Direct naar de inhoud.

Groningen

Groninger patriciaat

Groninger patriciaat

Toestroom van immigranten
Elke middeleeuwse stad was niet alleen in haar ontstaan, maar ook in haar voortbestaan afhankelijk van een levendige en voortdurende instroom van nieuwkomers. Door de grote sterfte binnen de krappe stadsmuren nam het aantal burgers vaak sneller af dan op het platteland. Een stad die niet steeds nieuwe inwoners van buiten aantrok, zou al snel terugvallen tot een dorp. Alleen door een aanhoudende toestroom van immigranten kon zij het niveau behouden dat een stad van het omliggende land onderscheidde.

De stad Groningen is een smeltkroes van Drenten en Westfalen

Groningen een Drents dorp

Groningen laat in haar vroegste geschiedenis, sterker dan veel andere steden, duidelijke sporen zien van een agrarisch verleden. We kunnen ons Groningen, voordat het een handelsstad werd – zeg rond 1100 – voorstellen als een Drents dorp. Het bisschoppelijke hof met zijn landerijen besloeg een aanzienlijk deel van het gebied. Daarnaast lagen bezittingen van vooral vrije boeren. Maar is er van die oudste geslachten van grondbezitters nog iets in de herinnering blijven hangen?

Wijk- en straatnamen vernoemd naar families

Als we de gegevens op een rij zetten, komen we tot het volgende. Vóór het midden van de dertiende eeuw dragen verschillende delen van de stad de naam van families. Enkele van die families komen in de veertiende eeuw nog terug als grondbezitters op het naar hen genoemde terrein, of als leden van het stadsbestuur. Het gaat om namen als Folkardingen en Herderingen. Daarnaast zijn er families die in de dertiende eeuw als bestuurders voorkomen, soms met de titel dominus, zoals Ebbinge en Botere. Weer andere zijn alleen nog te vermoeden uit wijk- en straatnamen: Asselinge, Gaddinge en Utinge.

Bewoners van de Westerkluft

De kronieken noemen de Gelkingen als een machtige groep die tussen 1227 en 1252 tegenover de bisschoppelijke prefect stond. Een oorkonde uit 1310 geeft enig inzicht in het aandeel van de Herderingen en Folkardingen in het conflict rond de Westerpartij, die samen lijkt te vallen met bepaalde bewoners van de Westerkluft. De wijknamen die eindigen op -inge doen sterk denken aan de namen van oude boerderijen en erven in Drentse dorpen, waar goederen vaak naar families werden genoemd – zoals in Anloo bijvoorbeeld Mesteringe, Tavinge en Hoenrekinge, bewoond door mensen met dezelfde naam. Dat straten en wijken in een stad naar families zijn genoemd die deels al vroeg lijken uit te sterven, is tamelijk zeldzaam en opvallend. De dragers van die namen kunnen we zien als het oudste Groninger patriciaat, of men hen nu als volledig autochtoon beschouwt of niet.

Wat zeggen bronnen over Groninger burgers

Vanaf de veertiende eeuw worden de bronnen iets concreter, maar ze blijven schaars. Vrijwel de enige bron voor namen van Groninger burgers zijn de akten van overdracht van huizen, erven, land of renten, die voor burgemeesters en raad werden verleden. Daarin vinden we namen van eigenaren, kopers en huurders, buren van aangrenzende percelen en burgemeesters. De bewaard gebleven transportakten gaan vooral over stenen huizen. We maken dus vooral kennis met de welgestelden (afgezien van de buren die in de stukken worden genoemd). Over ambachtslieden vernemen we vrijwel niets. De herkomst van de genoemde burgers is alleen met zekerheid vast te stellen als hun naam die herkomst expliciet aangeeft. Met enige waarschijnlijkheid wanneer hun persoon of familie elders eerder aantoonbaar is. Bij mensen die alleen met een bijnaam worden aangeduid (zoals Pluckerose of Paeschedach), met naam plus vadersnaam (zoals Wigbold Everdes), of met patroniemen op -ing (zoals Menico Ricbadinghe), blijft hun afkomst meestal onduidelijk.

Groninger rijke families komen uit Drenthe

Toch laten de spaarzame bruikbare gegevens een belangrijke conclusie toe: Veel van de regerende of rijke families in Groningen stammen uit Drenthe. Dat is op zichzelf niet verrassend. Het omliggende landschap leverde nu eenmaal het grootste deel van de nieuwkomers. Opvallend is echter tweeledig. Een deel van die families behield na vestiging in Groningen duidelijk de band met Drenthe, via leenbezit of familiebanden. En verder blijkt het aantal binnengekomen Friezen, tegenover het grote aantal Drenten, opvallend klein. Men zou dat kunnen verklaren uit stamverwantschap: een oorspronkelijk Drents Groningen trok vooral Drenten aan. Maar juist omdat de contacten met de Friese Ommelanden vaak inniger waren dan met Drenthe, zou ook het omgekeerde begrijpelijk zijn geweest. Meestal vormden stam- of gouwgrenzen immers geen harde barrières voor migratie naar steden.

Smeltkroes van Drenten en Westfalen

Het is treffend dat een kroniekschrijver uit de zestiende eeuw, met oog voor de rol van handel en volksaard, dit al ongeveer zo verwoordde. Johan Rengers ten Post schrijft dat Groningen niet door ‘beroemde heren of vorsten’ is gesticht en lange tijd nog geen echte stad was, maar vooral een tijdelijke samenklontering en toestroom van mensen uit Drenthe, Westfalen en elders. Zij vestigden zich in Groningen en verdienden hun brood in de nabijgelegen, vruchtbare Friese landen, wat weer allerlei anderen aantrok. En hij merkt verder op dat de Friezen (de gewone mensen) rond 1500 vooral gerstbrood aten en weinig rogge. Daarom hadden zij weinig verkeer met Drenthe en Westfalen, terwijl vreemdelingen juist naar Groningen kwamen, zich er vestigden en van daaruit handel dreven.

Groninger regenten met Drentse wortels

De familie Lewe

Laten we dit nu met voorbeelden onderbouwen. Van enkele families bleef volgens de traditie de herinnering aan hun Drentse afkomst bewaard. De notitie noemt onder meer Lewe, Hubbeldinge, ter Hansouwe, Clant en de Mepsche als families ‘uit Drenthe geboren’, die in Groningen trouwden en tot de regenten behoorden. Voor de familie Lewe is die overlevering niet zonder betekenis, al gaapt er een groot gat tussen de vroegst aanwijsbare Gerardus Leo/Lewe (begin dertiende eeuw, als gegoede in Volnho en mogelijk bij Ruinen en Westerbork) en de latere Menoldus, Johannes en Gerard Lewe, die rond 1300 en later als rationales en zelfs als burgemeester voorkomen. Juist omdat de vijftiende-eeuwse traditie moeilijk op directe kennis van oude Utrechtse stukken kan berusten, maakt zij een rechte afstamming aannemelijker.

Hubbeldinge uit Zuid- of Midden-Drenthe

De andere genoemde geslachten zijn dichterbij te volgen. Evert Hubboldinc verschijnt rond 1382 als leenman in Drenthe en in 1395 onder de Drenten die vijand van de bisschop werden. Het geslacht hoort waarschijnlijk thuis rond Emmen en Odoorn. In 1415 hielp ‘Evert Hubbeldinck met zijn kinderen’ mee om de stad voor ballingen te heroveren. In 1428 is Evert Hubbeldinge burgemeester en staat hij in het gildrechtsregister als bewoner van de A-kluft.

Het goed Ter Hansouwe

Het goed ter Hansouwe lag op de Peizerhorst. Johan van der Hansouwe koopt in 1383 land bij Haren en treedt in 1384 als getuige op bij een tiendenverlening. Herman ter Hansouwe (mogelijk zijn zoon) is in 1395 onder de Drenten die de bisschop huldigden en behoort in 1405 tot de verwanten van Johan ten Hove, bezitter van een deel van het gericht Selwerd. In 1413 wordt ‘Hermen Transowe’ met zijn kinderen Otto en Johan genoemd onder de uitgewekenen. Ondanks zijn Groninger burgerschap bezat hij in 1418 nog erfgoed bij Peize. Zijn zonen komen in het gildrechtsregister voor. Otto ook als brouwer en later (1454) als burgemeester.

De Mepsche uit Drenthe

Over de familie Clant – in het begin van de vijftiende eeuw talrijk en betrokken bij de onrust – kan de Drentse herkomst niet hard worden bewezen, maar hun terugkeer met Drentse steun maakt de traditie plausibel. De Mepsche verschijnt in de late veertiende eeuw als Drentse leenadel bij Rolde. Pas later duikt Roleff de Mepsche (1478) op onder de Groninger bestuurders. Vrouw Sierd de Mepsche sticht in 1479 het Mepschengasthuis en was weduwe van Otto ter Hansouwe.

Herkomst uit Drentse leenadel

Het gaat hier telkens om families uit de Drentse leenadel. Het bijzondere is dat deze aanzienlijke grondbezitters zich juist in de handelsstad Groningen vestigen en daar in het bestuur terechtkomen, zonder hun positie en bezittingen in Drenthe volledig los te laten. Dat is ook bij andere families zichtbaar. Onder de Drenten die in 1415 de ballingen hielpen terugkeren noemt Lemego bijvoorbeeld Coenraat de Vos en Aernt van Steenwijk. Beiden zijn als Drentse edelen goed gedocumenteerd en worden al in 1416 burgemeesters van Groningen. Ook bij families als Van Haerlo/Arlo, Van Winde, Knasse, (mogelijk) Van Echten en Klenke lijken Drentse wortels mee te spelen. Soms is het bewijs niet sluitend, maar de namen, bezittingen en het optreden in zowel Drentse als Groninger context wijzen erop.

De Polmannen in Drenthe en Groningen

Bij de Polmannen wordt de verhouding tussen Drenthe en stad nog duidelijker. We zien het geslacht in de veertiende eeuw zowel in Groningen (in het bestuur en als bezitters van huizen en land) als in Drenthe (met leenbezit en rechtstitels). De familie splitst zich in takken, met onderlinge verwijzingen in akten die genealogische reconstructie mogelijk maken.

Een zaak uit 1394 laat bovendien zien hoe gevoelig de stad was voor de acties van Drentse edelen met nauwe banden met Groningen. Toen Drentse heren Friezen gevangen namen en losgeld afpersten, werd expliciet vastgelegd dat dit buiten het recht en de plicht van Groningen was gebeurd en dat er ‘geen geld in de stad was gebleven’ – kennelijk om Groningen niet medeverantwoordelijk te maken.

Drentse geslacht Polman

In de vijftiende eeuw verdwijnen Polmannen uit het stadsbestuur, maar een latere notitie vermeldt dat de Pollemans later ‘Ballen’ zouden heten en tot de vooraanstaanden in Groningen behoorden. Dat is echter moeilijk hard te maken. Waarschijnlijk gaat het om een nieuw Drents geslacht, genoemd naar Balloo bij Rolde. Ook bij oude bestuurdersfamilies waarvan de naam niet direct naar een plaats verwijst, kan Drentse herkomst verborgen zitten. Voor enkele – Sickinge, Wicheringe, Horenken, mogelijk Buninge, Helmersinge en Sceleghe – zijn aanwijzingen te vinden, maar het bewijs blijft vaak indirect (naamovereenkomsten, vermeldingen van goederen in Drenthe, sporadische personen).

Drentse herkomst familienamen

Om de waarde van de vele gevallen waarin Groninger burgers hun toenaam aan Drentse plaatsen ontlenen goed te beoordelen, is het belangrijk te zien hoe weinig er vóór 1400 naar plaatsen buiten Drenthe wordt genoemd. Slechts enkele families zijn te vinden, en meestal slechts eenmalig. Zelfs na 1400 blijven Drentse “van”-namen sterk aanwezig: registers noemen mensen naar Beilen, Coevorden, Emmen, Odoorn, Anloo, Diever, (Wester)Bork, Aalden, Valthe, Spijkerboor, Eelderwolde, Peizerwolde, Nederwolde en meer. Maar daarnaast neemt na 1400 ook het aantal herkomstnamen van buiten de regio toe. Er verschijnen veel Westfaalse en algemeen Neder- of Westduitse namen, daarnaast ook plaatsen uit Gelre en Kleef, enkele uit Overijssel, en daarnaast losse vermeldingen als Utrecht, Leiden en Alkmaar, plus aanduidingen als ‘van der Maes’, ‘de Hollander’, ‘van Brabant’, ‘Vleminc’ en ‘de Wale’.