Direct naar de inhoud.

Bij Coevorden

Ten Clooster

Boeteklooster bij slagveld

Het is nog steeds niet duidelijk waar het klooster ‘Beate Maria in Campis iusta Covordiam’, dat door de Drenten bij Coevorden gebouwd moest worden als boete voor de Slag bij Ane, heeft gestaan. Was het op de locatie waar later het huis Ten Clooster stond, dat op de fundamenten van het klooster werd gesticht? Dit adellijke huis stond aan de noordkant van de Lorentzweg 8, waar nu een boerderij staat.

Werd een adellijk huis gebouwd op kloosterfundamenten?

Huis Ten Campen bij Coevorden 1259

Omstreeks 1260 verhuisde het klooster van Coevorden naar de omgeving van het latere Assen. Op 31 oktober 1259 keurt Otto III graaf van Bentheim (1240-1285) de overdracht goed door ridder Hako, zoon van wijlen Stephanus de Hardenberg, aan de abdij Mariënkamp bij Coevorden van de hof en molen c.a. te Durse en de pacht van vier Groninger ponden bij Nortwalde bij Rode. Deze goederen hield Hako vroeger in leen van de graaf van Bentheim. Echter onder voorbehoud van drie Groninger ponden uit de hof voor zijn kastelein ridder Hermannus de Methele. Dit in ruil voor het huis ten Campen bij Coevorden (‘domum in Campen iuxta Covordiam’), door het klooster verkregen van Johannes Campinc en Rode, en haar rechten op de door het klooster van graaf Otto van Bentheim in leen gehouden huizen te Itterbeke en te Anewede, met uitzondering van haar bezittingen te Lutten.

Huis Ten Clooster 1328

Het Huis Ten Clooster heeft mogelijk op de plek van het voormalige Cisterciënzer klooster Mariënkamp gestaan. Het heeft mogelijk zelfs (een deel van) de vroegere kloostergebouwen omvat. In 1328 verkochten graaf Johan II van Bentheim, zijn vrouw Mechteld zur Lippe en hun kinderen Simon en Otto het huis genaamd ten Clooster bij Coevorden, dat knaap Hake van den Rutenberge in leen had, aan Jan van Diest, bisschop van Utrecht. Ten Clooster was en bleef een leenbezit van de kleinzoon van Hako van Hardenberg, Egbert Hake van den Rutenborg. Volgens een oorkonde van 25 januari 1354 hield Johan van den Clooster, schoonzoon van Steven van den Rutenberge, het huis ten Clooster van Steven in onderleen. Deze Johan voerde het wapen van de Bentheims en vermoedelijk is hij een bastaardzoon van Johan II van Bentheim.

Beschrijving van het adellijk goed

In 1657 werd het Huis Ten Clooster als volgt omschreven: ‘Het huis ende havesate Ten Clooster mette anexe goederen, visscherijen en anderen sijnen olden en nijen toebehoor, recht ende gerechticheijt, soo als syne voorouderen voor desen van besitteren des Huises Zuithem subalterne plegen to ontfangen, exempt die drie meentedelen, gelegen in ‘t Coeverdische Broeck, waer in tegendeel wederomme to lheene sijn gegeven het Nije lant, recht tegenover het Huis Ten Clooster over de Vechte liggende, soo Herman van den Campe ende Anna van Steenwick in haer leven aengecoft, gelegen in den kerspel ende heerlijckheit Coeverden, alsmede mette manschappen van Hondebroeck ende andere manschappen ende leenen, soo van oldes heer tot het Huis ende goet Ten Clooster altoos gehoort hebben, alsmede dat erve Rederinck ende het Rodt, dat uut Rederinck gesprooten is, beide gelegen in den kerspel Emblichem, bourschap Laerwolde, met haer olde ende nije toebehooren, recht ende gerechticheit.

Verdwenen in de 17e eeuw

Het Huis ten Clooster is met name in de Tachtigjarige Oorlog regelmatig doelwit geweest van zowel Spaanse als Staatse troepen. Verdugo en Maurits hebben op Huis Ten Clooster hun hoofdkwartier gehad. In één van de oorlogsjaren 1672-1673 werd het huis een prooi der vlammen. Kort daarna werd het restant van het huis gesloopt. Ruim twintig jaar later verzoekt jonker Johan Rutger van den Camp om schadeloosstelling van de geleden schade, die werd begroot op ƒ 27.300. Het goed bestond daarbij uit het ‘Adellijck Huis ten Clooster met sijn bruggen en poorten, vijf meijers huijsen met de annexe schuijren en hoijbergen, het busch ten Clooster bestaande in eijckenbomen en de hoven met de vruchtbomen, koojen (schuren) en cingels mitsgaders de mantelinge daeromme.’ Het huis is nooit weer opgebouwd.

Restanten Huis ten Clooster

Tijdens ruilverkavelingswerkzaamheden in het gebied ten zuidwesten van Coevorden werden in augustus 1963 sporen ontdekt van het grachtenstelsel van huis ten Clooster. In het oostelijk grachtgedeelte werden over een lengte van ruim vijftien meter muurresten en palen aangetroffen. De muren rustten op een raamwerk van vuren- en eikenhout, zogenaamde poeren. Deze funderingsconstructies zijn in natte gebieden tamelijk algemeen. De muurresten waren opgetrokken uit zogenaamde kloostermoppen. Voornamelijk aan de buitenkant van de muur werden twee rijen vurenhouten palen gevonden die wellicht als beschoeiing dienst hebben gedaan. Aan de binnenkant van de muur werd een onregelmatig rij rechthoekige eiken palen ontdekt, vermoedelijk een fundering. De muur- en paalresten moeten waarschijnlijk worden gezien als één muur, gefundeerd op palen oprijzend uit de gracht. Op het middenterrein werden restanten van een schuurtje van circa drie bij vijf meter aangetroffen. De noordgevel van het huis ten Clooster liep waarschijnlijk vanaf de krimp in het oostelijke grachtgedeelte naar de er tegenover liggende houten constructie in het westelijke grachtgedeelte.

Steengoed uit de 13e eeuw

Het huisterrein was ietwat trapeziumvormig en had een oppervlakte van ruim 500 m2. Het terrein is wellicht geheel ommuurd geweest. De gracht rondom het Huis Ten Clooster was gemiddeld ruim tien meter breed. In de noordwesthoek werd een slootje of gracht ontdekt, die vermoedelijk in verbinding stond met de Wetering of de Kleine Vecht. De sloot of gracht liep in noordelijke richting verder en sloot aan op wat waarschijnlijk de oude meander van een riviertje was. Tijdens de opgraving kwamen er vondsten aan het licht als schreven van aardewerk, bakstenen, dakpannen, puin en Bentheimer zandsteen. Jaren later vond J.R. Beuker scherven van zogenaamd steengoed, die in de dertiende eeuw kunnen worden gedateerd. Vanwege de geringe omvang van de scherven is een preciezere datering binnen de dertiende eeuw niet mogelijk.