Emmen

Grote Kerk
De vroegste fase van het christendom
Het archeologisch onderzoek van 1964 in de Grote Kerk van Emmen inzicht geeft in de vroegste fase van het christendom in Drenthe en in de opeenvolgende kerkgebouwen die op dezelfde plek hebben gestaan. Op basis van paalkuilen, veldkeienfunderingen, vloeren, brandsporen, bouwmaterialen en een combinatie van archeologische en historische ijkpunten wordt een reconstructie gemaakt van een bouwreeks die begint in de negende eeuw met houten kerken en eindigt in de dertiende eeuw met een bakstenen kerk, waarvan de toren nog steeds bestaat. De opgraving laat daarnaast zien dat onder de kerk een van de oudste vermoedelijk christelijke begraafplaatsen in Drenthe ligt, die waarschijnlijk verbonden was met een lokale elitefamilie en mogelijk met een vroegmiddeleeuws domein dat later in bisschoppelijk bezit kwam.
Grootscheeps archeologisch onderzoek in 1964
Een aantal houten kerken
Een eerste analyse van de opgravingsvlakken maakte duidelijk dat er rijen paalkuilen aanwezig waren die wijzen op houten bouwsels. Eerdere onderzoekers interpreteerden deze paalsporen als één drieschepig gebouw. Het huidige onderzoek komt echter tot een andere conclusie: de sporen passen beter bij het bestaan van twee houten gebouwen die elkaar opvolgden. Een van die twee had bovendien een afwijkende oriëntatie (enkele graden gedraaid ten opzichte van de latere kerken). Omdat dit gebouw ook het kleinste was, wordt het beschouwd als de oudste houten kerk.
De eerste houten kerk
Klein zaalkerkje (5 x 15 m)
De oudste kerk wordt gereconstrueerd als een eenvoudig zaalkerkje van ongeveer 5 meter breed en 15 meter lang. Vooral van de zuid- en oostwand bleven veel paalkuilen bewaard; sommige ontbreken door verstoring bij latere begrafenissen. De kuilen zijn meestal vierkant en bevatten in het midden een paalgat. Langs de zuidwand liggen ze opvallend regelmatig, op ongeveer 1,50 meter afstand van elkaar. Vijf kuilen aan de zuidzijde hebben een tegenhanger aan de noordzijde, maar de noordwand is grotendeels verstoord door de latere bouw van de stenen kerk. Daarnaast bevinden zich aan beide kanten enkele paalkuilen die iets buiten de wandlijn vallen; dit kan wijzen op reparaties of op een ingangspartij (vooral aan de noordkant). Van de westzijde van het gebouw zijn geen duidelijke sporen gevonden; vermoedelijk was de constructie daar lichter, waardoor ze minder archeologisch zichtbaar werd.
Datering midden 9e eeuw
Opvallend zijn onregelmatige sporen in het oostelijke, centrale deel van het kerkje, ongeveer op de lengte-as. Omdat ze logisch binnen de plattegrond passen, worden ze aan deze kerk toegeschreven. Mogelijk duiden ze op een altaarconstructie, maar de exacte vorm is niet te achterhalen. Directe datering is niet mogelijk, omdat er geen vondsten zijn die aan de paalkuilen gekoppeld kunnen worden. De datering volgt daarom uit de plaats in de ontwikkelingsreeks: de kerk wordt in het midden van de negende eeuw geplaatst. Typologisch lijkt het gebouw niet op woonstalhuizen of bijgebouwen uit dezelfde tijd, maar het vertoont wel duidelijke overeenkomsten met de eerste houten kerk van Vries, die in de eerste helft van de negende eeuw wordt gedateerd.
De tweede houten kerk
Groter, maar minder goed herkenbaar (6 x 21 m)
In het paalkuilpatroon is ook een tweede gebouw te zien, maar de plattegrond is minder scherp. De vermoedelijke afmetingen zijn groter: ruim 6 meter breed en circa 21 meter lang. In het westelijke deel van de zuidwand liggen vijf paalkuilen (op één ontbrekende na) in een strakke maatvoering, met telkens ongeveer 2,5 meter tussenruimte. Het oostelijke deel van de zuidwand is niet zichtbaar doordat dit onder de stenen kerk ligt. De oostelijke sluiting van deze tweede kerk valt deels samen met die van de eerste, wat op continuïteit in de heilige oostoriëntatie wijst. Noord- en westwand zijn slecht herkenbaar door latere verstoringen; de positie van de westwand is grotendeels gebaseerd op twee paalkuilen en op het argument dat deze lijn samenvalt met de westwand van een latere derde kerk. Ook voor deze tweede kerk ontbreken directe daterende vondsten; net als de eerste kerk is er geen overtuigende overeenkomst met woonstalhuizen of andere boerderijgebouwen uit de negende of tiende eeuw.
De derde houten kerk
Op stiepen van veldkeien (Ständerbau)
Naast paalkuilen is in Drenthe vaker een ander type vroeg kerkgebouw aangetroffen: houtbouw op veldkeienfundering. In de literatuur worden twee hoofdvormen onderscheiden: Schwellenbau (met horizontale balken op keien) en Ständerbau (met stijlen op afzonderlijke stiepen). Bij beide methoden wordt houtrot verminderd omdat het hout niet in de grond staat, in tegenstelling tot Pfostenbau (palen ingegraven in de bodem). Daardoor kunnen zulke gebouwen veel langer blijven staan. In Emmen werden bij de opgraving aanvankelijk geen herkenbare patronen van stiepen gezien, hoewel er veel veldkeien op de vlaktekeningen stonden. Door alle grote keien uit verschillende niveaus te combineren in één overzichtstekening, mét hoogtemetingen, kwam alsnog een patroon aan het licht: vier grote veldkeien (met een lengte-as van circa 70 cm) vormen de hoekpunten van een rechthoek van ongeveer 6 × 22 meter. Drie van de vier keien hebben vrijwel dezelfde bovenkant-hoogte (rond 22,60–22,68 m +NAP) en lijken plat aan de bovenkant, wat past bij stiepen. De vierde steen heeft een afwijkende hoogte (22,90 m +NAP) en ligt net niet in het perfecte hoekpunt; vermoedelijk is die bij de bouw van de stenen kerk verplaatst. Rond enkele grote keien liggen kleinere stenen die als steun kunnen hebben gediend. Dit alles wijst erop dat hier een derde houten kerk stond, gebouwd volgens het Ständerbau-principe.
Mogelijke drieschepige constructie
Er zijn aanwijzingen dat de westwand mogelijk breder doorliep doordat er in het verlengde van de westwand aan beide kanten keien liggen. Dat zou kunnen wijzen op een bredere, mogelijk drieschepige constructie, maar dit kon niet overtuigend worden bewezen. Ook is duidelijk dat er oorspronkelijk meer stiepen moeten hebben bestaan dan alleen de vier hoekstiepen; veel keien kunnen hergebruikt zijn in de fundering van de latere stenen kerk. Binnen de rechthoek liggen bovendien enkele keien die ook stiepen kunnen zijn geweest, maar hun rol is onbekend. Een aparte groep van vijf grote keien met een hogere bovenzijde (rond 23,00 m +NAP) heeft vermoedelijk een andere functie; die komt vooral bij de overgang tussen schip en koor van de later stenen kerk aan bod.
De middeleeuwse bakstenen kerk
Driebeukige stenen kerk
De middeleeuwse stenen kerk van Emmen is in 1855 – behalve de toren – afgebroken vanwege bouwvalligheid. Vlak vóór de afbraak maakte rijksontvanger J. Reijnders tekeningen van de kerk, van buiten en van binnen, inclusief muurschilderingen die in het koor zichtbaar werden. Op basis van deze tekeningen en de opgraving is bekend dat de kerk een driebeukig schip had met een versmald koor. Binnenin waren spitse bogen en koepelvormige gewelven met steil oprijzende ribben (Domikalgewölbe). Aan de noordzijde waren smalle spitsboogramen, deels later dichtgemaakt of gewijzigd. Bij de opgraving werd een groot deel van de fundering van deze afgebroken kerk blootgelegd. Belangrijke losse vondsten zijn onder andere een doopvont van Bentheimer zandsteen, gedateerd in de eerste helft van de dertiende eeuw, en enkele munten uit de vijftiende tot achttiende eeuw die in de kerk zijn gevonden.
Toren: veldkeien, zwerfsteenblokken en kloostermoppen
Onder de toren zelf vond geen opgraving plaats, maar een profiel langs de voet maakte duidelijk dat de toren op een fundament van grote veldkeien staat. De onderste drie meter van de toren zijn opgebouwd uit grote, tot blokken gehakte zwerfkeien; daarboven bestaat het metselwerk uit kloostermoppen (grote middeleeuwse bakstenen). Delen van de toren zijn in 1907 ommetseld, waardoor het oorspronkelijke baksteenwerk alleen nog aan de noord- en oostzijde zichtbaar is. De toren had tot 1855 een hoge ingesnoerde spits, later vervangen door de huidige achtkant met korte spits. Dendrochronologisch onderzoek van de klokkenstoel wijst op een kapdatum rond 1376. Een klok droeg ooit de inscriptie 1456 (later omgesmolten). Een opvallende vondst is een zwaar ijzeren splijtijzer (wig) van 1,6 kg, gereedschap waarmee natuursteen wordt gespleten. Het is waarschijnlijk gebruikt bij het bewerken van de veldkeien voor de toren. Langs de randen van de behakte keien zijn boorgaten zichtbaar, wat het gebruik van dit soort gereedschap ondersteunt.
Schip: grove fundering, lemen vloeren, brandsporen en latere aanpassingen
Het schip (circa 12 m breed en 16 m lang) is slechts gedeeltelijk opgegraven. De zijmuren staan op een grove fundering van veldkeien en mortel. De fundering van de oostmuur wijkt af: daarin ‘zweven’ keien als het ware in de mortel, wat later wordt geïnterpreteerd als een reparatiezone. Aan de buitenzijde werden later steunberen toegevoegd. Vermoedelijk waren er aanvankelijk lisenen (verticale muurversterkingen) die in een latere fase zijn verzwaard tot steunberen, mogelijk om gewelfdruk op te vangen. De baksteen van de steunberen is kleiner dan die van het schip, wat op latere toevoeging wijst. Overhoekse steunberen op de vier hoeken zouden oorspronkelijk kunnen zijn, maar foto- en tekeningstudie maakt het plausibel dat ook deze later zijn aangebouwd. Binnenin stond het schip op vier zuilen die het gebouw in drie beuken verdeelden. De zuilen hadden een fundering van veldkeien en mortel met daarboven een vierkant plateau, waarop meestal alleen nog de onderste baksteenlaag van de achtkantige zuilen resteerde.
Mogelijke brand in 1228 – verbrande lemen vloer
In het schip lagen twee lemen vloeren boven elkaar, elk ongeveer tien cm dik. Deze vloeren liggen over de stiepen van de derde houten kerk heen, wat bewijst dat ze later zijn. Op de onderste leemvloer liggen veel brandresten; de laag is plaatselijk doorgebrand en rood verkleurd. Dat wijst op een grote brand, waarna men de brandlaag afdekte met een nieuwe lemen vloer. De tekst suggereert dat deze brand mogelijk samenhangt met de historische verwoesting van Emmen in 1228, toen Twenten een strafexpeditie uitvoerden na de nederlaag van de bisschop bij Ane (1227). Onder de onderste leemvloer werd laat Pingsdorfaardewerk gevonden, mogelijk twaalfde-eeuws, wat het tijdvenster ondersteunt. Later werden tegen de wanden halfzuilen geplaatst om gewelven te dragen. Deze staan ‘koud’ tegen de torenmuur en tegen de aansluiting met het koor, en bij hun plaatsing zijn vloeren vergraven: opnieuw een aanwijzing dat dit niet tot de oorspronkelijke bouwfase behoorde. In het oostelijke deel van het schip kwamen resten van een bakstenen vloer aan het licht, die – anders dan de lemen vloeren – doorloopt tot in het koor.
Koor
Verfijnder fundament en vijfzijde sluiting
In het schip lagen twee lemen vloeren boven elkaar, elk ongeveer tien cm dik. Deze vloeren liggen over de stiepen van de derde houten kerk heen, wat bewijst dat ze later zijn. Op de onderste leemvloer liggen veel brandresten; de laag is plaatselijk doorgebrand en rood verkleurd. Dat wijst op een grote brand, waarna men de brandlaag afdekte met een nieuwe lemen vloer. De tekst suggereert dat deze brand mogelijk samenhangt met de historische verwoesting van Emmen in 1228, toen Twenten een strafexpeditie uitvoerden na de nederlaag van de bisschop bij Ane (1227). Onder de onderste leemvloer werd laat Pingsdorfaardewerk gevonden, mogelijk twaalfde-eeuws, wat het tijdvenster ondersteunt. Later werden tegen de wanden halfzuilen geplaatst om gewelven te dragen. Deze staan ‘koud’ tegen de torenmuur en tegen de aansluiting met het koor, en bij hun plaatsing zijn vloeren vergraven: opnieuw een aanwijzing dat dit niet tot de oorspronkelijke bouwfase behoorde. In het oostelijke deel van het schip kwamen resten van een bakstenen vloer aan het licht, die – anders dan de lemen vloeren – doorloopt tot in het koor. Op de overgang tussen schip en koor ligt een groep van vijf grote veldkeien. Vier hebben dezelfde bovenkant-hoogte (rond 23,00 m +NAP) en op die plek ontbreken graven uit de latere kerkfase, wat suggereert dat de keien er al lagen voordat die graven werden gegraven. Onder de keien liggen wel vroegmiddeleeuwse graven. De vijfde steen ligt hoger en bovenop jongere graven, waardoor wordt vermoed dat die later verplaatst is. De functie van deze keien is onzeker, maar omdat de bovenkant op hetzelfde niveau ligt als de fundering van het schip, wordt een verband met de kerkbouw vermoed. Een interpretatie is dat ze onderdeel vormden van de fundering van een koorafscheiding of een interne constructie op de grens van schip en koor.
Bouwgeschiedenis
Datering van de stenen kerk
De tekst plaatst de bouw van de stenen kerk in een bredere ontwikkeling: in het kustgebied van Noord-Nederland bouwde men tot eind twaalfde eeuw veel in tufsteen. Vanaf begin dertiende eeuw schakelde men geleidelijk over op baksteen. Voor Emmen, dat afgelegen lag en tuf niet makkelijk kon aanvoeren, waren veldkeien lokaal beschikbaar. Daarom bestaan de onderste meters van de toren uit bewerkte zwerfkeien en is daarboven baksteen gebruikt. Deze overgang ondersteunt een datering van de toren in het begin van de dertiende eeuw. Omdat schip en koor geen natuursteen bevatten, zullen die na de toren zijn gebouwd. De fundering van het schip is grover en robuuster dan die van het koor. Ook lijken de kloostermoppen van het schip groter. Dit wijst erop dat het schip na de toren het oudste stenen deel is. Het feit dat de onderste leemvloer brandsporen toont en wellicht aan 1228 te koppelen is, maakt het plausibel dat het schip al vóór 1228 bestond. Zware steunberen lijken een latere noodzaak, en omdat de haakse steunberen later tegen de fundering geplaatst zijn, hoeft dat niet met een vroege bouwfase te botsen.
Bouw einde 13e eeuw
Het koor met vijfzijdige sluiting past bij vormen die vooral vanaf circa 1300 gangbaar worden, maar vroege voorbeelden bestaan. Het ontbreken van steunberen op de hoeken van de koorsluiting (er zijn lisenen) wijst eerder op een datering vóór ca. 1300. Daarom wordt een bouw tegen het einde van de dertiende eeuw voorgesteld. Verzwaring van lisenen tot steunberen kan later hebben plaatsgevonden om de druk van gewelven op te vangen. Een complex punt is de aansluiting van schip en koor. Op tekeningen lijkt het of de fundering van het schip de basis van het koor overlapt, wat zou suggereren dat het schip later is. Omdat dit deel van de scheepsfundering echter afwijkt van de rest (keien ‘zwevend’ in mortel), wordt dit geïnterpreteerd als een reparatiezone: waarschijnlijk brak men de oostwand van een bestaand schip deels weg om het nieuwe koor aan te bouwen en vulde men daarna delen weer aan. Het verschil in funderingsopbouw kan wijzen op een aanzienlijke tijd tussen schipbouw en koorbouw. Of het schip aanvankelijk een eenvoudiger koor had, kon niet worden vastgesteld. Met voorbehoud schetst de tekst daarom deze fasering: toren begin dertiende eeuw; schip waarschijnlijk eerste kwart van de dertiende eeuw; koor met vijfzijdige sluiting tegen het einde van de dertiende eeuw; later toevoeging van halfzuilen (voor gewelven) en latere verzwaring tot steunberen.
Datering van de gehele reeks
Van grafveld tot baksteen
De site kent tussen de negende en de dertiende eeuw vier opeenvolgende kerkgebouwen: drie houten kerken en daarna de stenen kerk. Nauwkeurige dateringen ontbreken vaak door gebrek aan vondsten, maar door de plaats in de ontwikkelingsreeks en enkele ijkpunten wordt een plausibele chronologie opgebouwd. De eerste houten kerk wordt gedateerd via de chronologie van het oudste grafveld. Het grafveld werd vermoedelijk in gebruik genomen tijdens de vroege kerstening van Drenthe, kort vóór 800. In een grafcluster (cluster 2) worden drie generaties herkend. Als één generatie 25 jaar beslaat, ligt de derde generatie rond 850. Omdat beargumenteerd is dat deze generatie mogelijk nog in relatie tot de eerste kerk begraven is (in of bij de kerk), volgt dat de kerk rond 850 gebouwd moet zijn.
Tweede en derde houten kerk
De tweede houten kerk heeft geen directe datering. Als de derde kerk rond het jaar 1000 gebouwd is, moeten de eerste twee kerken samen ongeveer 150 jaar beslaan. Dat kan, zeker als elk gebouw door onderhoud en reparaties langer dan 30–50 jaar is blijven staan. De derde houten kerk is een Ständerbau op stiepen, een bouwvorm die chronologisch volgt op ingegraven paalbouw. In naburige regio’s (Oost-Friesland en Oldenburg) komen zulke stenen onderbouwen vooral voor in de elfde en twaalfde eeuw, maar er zijn ook tiende-eeuwse voorbeelden. Omdat de stenen kerk in de dertiende eeuw komt en omdat een stiepenbouwkerk eeuwen kan blijven bestaan, is een bouw in het begin van de elfde eeuw (of rond 1000) plausibel. De stenen kerk wordt, zoals hierboven, gedateerd: toren begin dertiende eeuw, schip vroeg dertiende eeuw, koor eind dertiende eeuw.
Betekenis voor vroeg christendom en begraafpraktijk
Begraven op gewijde grond bij de kerk
De conclusie plaatst deze bouwgeschiedenis in de context van de kerstening van Drenthe. In het laatste kwart van de achtste eeuw werd Drenthe onderdeel van het Frankische rijk en nam het christendom geleidelijk toe. Kerk en overheid stimuleerden (en eisten) dat men doden niet langer op heidense grafvelden begroef maar op gewijde grond bij een kerk. In de praktijk bleven oude grafvelden tot in het midden van de negende eeuw in gebruik, mogelijk doordat er aanvankelijk nog weinig kerken waren.
Oudste christelijke begraafplaats van Drenthe
Onder de Grote Kerk van Emmen ligt volgens de opgraving een van de oudste vermoedelijk christelijke begraafplaatsen van Drenthe. Mogelijk begonnen begravingen hier al in het begin van de negende eeuw. De graven zijn west-oost georiënteerd en ongeveer de helft bevatte bijgaven, vooral messen en gespen. De graven lagen in drie groepen. Twee clusters lagen zo dicht opeen dat een afbakening wordt vermoed, waardoor men binnen de begrensde ruimte moest ‘stapelen’. Dit wijst op een begraafplaats van een vooraanstaande familie. Rond 850 werd boven één grafcluster een kleine houten zaalkerk gebouwd. Het is onzeker of de jongste graven van deze cluster binnen de kerk zijn gedolven of dat de kerk over reeds zichtbare graven heen is gebouwd. Opvallend is dat juist de vermoedelijk jongste graven van de cluster rijke bijgaven bevatten: twee graven met bronzen sleutels (een vrouw en een meisje), daarnaast een graf van een zeer groot persoon (waarschijnlijk een man) en een graf van een kind van vier of vijf jaar. Deze personen worden gezien als mogelijke leden van de familie die de kerk liet bouwen.

Grafveld rondom de kerk
Het grafveld lag vermoedelijk op een domein waarvan het bestaan wordt afgeleid uit historisch-geografisch onderzoek. Later stond op dit domein de hof van de bisschop van Utrecht en werd de kerk een bisschoppelijke eigenkerk. Wanneer en hoe domein en kerk in bisschoppelijk bezit kwamen, blijft echter onduidelijk. Na de bouw van de eerste kerk werden de meeste doden buiten de kerk begraven, omdat de Kerk begraving in het kerkgebouw afkeurde; uitzonderingen betroffen vooral belangrijke personen, zoals geestelijken. Omdat bijgaven later verdwijnen, zijn jongere graven moeilijk te dateren. In de Late Middeleeuwen groeide desondanks de gewoonte om binnen de kerk te begraven. In het koor van de stenen kerk lagen rijen graven die meerdere keren werden hergebruikt, waarschijnlijk vooral na de Reformatie, toen begraven in de kerk op grotere schaal voorkwam.


Archeologische opgraving 1964
De middeleeuwse kerk werd in 1855 grotendeels gesloopt. Alleen de toren bleef staan. De opgraving toont echter dat onder de grond nog aanzienlijke resten van funderingen aanwezig zijn. De resten, die deels ondiep onder de parkjes naast de huidige kerk liggen, zouden weer zichtbaar kunnen worden gemaakt. Samen met de toren zouden ze dan de herinnering levend kunnen houden aan de eerste christenen in Emmen die ongeveer 1200 jaar geleden hun doden op een gewijde begraafplaats gingen begraven en kort daarna op dezelfde plek een kerk bouwden. Daarmee benadrukt de tekst dat Emmen misschien weinig middeleeuwse monumenten heeft, maar wel een uitzonderlijk rijk en vroeg christelijk verleden, dat dankzij de uitwerking van een oude opgraving beter begrijpelijk is geworden.
