1227 – 1234

Een nieuwe bisschop in Utrecht
Na de dramatische gebeurtenissen van 1227 tijdens de Drentse boerenopstand koos men in het Sticht Utrecht vrijwel unaniem Wilbrand van Paderborn (1228-1233) als nieuwe bisschop. Hij was verwant aan zowel de Hollandse als de Gelderse graaf, wat zijn positie politiek versterkte. In oktober 1228 begon Wilbrand een aanval op de Drenten. Zij boden korte tijd weerstand en gaven zich daarna voorlopig gewonnen. De voorwaarden waren zwaar. De Drenten moesten een enorme boete betalen: 3000 Keulse marken ‘voor schade en kosten’. Binnen een jaar moesten zij honderd mannen naar de kruistocht in Lijfland sturen, als boetedoening. Zij moesten uit hun land (‘van hun vele akkers’) een klooster (cenobium) met vijfentwintig prebenden stichten op de plek waar bisschop Otto was gesneuveld (dus bij de plaats van de nederlaag van 1227).
Bisschop Wilbrand van Oldenburg onderwerpt Drenthe, maar het conflict dooft langzaam uit
Coevorders en Drenten
De Coevorders kregen bovendien een apart verdrag. Zij moesten hun kastelen in Coevorden en Laren afstaan. Laren werd direct gesloopt en in Coevorden kwam een vertrouweling van de bisschop als kastelein en bestuurder (met jurisdictie) van Drenthe. De bron noemt deze man zelfs veel te wreed, wat suggereert dat het herstelde bisschoppelijke bestuur hard optrad. Pas nadat Drentse vertegenwoordigers zich publiekelijk vernederden en de bisschop om genade vroegen, werden zij weer opgenomen. Zulke zware voorwaarden waren waarschijnlijk niet houdbaar. De onderwerping duurde dan ook kort: de strijd laaide opnieuw op en bestond uit terugkerende schermutselingen. Opvallend is dat de Drenten in deze bronnen als een eigen partij optreden naast de Coevorders. Ze zijn dus niet simpelweg aanhangsel van de heren van Coevorden. Wanneer de opstand precies definitief eindigde, is niet zeker, maar vermoedelijk kort daarna, rond 1233 of 1234. De Drenten moesten de boetes in termijnen betalen en ook daadwerkelijk bijdragen aan een kloosterstichting voor het zieleheil van de gesneuvelde bisschop.
Uitdoven van Drentse boerenopstand
Er wordt een interessant verband gelegd met de kruistocht tegen de Stedingers, die rond 1234-1235 uitmondde in hun totale vernietiging. Omdat Drenten door predikers met Stedingers in ‘goddeloosheid’ gelijkgesteld werden, zal dat voorbeeld hun een grote schok hebben gegeven en mogelijk de bereidheid tot een compromis hebben vergroot. Ook het lot van de erfgenaam van Rudolf van Coevorden, de heer van Borculo, wijst erop dat de bisschop bij het compromis enig succes had. Lange tijd horen we weinig van hem, en pas veel later – in 1275 – verschijnt weer een heer van Borculo als burggraaf van Coevorden. Zo dooft de Drentse boerenbeweging geleidelijk uit, zonder duidelijk moment van capitulatie. De Drenten verliezen niet compleet, maar behouden wel een zekere vrijheid waarin nieuwe lokale bestuursvormen kunnen groeien.
Was de opstand een reactie op uitbreiding van het hovenstelsel?
Bisschop breidt macht in Drenthe uit
Wat waren de diepere oorzaken van de Drentse opstand? Historicus Slicher van Bath meent dat de opstand een reactie was op een poging van de Utrechtse bisschop om zijn landsheerlijke macht in Drenthe te versterken via uitbreiding van de ‘hovenorganisatie’, het systeem van hoven/curtes, waarbij boeren vaak in horige verhoudingen verplichtingen in natura of diensten verschuldigd waren. Hoven ontstonden volgens een gangbare theorie uit de terugval van de handel en de geldeconomie (de ‘Naturalwirtschaft’), waardoor pacht en lasten vaker in natura moesten worden afgedragen. De hof werd het centrum waar boeren producten en diensten leverden; daarmee konden horige verhoudingen worden aangezet. Horigheid betekende o.a. gebondenheid aan de grond, beperkte erfrechten en onderworpenheid aan hofrecht en hofkring (‘echte’), met de hofheer of zijn meier (villicus) als leiding.
Bisschoppelijke hovenpolitiek afgebroken
Slicher van Bath probeert zijn these te onderbouwen met cijfers: in latere bronnen (rond 1500) lijken er veel meer hoven in Overijssel en oostelijk Gelderland te zijn dan in Drenthe. Hij concludeert daaruit dat Drenthe een ontwikkeling heeft ‘gemist’ die elders wel doorging, en dat die mislukking te verklaren is door de Drentse opstand van omstreeks 1227 die een bisschoppelijke hovenpolitiek zou hebben afgebroken. Extra opvallend vindt hij dat de oudste bisschoppelijke hoven juist in Drenthe zouden voorkomen, terwijl het systeem daar later bijna verdwijnt.
Kritiek op de statische methode en op late hofcreatie
Opkomst geldeconomie in het noorden
Er is echter kritiek op deze redenering. Cijfers uit bronnen zijn riskant, vooral als de chronologie vaag is of als onduidelijk is hoeveel niet bewaard materiaal ontbreekt. Een goederenregister kan bijvoorbeeld de verhoudingen sterk doen verschuiven. Rond 1500 zijn bronnen talrijker en zijn getallen betrouwbaarder, maar rond 1200 is dat veel minder zeker. Belangrijker nog: het wordt onwaarschijnlijk geacht dat de bisschop rond 1200 nog op grote schaal nieuwe hoven zou creëren. Tegen die tijd is de geldeconomie juist weer in opkomst, zeker in het noorden (Friese steden, Groningen). Er zijn aanwijzingen dat Drenthe al vóór 1200 weer met geld werkt: Groningse munten circuleren, tienden worden verpand tegen grote geldbedragen, transacties vermelden zelfs wisselkoersen, en er bestaan registers waarin inkomsten in geld worden genoteerd. Ook de enorme geldboetes die de Drenten moesten betalen na tussentijdse onderwerping tonen dat er bij boeren geld beschikbaar was – hoe overdreven de bedragen ook kunnen zijn.
Daarnaast past een nieuwe ‘verstrakking’ van horigheid rond 1200 niet bij een bredere West-Europese trend: sinds ca. 1100 worden plattelandsverhoudingen op veel plaatsen juist losser (‘renaissance agricole’), mede door ontginningen en droogleggingen. In zulke omstandigheden lijkt het onlogisch dat een landsheer massaal vrije boeren zou willen vastzetten in een nieuw hofstelsel.
Verwerving of feodalisering van bestaand bezit
Het grootgrondbezit en de hoven in Gelderland en het Oversticht waren in de praktijk als volgt ontstaan: vaak gaat het om oud bezit, voogdijgoederen (bijv. kloosterbezit), keizerlijke schenkingen, of om bestaande hoven die via aankoop, leenconstructies of feodalisering in handen van een landsheer komen. In veel gevallen lijkt de hoforganisatie al te bestaan vóór de landsheer het bezit verwerft. Wat men niet ziet, is grootschalige gewelddadige inbezitneming van vrije boerenlanden om er nieuwe hoven van te maken. Ook voor het Utrechtse bisschoppelijke bezit zijn er voorbeelden die eerder wijzen op verwerving of feodalisering van bestaand bezit dan op schepping van nieuwe hoven. In Salland blijken bepaalde hoven al in 947 kloosterbezit (Essen) te zijn geweest. Later verwerft de bisschop via voogdijrechten invloed. Ook in latere gevallen zien we dat allodiale hofbezitters of functionarissen (zoals meiers) hun bezit aan de bisschop ‘opdragen’ en in leen terug ontvangen. Dat wijst op feodalisering van bestaand bezit, niet op een nieuwe hovenpolitiek als oorzaak van een boerenopstand. Als dit klopt, dan verandert de verklaring van Slicher van Bath: de ‘landsheerlijke fase’ van het hovenstelsel bestaat dan minder uit het organiseren van nieuw verworven grond in nieuwe hoven, en meer uit het opnemen, groeperen en feodaliseren van bestaande hoven.
Alternatieve verklaring: Drentse opstand als verzet tegen herleving oude rechten
Stagnatie feodale ontwikkeling in Drenthe
De focus wordt verschoven naar een andere verklaring. Het opvallende verschil tussen Drenthe en Overijssel (veel minder hoven en minder leenmannen in Drenthe) kan ook te maken hebben met de ontwikkeling van het leenstelsel en de landsheerlijkheid. In Drenthe komt de adel als aparte stand in de landschap pas veel later en dan nog kunstmatig tot stand. Vanouds domineert er vooral één stand, die van de eigengeërfde boeren. Een leenmannenlijst uit 1383-1384 laat bovendien enorme verschillen zien. In Drenthe slechts enkele tientallen leenmannen, tegenover honderden in Overijssel en het Nedersticht. Dit wijst op een stagnatie van feodale ontwikkeling in Drenthe, mogelijk mede als gevolg van de opstand.
Veel vrije boeren in Drenthe
Maar hiermee is nog niet alles verklaart, omdat in de veertiende eeuw nog een duidelijk verschil bestaat tussen hof en gewoon leengoed. Het blijft dus waarschijnlijk dat Drenthe al vóór 1227 structureel minder grootgrondbezit kende en relatief meer vrije boeren had dan het Oversticht. Vanuit die aanname is er een meer overtuigende oorzaak voor de opstand: vrije Drenten verzetten zich tegen de bisschop omdat hij oude, in onbruik geraakte heffingen en rechten opnieuw wilde innen. Een sleutelgebeurtenis is een compromis dat bisschop Diederik van Are met de Drenten sloot rond het einde van de twaalfde eeuw. Hij zou afstand hebben gedaan van rechten in Drenthe en tevreden zijn geweest met zijn rechten in Groningen, in ruil voor een grote betaling door de Drenten. Dat is een concreet bewijs dat bisschoppelijke rechten in Drenthe waren vervreemd of uitgehold. De Drenten leefden daarna relatief gunstig. Wanneer bisschop Otto van Lippe (1216-1227) later zelfbewust probeert die oude rechten te herstellen – zoals hij dat ook in Vollenhove en Salland doet – komt Drenthe in verzet. Voorbeelden uit Vollenhove en Salland suggereren dat de bisschop daar eveneens ‘usurpaties’ of vervallen rechten wilde terughalen (zoals tienden, voogdijrechten, weiderechten).
Wereldlijke en kerkelijke tienden
Welke rechten speelden in Drenthe? Tienden zijn een duidelijke kandidaat, vooral novale tienden (tiend op nieuw ontgonnen land). De tekst wijst erop dat tiendconflicten ook elders (Salland, Stedingers) een grote rol speelden. Tegelijk een nuance: bisschoppen konden niet altijd vrij over alle tienden beschikken, omdat parochies en kloosters ook tiendrechten hadden. Daarnaast bestond soms zelfs een wereldlijke novale tiend naast de kerkelijke tiend. In Drenthe is het precieze tiendlandschap moeilijk te reconstrueren. Toch is het aannemelijk dat vooral bisschoppelijke (wereldlijk geïnde) novale tienden tot verzet konden leiden.
Vierjaarlijkse bisschoppelijke belasting
Nog belangrijker is een andere heffing: de ‘precaria’, een periodieke bede van 150 mark, die eens in de vier jaar geheven mocht worden. Deze wordt gelijkgesteld aan het ‘commune servicium’ dat al tijdens de rondreis van bisschop Boudewijn genoemd wordt. Het lijkt een belasting die samenhing met de vierjaarlijkse rondtocht van de bisschop (die ook rechtspraak en inkomsten opleverde). In zo’n vierde jaar moesten bovendien extra bijdragen worden geleverd, zoals ‘schultmudden’ en mogelijk een heffing rond ‘botting’. Juist deze lasten drukten op vrije boeren, en zijn daardoor geschikte kandidaten voor de ‘rechten’ waar de Drenten zich aan wilden onttrekken.
Organisatie Drentse opstand
Tot slot de vraag wie met de term ‘Trentones’ bedoeld wordt. Het is waarschijnlijk dat het vooral vrije boeren waren. Dat blijkt ook uit passages waarin de opstandelingen de opbrengsten van bisschoppelijke goederen in hun gebied ‘vrij’ in gebruik nemen. Als horigen de kern van de opstand waren geweest, zou de dynamiek anders liggen. Slicher van Bath vindt ‘vrije boeren’ als antwoord te vaag, omdat de opstand een langdurige organisatie vereiste. Er zal centrale leiding zijn geweest, maar die wordt niet primair bij de geestelijkheid gezien. Tijdens en na de opstand leefden de Drenten onder excommunicatie en interdict; daardoor is een grote rol van geestelijken minder aannemelijk.

Structuren rondom oude dingplaatsen
De kern van de organisatie wordt eerder gezocht in bestaande juridische en militaire structuren: de districten rond de oude dingplaatsen (dingspelen), die ook samenhingen met parochies en rechtspraak. Daar kwamen buren samen voor rechtszittingen en konden gezworenen (‘iurati’) een vorm van centraal bestuur vormen. Dit kan de voorloper zijn geweest van latere Drentse bestuursorganen zoals EtstoeI en Landdag. Vergelijkbare vormen van rechters en gezworenen bestonden ook in omliggende Friese gebieden, waar ze in deze tijd eveneens een leidende rol speelden.


De Drentse boerenopstand
De Drentse boerenopstand wordt niet het best verklaard als een reactie op een late uitbreiding van het hovenstelsel. Die theorie steunt te zwaar op twijfelachtige statistiek en veronderstelt een onwaarschijnlijke hofcreatie rond 1200. Waarschijnlijker is dat vooral vrije Drentse boeren zich verzetten tegen pogingen van bisschop Otto II van Lippe om oude, deels al losgelaten landsheerlijke rechten opnieuw te laten gelden – met name de precaria (vierjaarlijkse bede) en specifieke tienden (vooral novale). De opstand werd begunstigd door gelijktijdige onrust in Groningen door de Gelkingen en door de langdurige machtsstrijd met Gelre, die eerder tot uitholling van bisschoppelijke rechten had geleid. De Drenten beschikten bovendien over eigen bestuurlijke en militaire structuren (dingspelen en gezworenen) waarmee ze hun verzet langdurig konden organiseren.
