1227

Drie grote slagen
Kroniek uit Trier
In de zogenaamde ‘Gesta Treverorum Continuatio’ – een middeleeuwse kroniek uit Trier – wordt in 1227 over drie belangrijke veldslagen gesproken: ‘Circa tempora ista facte sunt tres strages nobilium in tribus locis, et quot et quantorum, non est possibile dicere, et miserabile esset dicere. Una fuit filii regis Frantie et christiani exercitus ab Albiensibus; alia episcopi Traienctensis et sui exercitus a Frisonibus; tercia regis Datie et suorum a comite Zwirinense.’ De Nederlandse vertaling hiervan: ‘Omstreeks deze tijd hebben er drie massale slachtingen van edelen plaatsgevonden op drie plaatsen, en het is niet mogelijk om te zeggen om hoeveel en uit hoe velen het ging. De eerste was die van de zoon van de koning van Frankrijk en het christelijk leger door de Albigenzen; de tweede van de bisschop van Utrecht en zijn leger door de Friezen; de derde van de koning van Denemarken en de zijnen door de graaf van Schwerin.’
Het jaar met drie massale slachtingen van ridders
Gewelddadige vernietiging van edelen
In deze tekst worden drie massale slachtingen van nobiles vermeld. Het zijn gevechten waarbij massaal edelen zijn omgekomen. De nadruk ligt op het gewelddadige, verwoestende en vernietigende van die gebeurtenis. Van dat soort noemt de auteur van de kroniek drie die in ongeveer dezelfde tijd hebben plaatsgehad. Het omkomen van veel edelen in een strijd was wellicht ongewoon, omdat edelen wel in een eervol gevecht van man tot man konden omkomen, maar vaker nog werden gespaard vanuit een erecode en met het oog op gijzeling, losgeld en invulling van vredesvoorwaarden.
Drie grote slachtingen
Het is niet duidelijk waarop de kroniek doelt met de vermelding over het debâcle van de zoon van de Franse koning en het christelijk leger. Het zou kunnen gaan om de Tweede Kruistocht tegen de Albigenzen (1226-1229) of confrontaties in een wat ruimer tijdsbestek. De tweede massale slachting betreft wat wij de Slag bij Ane noemen. Opvallend dat hier als ‘daders’ de Friezen worden genoemd. Vanuit Trier gezien allicht een verzamelterm voor alle bewoners van Noord-Nederland. De derde massale slachting die genoemd wordt, is te identificeren als de Slag bij Bornhöved in Sleeswijk-Holstein.
Tweede Kruistocht tegen de Albigenzen: 1226-1229
Strijd tegen de Katharen
De Albigenzische Kruistochten waren de kruistochten die de Katholieke Kerk en de Franse koningen in de dertiende eeuw ondernamen tegen de katharen. Ze maakten een einde aan de politieke bescherming van het katharisme in de Languedoc. Voor het Franse koningshuis van de Capetingen was het de ideale gelegenheid om grote delen van het zuiden van Frankrijk in te lijven. Paus Innocentius III wilde de ketterij in de Languedoc de kop indrukken, nadat zijn gezant Pierre de Castelnau in januari 1208 vermoord was. Door wie Pierre de Castelnau vermoord is, is niet bekend, maar paus Innocentius III ging ervan uit dat de moord door een vazal van Raymond VI van Toulouse was gepleegd. In maart 1208 riep de paus een aantal Zuid-Franse kerkprovincies op: ‘Val de aanhangers van de ketterij aan nog onbevreesder dan destijds de Saracenen – want zij zijn slechter.’ Om de feodale heren van Noord-Frankrijk te winnen voor het kruisleger, gaf hij hen het recht om het land van de kathaarse beschermheren in bezit te nemen. Iedere deelnemer kreeg een volledige vergeving van de zonden. Innocentius slaagde er niet in om de Franse koning Filips II Augustus te overtuigen. Deze had zijn handen vol aan de Duitsers en de Engelsen, maar gaf zijn vazallen wel toestemming aan de kruistocht deel te nemen.
Strijd van de Franse koningen
Koning Lodewijk VIII van Frankrijk begon de tweede kruistocht tegen de katharen. Zijn doel was de annexatie van de Languedoc. In 1226 nam hij het onverwacht weerspannige Avignon in, alsook Beaucaire. Het koninklijk leger trok via Béziers en Carcassonne naar Albi. Veel Occitaanse edelen en steden gaven zich zonder strijd over. Alleen Toulouse bereidde zich voor op een lange belegering. Lodewijk VIII kon Toulouse niet veroveren en keerde terug naar Parijs. Toen de koning onderweg in Montpensier stierf (november 1226), zetten zijn vrouw Blanche van Castilië en zijn neef Humbert van Beaujeu de oorlog nog twee jaar voort. Ze slaagden er niet in Toulouse in te nemen, maar plunderden en verwoestten het hele achterland. In november 1228 legden de laatste tegenstanders de wapens neer. Raymond VII wierp zich in Parijs op de knieën voor Lodewijk IX, die zijn vader inmiddels was opgevolgd, en moest onderhandelen (1229). Graaf Roger-Bernard II van Foix onderwierp zich aan de koning in de kerk van Saint-Jean-de-Verges, in zijn eigen graafschap Foix (1229). Burggraaf Raymond II Trencavel van Carcassonne ging in ballingschap aan het hof van Aragon.
De Franse kroon overwint
Het zou nog jaren duren voor de heren van de Languedoc zich helemaal gewonnen gaven. In 1240 kwam Raymond II Trencavel in opstand. Hij werd verslagen bij de belegering van Carcassonne en trok zich nogmaals terug in Aragon. In 1247 onderwierp de laatste Trencavel zich definitief te Béziers. In 1242 trad Raymond VII toe tot een coalitie van vijanden van de Franse kroon waaronder Engeland, Aragon, Castilië en Navarra. Na een nederlaag van de Engelse koning viel het verbond snel uit elkaar. Raymond moest zich in januari 1243 weer overgeven aan Lodewijk IX. Na de dood van Raymond werd Alfons van Poitiers in 1249 graaf van Toulouse. Hij was toegewijd aan de katholieke zaak. De Inquisitie kreeg grotere bevoegdheden en er werden meer gevangenisstraffen uitgedeeld. Het huwelijk van Alfons en Jeanne bleef kinderloos. Bij haar dood werd het graafschap in 1271 ingelijfd bij het Franse koninkrijk.
Slag bij Bornhöved: 22 juli 1227
Lübeck onder de Deense koningen
In 1180 werd Hendrik de Leeuw afgezet. Keizer Frederik I Barbarossa trok in 1181 voor de stad, die zich aan hem onderwierp. Lübeck bleef aanvankelijk een koninklijke stad, maar kwam door de politieke onrust van de daaropvolgende decennia opnieuw feitelijk onder het stadsgezag van graaf Adolf III van Holstein. Deze als tiran ervaren stadheer werd door de Deense koning Knud VI verdreven. Lübeck stond van 1201 tot 1225 onder het stadsgezag van de Deense koningen. Waldemar II, de zoon van Knud VI, bracht vrede op de Oostzee, dat wil zeggen: hij bevrijdde haar van de zeeroverij. Onder zijn bescherming breidden de Lübeckers hun handelsverbindingen uit.

Strijd tussen het Duitse en Deense rijk
Het Duitse Rijk raakte door het bezit van Noordalbingië verwikkeld in een hardnekkige oorlog met koning Waldemar II van Denemarken. Deze werd gesteund door de machtige Welfen, die vijandig stonden tegenover de Staufers. Op 22 juli 1227, de dag van de heilige Maria Magdalena, vond bij Bornhöved in Holstein een beslissende veldslag plaats tussen het Deense en het Duitse leger. Aan de zijde van de Deense koning Waldemar II vocht diens neef, hertog Otto van Brunswijk. Aan Duitse zijde vochten de graven van Schaumburg en Schwerin, hertog Albrecht van Saksen, de aartsbisschop van Bremen en de Lübeckers onder hun dappere aanvoerder Alexander van Salzwedel.


Slachting onder de Denen
De slag bleef enige tijd onbeslist, totdat de Dithmarsers, die de Denen slechts met tegenzin gehoorzaamden, op de vlucht sloegen. Daarop vluchtten vele andere Denen eveneens en hun nederlaag was zo beslissend dat tot wel 4.000 Denen daarbij om het leven kwamen. Hertog Otto werd gevangengenomen en koning Waldemar verloor een oog. Aan de dood kon hij slechts ontkomen doordat een ridder hem op zijn paard nam en via onbekende wegen naar Kiel bracht.
