Direct naar de inhoud.

Groningen

Groningen

De stad Groningen

Bij de deling van het Frankische Rijk in 843 kwam het huidige grondgebied van de provincie Groningen onder de heerschappij van Lotharius I van Midden-Francië. Het verdrag van Ribemont (880) bepaalde dat Midden-Francië o.a. de Lage Landen (met uitzondering van Vlaanderen) af moest staan aan Oost-Francië, dat in 962 werd omgedoopt tot het ‘Heilige Roomse Rijk’. Sindsdien stond Groningen onder de Rooms-Duitse koningen en keizers.

Van Saksisch dorp tot stedelijke macht

Oorsprong en vroege geschiedenis

Groningen ontstond in de ijzertijd en moet van oorsprong een Saksisch dorp geweest zijn met een eigen marke en twee brinken. In de achtste eeuw werd de plaats onderdeel van het Frankische Rijk en vervolgens van het Heilige Roomse Rijk. De huidige stad Groningen verschijnt in 1040 voor het eerst in een geschreven bron als ‘Villa Cruoninga’, een plaats in Drenthe. Deze vermelding betrof een schenking aan de kerk van Utrecht. De Duitse keizer schonk een hof dat waarschijnlijk al dateerde uit de tijd van Karel de Grote aan het bisdom. Niet alleen de hof werd geschonken, ook verkreeg de bisschop het muntrecht en andere rechten die er op wijzen dat Groningen al een zekere stedelijke functie vervulde. Mede door de schenking ging de stad en de directe omgeving, het Gorecht, zowel kerkelijk als bestuurlijk deel uitmaken van het bisdom Utrecht. De huidige provincie behoorde grotendeels tot het bisdom Münster. Westerwolde en een deel van het Reiderland hoorden kerkelijk bij het bisdom Osnabrück.

Stadsopbouw en kluften

De stad Groningen is ontstaan uit een blokkenpatroon gebaseerd op twee noord-zuidassen (de primaire Herestraat-Oude Boteringestraat en de secundaire oostelijker gelegen Oosterstraat-Oude Ebbingestraat) en een haaks erop staande oost-westas (Poelestraat-Grote Markt zuidzijde-Vismarkt noordzijde (Glènne Riepe)-Akerkhof noordzijde-Brugstraat). De stad was oorspronkelijk opgedeeld in zes kluften, die in de loop der tijd teruggebracht werden tot vier kluften:

  1. de Assingekluft of Asselingekluft, later Boteringekluft genaamd;
  2. de Ebbingekluft;
  3. de Gelkingekluft, later onderdeel van de Oosterkluft;
  4. de Gaddingakluft, Gaddingekluft, Haddingekluft of Lyaddingekluft, later onderdeel van de Oosterkluft;
  5. de Utingekluft of Utinghekluft (“Nederkluft”), later opgegaan in de Akluft en tegenwoordig A-kwartier genoemd;
  6. de Westerkluft, later opgegaan in de Akluft en tegenwoordig A-kwartier genoemd.

Elke kluft bestond uit dertien tot zeventien rotten of buurten. Het dorp lag op de grens van Drenthe en de Groter-Friese kleigebieden aan de enige verbindingsroute tussen beide streken aan de rivieren Drentsche Aa en de Hunze. Die gunstige ligging heeft de geschiedenis van de stad voor een groot deel bepaald.

Bisschoppelijk gezag en opstanden

De stad Groningen was nimmer een rustig bezit voor het bisdom Utrecht. Daarvoor was de afstand tussen Utrecht en Groningen waarschijnlijk ook te groot. Tijdens de heerschappij van bisschop Hartbert van Bierum (1139-1150) ontstond een opstand in de stad Groningen. Nadat de bisschop deze opstand had neergeslagen, maakten de bisschop en de stad een afspraak geen muur rondom de stad te bouwen, een afspraak waar de inwoners zich niet lang aan hielden. De bisschop verdeelde grofweg zijn grondgebied onder zijn familie. Zijn oudere broer Leffard werd prefect van de stad, zijn jongere broer Ludolf kreeg het huis te Coevorden in het zuidoosten van Drenthe en daarmee de controle over de enige weg door het Bourtangermoeras van Drenthe naar Duitsland. Groningen was in deze periode een internationaal ingestelde handelsstad. Kooplieden uit de stad worden genoemd in oorkonden uit meerdere gebieden. In Engeland worden voorrechten verleend aan handelaren uit de stad, hetgeen wijst op een regelmatige handel. Munten uit de stad zijn teruggevonden in het Oostzeegebied.

Ommelanden en Friese Vrijheid

In de twaalfde en dertiende eeuw waren de Ommelanden deel van de Friese landen. In de vroege elfde eeuw was er sprake van graven in deze streken. Winsum en Garrelsweer werden genoemd als plaatsen waar die graven, de Brunonen, munten lieten slaan. Dergelijke munten zijn ook teruggevonden. Ook de bisschop van Bremen wordt genoemd als landsheer, wellicht wegens de band met Willehad. Van een werkelijke vestiging van landsheerlijk gezag ontbreekt ieder spoor. Na de Brunonen is er in Ommelanden ook geen sprake meer van graven.

Friese Vrijheid en lokaal bestuur

Dit ontbreken van landsheren, en de daarmee vaak gepaard gaande horigheid, staat bekend als de Friese Vrijheid. De toenmalige bewoners van de Ommelanden waren op zichzelf aangewezen. Er was binnen de Ommelanden wel sprake van verschillende landschappen zoals Hunsingo, Fivelingo en het Oldambt, maar of dat daadwerkelijk eenheden waren is niet duidelijk.Wel zijn per landschap landrechten vastgesteld, opgesteld in het Oudfries, maar bestuur en rechtspraak schijnen vooral op dorpsniveau gewerkt te hebben. Binnen het dorpsgebied was er een rechtstoel waarbij het rechterschap oorspronkelijk rouleerde onder de vrije boeren.

Regelgeving binnen de Friese landen

Er was wel een beweging om binnen de Friese landen tot enige regulering te komen. Bekend zijn de bijeenkomsten op de dinsdag na Pinksteren bij de Opstalboom bij Aurich in Oost-Friesland. Hier kwamen jaarlijks vertegenwoordigers uit de verschillende Friese gebieden bijeen om te vergaderen en zo mogelijk eenheid te brengen in de verschillende landrechten. Over de praktische betekenis van de Opstalboom is weinig bekend, wel dankt Appingedam zijn stadsrecht aan een besluit van de vergadering van de Opstalboom.

Strijd tussen stad en bisschop

De dertiende eeuw werd in de stad Groningen gekenmerkt door de strijd tussen de vertegenwoordigers van de bisschop, de prefect van Groningen, en de bovenlaag van de stedelijke bevolking die zich wil ontdoen van iedere bemoeienis van buitenaf. Deze strijd, die ook al in de twaalfde eeuw zijn sporen heeft nagelaten, zal uiteindelijk gewonnen worden door de stedelijke elite. Het verloop van de strijd is deels terug te vinden in de Narracio, een kroniek van een anonieme schrijver uit de omgeving van de Utrechtse bisschop.

Gewapend conflict in 1227

In april 1227 kwam het tot een gewapend conflict tussen prefect Egbert en de familie Gelkinge, een van de belangrijkste families in de stad. De kastelein van het kasteel te Coevorden, Rudolf II van Coevorden, zette zich aan de kant van de Gelkingen en samen belegerden ze het huis van de prefecten. Bisschop Otto van Lippe, bisschop sinds 1216, onderhandelde en men kwam tot een wapenstilstand. Egbert bouwde zuidelijk van de stad een burcht, maar Rudolf brandde het met zijn (Drentse) soldaten af.

De familie Gelkinge, Rudolf, vele Drenten en vele Friezen verzamelden zich en belegerden de stad. De prefect verdedigde zich met troepen van de bisschop. Zij joegen de prefect naar de Ommelanden, het Friese gebied ten noorden van de stad. De Friezen spanden samen tegen de prefect en staken de stad in brand.

Veldslag bij Ane, 1227

Bisschop Otto stelde een groot leger samen om de stad te ontzetten. Niet alleen ridders uit Utrecht namen daaraan deel, maar ook uit Holland, Gelre, Kleef, Keulen en Munster, waaronder enkelen die hun sporen hadden verdiend tijdens een kruistocht. De bevrijdingsactie zou desastreus eindigen. De veldslag bij Ane op 28 juli 1227 tussen het leger van de bisschop en Rudolf met zijn Drentse boerenleger vond plaats bij het moeras van Ane in het zuiden van Drenthe. Rudolf stond achter een weide op een kleine heuvel en lokte een gewapend treffen uit. De weide was erg moerassig en de zwaar geharnaste ridders bleven vast zitten in het moeras. De bisschop en honderden ridders werden gedood.

Nasleep van het conflict

De nasleep van dit conflict duurde tot 1258 en is ook bekend als de Fries-Drentse oorlog. Het uiteindelijke gevolg van deze strijd was dat het gezag van de bisschop in Drenthe en de stad vrijwel geheel verdween.

In de vroege middeleeuwen had de stad Groningen nog weinig interesse voor het omliggende Friese land. Hier kwam in de late middeleeuwen verandering in. Langzaam begon de stad zijn invloed uit te breiden in de Ommelanden, de positie van de stad Appingedam en van Winsum, die tot dan toe de belangrijkste plaatsen in het gebied waren geweest, begon daardoor snel aan belang te verliezen.

Middeleeuws Groningen

Invloed in de Ommelanden

In de vroege middeleeuwen had de stad Groningen nog weinig interesse voor het omliggende Friese land. Hier kwam in de late middeleeuwen verandering in. Langzaam begon de stad zijn invloed uit te breiden in de Ommelanden. De positie van de stad Appingedam en van Winsum, die tot dan toe de belangrijkste plaatsen in het gebied waren geweest, begon daardoor snel aan belang te verliezen.


Groningen
Groningen

Groningen als handelscentrum

De stad Groningen ontwikkelde zich meer en meer tot een handelscentrum. Daarbij verschoof het belang wel van de internationale handel – Groningen was aangesloten bij de Hanze – naar een positie als regionale markt. Om die positie te beschermen en uit te breiden, streefde de stad naar invloed op de omliggende gebieden. Met name in de vijftiende eeuw wist Groningen zijn positie steeds verder uit te bouwen. De invloed van de bisschop van Utrecht werd steeds geringer, hoewel er nog met enige regelmaat lippendienst werd bewezen aan zijn rechten. Feitelijk beschouwde Groningen zich echter als vrije rijksstad, wat ook is terug te zien in het stadswapen.