de ruiterij. Die welgestelde ridders en baronnen konden zich bij Bouvines reeds met metalen arm- en beenbeschermers, die over hand- en voetgewrichten reikten, bijkomend beschermen. Het hoofd werd door de cilindrisch gevormde pothelm beschermd, die het gezicht volledig bedekte en slechts kleine openingen voor het zicht en de ademhaling bezat. Edelknechten en weinig vermogende ridders droegen daarentegen nog de verouderde neushelm. Daar men de identiteit van de meeste ridders door deze helmtypes op het slagveld amper nog kon opmaken, diende het wapen van een ridder ter herkenning door mede- en tegenstanders. Op lichte stof aangebracht, werd het wapen over een V-schild gespannen, niet zelden werd het tegelijk met de eerste botsing met de tegenstanders beschadigd of volledig verscheurd. De bewapening van ene ridder bestond naast de lans als stootwapen uit een zwaard, mes en strijdknots voor het lijf-aan-lijf-gevecht. De bisschop van Beauvais zou slechts met een knots hebben gevochten, aangezien zijn geestelijke stand het dragen van ridderwapens verbood.
Magere uitrusting voor het voetvolk
Het voetvolk bezat nauwelijks toereikende bescherming. Het droeg eenvoudige lederen vesten, hoge beenkappen en in het beste geval ijzerhoed. Ondanks zijn geringe betekenis voor het slagverloop vormde de gewone strijder te voet toch het gros van de gevallenen. Het enige wapen van betekenis dat het bezat, waren met haken en punten voorziene pieken waarmee ridders van hun paarden werden getrokken. Dit wapen werd daarom als onridderlijk beschouwd en worden ze navenant in het door Willem de Bretoen, die kapelaan van de Franse koning was, opgetekende strijdverslag enkel door de tegenstander gebruikt, ofschoon het gebruik van zulk een wapen ook langs Franse zijde waarschijnlijk is. Een later geschreven Duitse kroniek uit de Zwabische abdij van Ursberg maakte op haar beurt enkel melding van het gebruik door de Fransen van dit wapen.
De kleding en bewapening in Holland
Ontwikkeling in de kleding van de ridder
De ridder droeg een goed en lang zwaard, lansen, een helm en een maliënkolder. In de elfde en twaalfde eeuw reikte dit van kruin tot knie, om schouders en nek te bedekken. Na 1150 reikten de maliën gewoonlijk tot over de kuiten. Vaak was het kolder vanaf de dijen open en waren er aan weerszijden diepe splitten om het paardrijden te vergemakkelijken. Aangezien de benen er ‘bloot’ onderuit kwamen, droegen de ridders onder het kolder leren beenbeschermers. Hoewel een maliënkolder veel bewegingsvrijheid gaf, was de beschermende waarde ervan beperkt. Scherpe zwaarden en strijdbijlen boorden er wel degelijk doorheen. De punthelmen waren voorzien van een extra neusbescherming en hadden een brede band onder de kin. De schilden waren niet breder dan een el, maar qua lengte reikten ze van onder de knieën tot over de borst, dus waren ze ongeveer even lang als het maliënkolder. De lans, waarmee de eerste schokstoot moest worden geplaatst, kon wel tien voet lang zijn.
Bewapening van de infanterie
De bewapening van de infanterist was gelijk aan die van de ridder. Op het tapijt van Bayeux (eind elfde eeuw) zien we zowel infanteristen met kolder en helm, als soldaten, blootshoofds met een leren vechtjas, ook wel wambuis of porpunt genoemd, aan. Qua bescherming deed een wambuis nauwelijks of niets onder voor een kolder. Aan het einde van de twaalfde eeuw waren er overigens ook al de ronde gesloten helmen. Willem de Maarschalk (1145-1219) had er ook een: die was tijdens een toernooi ‘door de schok achterstevoren gaan zitten’ en ‘zo geblutst dat de smid met zijn hamers en zijn tangen er aan te pas moest komen om het hoofd van de ridder op het aambeeld en onder groot gesteun van zijn ijzeren omhulsel te ontdoen.’ In de loop van de twaalfde eeuw kwam ook het gesloten borstpantser in zwang, dat pas in de vijftiende eeuw was uitgegroeid tot een volledig gesloten harnas.
Lansknechten en kruisboogschutters
In de loop van de dertiende eeuw was de tactiek aan het veranderen: lansknechten en kruisboogschutters gingen een rol van betekenis spelen, maar van wezenlijke tactische integratie is nog niet of nauwelijks sprake. In 1214 bleek op het slagveld van Bouvines in welke mate de bewapening verder ontwikkeld was. De rijkere edellieden hadden nu hun armen geheel in maliën gegord, hun benen met beenstukken bedekt, op de borst was een plaat gekomen (de ventaille) en cilindrische helmen hadden de konische vervangen. De gezichten waren onzichtbaar geworden, zodat wapenrokken heraldiek noodzakelijk waren om pijnlijke vergissingen te voorkomen. Behalve de sergeanten waren er zelfs kruisboogschutters te paard. De kleding en bepantsering van de voetknechten bleef dezelfde, alleen was de helm puntig (de bascinet) of plat (het beckeneel).
Toenemende metalen lichaamsbedekking
In de dertiende eeuw werden steeds meer delen van het gezicht beschermd met scharnierbare onderdelen, wat hard nodig was omdat de wapens lethaler werden. Op houten schachten werden scherpe bladen, punten en klauwen gemonteerd: de fautsoenen, gisarmen, helzmaxen en waarschijnlijk ook goedendags-avant-la-lettre. Hiermee verwierf men geen roem, maar kon wel de slag gewonnen worden. Hoewel er wel steeds meer verscheidenheid binnen de infanterie kwam, veranderde de tactiek vrijwel niet. Er kwamen meer platen over de maliën. Een ridder droeg nu vier stukken over elkaar: het wambuis (leren jack), daarover het halsberg (de maliënkolder), daarover de borstplaten en daarover de linnen heraldische wapenrok. Over de armen kwamen mouwstukken en hantscoenen en over de benen beenlingen, knielingen, met daaronder maliënkousen. Vooral het schild was inmiddels stukken kleiner en meer hanteerbaar geworden.

Verplichte kleding 1342
Bewapening en bepantsering
In 1342 gaf graaf Willem IV zwart op wit waaraan moest worden voldaan voor de bewapening en bepantsering van de heerplichtigen. Wiens bezit tussen de 50 en 100 Hollandse ponden groot was, behoorde uitgerust te zijn in vol ‘harnask, halsbergoele, wayele, coliere, hersniere, spondiere, ende al harnask, dat toet sinen live behoert’ (maliënkolder, wapenrok, leren wambuis, vizier, schouderplaten en andere platen waarmee hij zijn lichaamsdelen kan bedekken). Wiens bezit kleiner is dan 50 ponden ‘sel hebben spondier, laken colier, hersniere, wapenhanscoen, staf, knyf, ende dat dair toe behoert’ (zorgt voor schouderplaten, wollen wambuis, een helm, wapenhandschoenen, lans, een lang mes en verder alles wat daarbij hoort).


Beperkte eisen voor de allerarmsten
Aan de allerarmsten onder de huislieden waren deze wetten overigens niet besteed, want de ‘sappeurs‘ die loopgraven aanlegden, waren slechts voorzien van: ‘Brecbile, handbomen, ghetouwe ende ander gheriescap als si behoren om te woesten ende te vellen alle slote, stenhuze ende vestenisse dye onze vyanden hebben’. Het legeronderdeel van de genie heeft een middeleeuwse wortel, want zij leverde de artilleriemeesters die in het veld de enghiene construeerden. Dat hun personeel dikwijls uit de armen bestond, die ook de sloten en stenen huizen slechtten, wordt nog weerspiegeld in het huidige devies van de genie: ‘Souvent détruire, parfois bâtir, mais toujours se battre’ (Vaak verwoesten, soms bouwen, maar altijd vechten).
(bron: Ronald de Graaf)
