Drenthe

Het Drentse boerenleger
Weerbare mannen
In de Narracio lezen we dat in het voorjaar van 1227 de Drenten eensgezind met hun weerbare mannen Rudolf van Coevorden volgen. Die ging voorop met een groot leger, dat hij van buiten zijn gebied bijeen had gebracht, namelijk uit Steinfurt (Burgsteinfurt bij Münster), Dalen (aan de Lippe), Lohn (oostelijk van Winterswijk in Westfalen) en Goor. Bij al die troepen voegden zich Gelkingen met vele Friezen, die ze met geld en goede woorden hadden aangelokt. En zo tot één leger verenigd, doen ze een hevige aanval op de slechts door een handjevol krijgslieden verdedigde stad Groningen. Aan de overwinning twijfelden ze geen moment, want ze hadden de stad – uitgebrand, verwoest, uitgestrekt en door de bewoners verlaten, met slechts een handvol verdedigers – volledig omsingeld met hun legerkampen.
Drenthe onder Frankisch gezag en het graafschap Hamaland
Egbert van Groningen
Egbert van Groningen, prefect van de stad namens de bisschop, en zijn ridders verzetten zich energiek tegen de aanvallers.
Weerbare mannen
Al in de vroege middeleeuwen bestond het beginsel dat elk vrij man bereid moest zijn de eigen gemeenschap of het eigen land te verdedigen. Het luiden van de klok, slaan van de trom of blazen van de hoorn was een teken dat men het werk moest laten liggen en zich moest verzamelen om het naderende onheil te lijf te gaan. Deze weerplicht gold zowel in de stad als op het platteland. Het ging dan om gezonde mannen tussen de zestien (of achttien) en zestig jaar oud, waarbij er wel regionale verschillen waren in hoeverre armen (‘paupers’), zeevarenden en gewetensbezwaarden waren uitgezonderd. Daarnaast waren er weduwen die als gezinshoofd geen weerplicht, maar wel wapens hadden. Hiermee kon een fysiek sterk familielid voor deze taak worden uitgerust. Men was georganiseerd naar landsgemeente, parochie, wijk of gilde en stond onder leiding van zelfgekozen rechters en bestuurders. Dit beginsel heeft lang doorgewerkt in wet- en regelgeving. Een voorbeeld hiervan uit de late middeleeuwen (1270-1500) is het Landrecht van Drenthe uit 1412. De landsheer van Drenthe, de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim, codificeerde hiermee het Drentse gewoonterecht. In het Landrecht werden het strafrecht en strafprocesrecht, de rechterlijke organisatie (met name de Etstoel), de bisschoppelijke belastingheffing en het algemene keurrecht geregeld. Dit laatste gaf de inwoners op elk niveau (buurschap, kerspel, dingspel, landschap) het recht te vergaderen en besluiten te nemen. Daarom wordt het Landrecht ook wel de ‘Drentse grondwet’ genoemd.
Gewapende bijstand
Deze relatieve autonomie schiep via artikel 40 van het Landrecht echter ook de verplichting tot gewapende bijstand tot elkaar. In geval van oorlog of gevaar moesten alle weerbare mannen – of de meest daartoe geschikte man uit het huishouden – gewapend opkomen om het land te verdedigen of criminelen (zoals moordenaars, brandstichters of rovers) te vervolgen of te verjagen. In Westerlauwers Friesland (vergelijkbaar met het huidige Friesland) – waar sprake was van een communale autonomie – was oorlogvoering tot het midden van de vijftiende eeuw zelfs een voornamelijk burgerlijke aangelegenheid: ‘de Friese vrijheid kon alleen floreren als de dragers ervan bereid waren haar met hun lijf en goed te beschermen.’ Uit noodzaak, maar ook uit eer. Zo was het krijgerschap een belangrijk onderdeel van de middeleeuwse Friese cultuur, zelfs al was niet elke Vrije Fries een krijger.
Heervaart: offensieve expedities
Deze weerplicht – een vorm van volksbewapening – was tweeledig en bestond uit de heervaart en de landweer. De heervaart had een offensief karakter: men ging letterlijk na oproep van de landsheer – zoals de bisschop, graaf of hertog – met een leger (‘heer’, in het Duits is dit nog steeds de benaming voor de landmacht) op veldtocht om de vijand op te zoeken. Dat waren niet noodzakelijkerwijs grote militaire expedities naar verre oorden of veldslagen. Het ging vooral om kortdurende expedities in de eigen regio, bestaande uit plundering en vernieling van de economische capaciteit van de tegenstander.
Heervaart naar Grave en Nijmegen
In 1471 en 1480 werd bijvoorbeeld een groot deel van de weerbare mannen van Zutphen door de hertog van Gelre opgeroepen voor een heervaart naar Grave en Nijmegen. In Holland beschermden 174 gewapende gezellen op 19 januari 1492 de timmerlieden en smidsknechten die door de stadsbesturen van Gouda en Dordrecht op pad waren gestuurd om de ‘verlaten’ (schutsluizen) – zoals in de Hildam bij Benthuizen – te vernielen die een alternatieve vaarroute creëerden ten behoeve van bijvoorbeeld Rotterdam en Leiden en hiermee de tol- en handelsrechten van Gouda en Dordrecht zouden schaden.
Landweer: defensieve bescherming
Bij de landweer was sprake van een defensieve situatie, waarbij de vijandelijke inval of een overval van bandieten moest worden afgeweerd. Om aan deze weerplicht gehoor te kunnen geven, werd men geacht wapens te bezitten en te kunnen hanteren.
Regio en omvang
Tacitus schreef omstreeks 100 na Christus dat de Germaanse stammen waren ingedeeld in zogenaamde ‘hundreds’ ofwel honderdschappen. Iedere hundred moest 100 weerbare mannen leveren voor de weerplicht in geval van oorlog en stond onder leiding van een hundman. De families in een hundred waren onderling verwant.
Elke hundred regio had een kantoor waar de hundman resideerde, vergaderde en recht sprak. Normaliter was dat een oude hoeve van een belangrijk geslacht. Engelse bronnen beweren dat die kantoren (hoeven) normaliter stonden bij of nabij een voorde (doorwaadbare plek in rivier of beek), waar het inkomend en uitgaande verkeer gecontroleerd kon worden. Dat was van toepassing op borg Kranenburg aan de Kranenburgwade in Utrecht. Deze werd in 1419 genoemd als drinkplaats voor vee. De wade (voorde) lag in een zijtak van de Kromme Rijn.
Bevolking en hundreds
Elke regio in Angelland moest één of meer hundreds leveren voor de weerplicht, afhankelijk van het aantal inwoners. Omstreeks 400 na Christus was Angelland rond 60.000 km2 groot en telde bijna 6,9 miljoen inwoners. Per km2 woonden er ongeveer 115 mensen. Gezinnen bestonden gemiddeld uit vijf personen: drie mannen en twee vrouwen. Elk gezin kon in principe één man leveren voor de weerplicht ofwel 20% van de bevolking. Om een hundred te vormen moest een regio dus minimaal 100 gezinnen omvatten en dus minimaal 500 mensen. Een hundred werd dus geleverd uit een gebied van ongeveer 500/115 of 4,4 km2 groot.
Weerplicht in Suffolk
Suffolk werd sinds ongeveer 450 na Christus bevolkt door Angelen vanaf het vaste continent. De hundreds in Suffolk zullen niet direct zijn ontstaan. Dat zal pas gebeurd zijn na verloop van tijd als er voldoende mensen wonen om legerkorpsen van 100 man te leveren. Volgens de regels in Angelland moesten alle volwassen vrije mannen dienstplicht vervullen zodra dat nodig was. Dus bij oorlog en dreiging van oorlog. Deze weerplicht gold voor alle volwassen vrije mannen, die samen circa 20% van de bevolking vormden.

Suffolk en de hundreds
Volgens het Doomsbook van 1086 telde Suffolk een oppervlakte van 21 hundreds en was 3.838 km2 groot. Dit betekende dat een hundred een gebied omvatte van 183 km2 of ongeveer 14 bij 14 km2. Als Suffolk in 1085 een aantal van 21 hundreds moet leveren dan zal haar bevolking 5 x 2100 of 10.600 personen groot zijn geweest. De populatie van een hundredregio veranderde steeds. Daardoor veranderden ook haar grenzen voortdurend. Uiteindelijk bleven de grenzen constant en moest elke regio een aantal hundreds (korpsen) leveren naar rato van haar inwoners. De term hundred als regionaam verdween daardoor, maar bleef als term voor een legereenheid bestaan.


Boerenleger in 1227
Kunnen we aan de hand van deze informatie iets zeggen over de omvang van het Drentse boerenleger dat betrokken was bij de slag bij Ane in 1227? De bevolking aan het begin van de dertiende eeuw wordt geschat op 15.000 personen, waarbij nog 3.000 inwoners van Ooststellingwerf geteld moeten worden dat toen nog onderdeel was van Drenthe. Volgens de regels van de hundreds moest hiervan 20% opkomen voor de heerplicht, ofwel 3.600 vrije mannen. De Drenten waren vrije eigenerfde boeren en – om problemen met de erfopvolging te voorkomen – zullen ze niet hun oudste zonen op hebben laten komen voor de heerplicht. Waarschijnlijk werden de derde of vierde man op een Drents boerenerve ingezet voor de heerplicht. Dan praten we dus over ongeveer éénderde deel dat onder de heerplicht viel en ongeveer 1.200 mannen. Het leger van Rudolf van Coevorden zal naast een groep edelen uit een boerenleger van omstreeks 1.000-1.500 mannen hebben bestaan.
