Direct naar de inhoud.

Gebouwen

Ontwikkeling van burchten en kastelen

In de periode tussen 800 en 1000 woonden de meeste mensen op het platteland in kleine boerderijen of eenvoudige nederzettingen. Het leven was in die tijd vaak onveilig. Rondtrekkende soldatenbendes en rovers plunderden regelmatig dorpen en boerderijen. Om zich hiertegen te beschermen begonnen mensen vluchtburchten te bouwen.

Vluchtburchten

Hiervoor koos men een geschikte plek die werd omgeven door een gracht. De aarde uit die gracht werd gebruikt om een hoge wal op te werpen, waarop houten palen werden geplaatst. Wanneer er gevaar dreigde, vluchtten de bewoners van de omliggende boerderijen naar deze versterkte plek. Zij namen hun bezittingen, voedsel en vee mee en keerden pas terug wanneer het gevaar geweken was. Ook rijke boeren begonnen hun huizen beter te beschermen. Rond hun woningen werden grachten en aarden wallen aangelegd met houten palissaden erbovenop. Tijdens aanvallen konden kleinere boeren en hun gezinnen bij deze rijke boeren schuilen. In ruil voor bescherming betaalden zij een deel van hun oogst of andere goederen. Hierdoor kregen de rijke boeren steeds meer macht en rijkdom. Langzaam veranderden zij van gewone boeren in regionale machthebbers en krijgers. Zo ontstond uiteindelijk de ridderstand.

Het kastelenlandschap van het Oversticht en de ontwikkeling van de bisschoppelijke territoriale macht

Bestuur door de bisschop van Utrecht

Mottekastelen

Rond het jaar 1000 verschenen de eerste echte kastelen, de zogenaamde mottekastelen. Deze werden gebouwd op kunstmatige heuvels die waren ontstaan door aarde uit de grachten op te hopen. Boven op de heuvel stond een houten toren, de donjon, waarin de heer zich kon terugtrekken bij gevaar. Rondom lagen een wal, houten palissaden en een gracht. Buiten de hoofdburcht bevonden zich de woningen van soldaten en bedienden, vaak beschermd door een tweede gracht en wal. Door de hoogte van de heuvel waren deze kastelen moeilijk aan te vallen.

Ringmuurburcht

Toch bleken houten torens niet sterk genoeg. Ze konden gemakkelijk in brand worden gestoken of vernield. Daarom begon men verdedigingstorens van steen te bouwen. In deze stenen donjons bevonden zich voorraadkelders en woonruimten waar werd gegeten, geslapen en gewerkt. Wanneer de eigenaar rijker werd, groeide de eenvoudige toren vaak uit tot een groter stenen kasteel. Vanaf ongeveer 1100 ontwikkelde het kasteel zich verder tot de ringmuurburcht of ronde waterburcht. De houten palissaden werden vervangen door stevige stenen muren met uitkijktorens. Rondom lag een brede gracht met een ophaalbrug. In muren en torens kwamen schietgaten waardoor verdedigers pijlen konden afvuren op aanvallers. De heer en zijn familie woonden in de hoofdburcht, terwijl bedienden en soldaten verbleven op de voorburcht.

Vierkante waterburcht

Later ontdekte men echter dat ronde kastelen nadelen hadden. Vijanden konden de muren ondergraven en verdedigers hadden slecht zicht langs de ronde wanden. Daarom ontstond na 1250 de vierkante waterburcht, met rechte muren en torens op de hoeken. Hierdoor konden verdedigers beter langs de muren kijken en aanvallers effectiever bestrijden met pijl en boog.

Einde middeleeuw verdedigingskasteel

De ontwikkeling van buskruit en kanonnen maakte uiteindelijk een einde aan het middeleeuwse verdedigingskasteel. De hoge muren waren niet langer bestand tegen zware beschietingen. Veel kastelen verloren hun militaire functie en werden verbouwd tot comfortabele landhuizen en adellijke woningen. Dat zijn de kastelen die tegenwoordig nog vaak te zien zijn.

Belegeringswerktuigen

De stormram

Tijdens middeleeuwse belegeringen werden verschillende belegeringswerktuigen ingezet om vestingen en stadsmuren te vernietigen of te overwinnen. Een van de gevaarlijkste middelen was de stormram. Dit was een zware balk, vaak voorzien van een ijzeren kop, die in een overdekte constructie hing. De belegeraars trokken de balk met behulp van een windas naar achteren en lieten deze vervolgens met grote kracht tegen de muur slaan. Door herhaalde slagen konden muren uiteindelijk instorten. Tegen een stormram was nauwelijks verdediging mogelijk.

Ondergraven van muren: katten

Naast het beschadigen van muren probeerden belegeraars ook muren te ondergraven. Hiervoor gebruikten zij zogenaamde katten: lage, langwerpige beschermconstructies van hout of gevlochten takken. Onder deze bescherming konden gravers veilig dicht bij de muur werken. Verdedigers probeerden deze katten meestal in brand te schieten om het ondergraven te stoppen.

De evenhoge

Een ander indrukwekkend belegeringsmiddel was de evenhoge, een grote belegeringstoren die even hoog was als de stadsmuur. Deze torens werden ter plaatse gebouwd door timmerlieden uit het leger en bestonden uit meerdere verdiepingen. Zodra de toren tegen de muur werd gereden, konden soldaten rechtstreeks op de vestingmuur overstappen. Om brand te voorkomen werden de torens vaak bedekt met natte dierenhuiden. Een zeer belangrijke rol in de middeleeuwse belegeringsoorlog speelden de werpmachines, zoals de blijde en de trebuchet. Deze machines kunnen worden gezien als voorlopers van het latere geschut. Hun grote voordeel was dat zij projectielen verder konden werpen dan het bereik van pijlen van verdedigers, die ongeveer 250 meter ver konden schieten. Met de werpmachines werden zware stenen, kleinere stenen, brandende voorwerpen, bijenkorven en zelfs kadavers of afval in belegerde steden geworpen. Daarmee veroorzaakten zij niet alleen schade, maar ook angst, branden en ziekten.

Werpmachine: de blijde

De bekendste werpmachine in Gelre en De Graafschap was de blijde. Dit apparaat werkte volgens het principe van een hefboom of wip. Aan de ene kant zat een zwaar tegengewicht, terwijl aan de andere zijde het projectiel werd geplaatst. Door deze constructie kon zeer nauwkeurig worden geschoten. Volgens middeleeuwse bronnen kon een geoefende schutter er zelfs een naald mee raken. Hoewel er nog andere soorten werpmachines bestonden, werden die vooral gebruikt bij grote belegeringen door machtige vorsten en kwamen zij in Gelre slechts zelden voor.