Van Coevorden

Geschiedenis van geslacht Van Coevorden
Van Coeverden is een van de oudste, nu nog bloeiende inheemse adellijke geslachten van Nederland. Het geslacht Van Coeverden stamt uit de rijksvrijen van het geslacht Van Borculo. In 1232 trouwde Hendrik II van Borculo met de erfdochter Eufemia van de burggraaf van Coevorden. Hun achterkleinzoon Reinald vernoemde zichzelf Van Coeverden, naar het voorgeslacht van zijn moeder. Oorspronkelijk waren de leden van de Van Coeverden-familie burggraaf van Coevorden, bestuurders van het schoutambt Drenthe en de stad Groningen.
Burggraven en erfheren in Drenthe
Ridderschap van Overijssel
In 1814 werden drie leden van de familie benoemd in de ridderschap van Overijssel en verkregen daarmee, net als hun afstammelingen, het recht het predicaat jonkheer en jonkvrouw te dragen. De familie kent nog steeds talrijk nageslacht, voortkomend uit de tak Van Coeverden tot Wegdam. In 1991, 1992, 1993 en 2009 is voor verschillende leden van het geslacht Van Coeverden erkend de titel van baron en barones voor hen en al hun afstammelingen in de mannelijke lijn, zowel mannelijke als vrouwelijke (bij Koninklijk Besluit), deze erkenning is verkregen vanwege oude adeldom en de door leden van het geslacht eerder gevoerde titels. Niet alle leden van het geslacht voeren de titel baron: een klein aantal bleef bij het predicaat, zoals volgend uit de ridderschapsbenoeming van 1814, dat is: ‘jonkheer’/jonkvrouw. Het verhaal van de Heren van Coevorden is een verhaal van strijd en geweld, van aanval en verdediging, van machtshonger en vrijheidsidealen. Een verhaal, dat eeuwen geleden werd geschreven in een ons bekende omgeving, die ons toch totaal vreemd is. Een verhaal van mensen als schimmen, nooit door ons gezien en slechts zeer ten dele door ons begrepen.
Ludolf burggraaf van Coevorden 1145-1177
Ludolf van Coevorden (van Werl, van Bierum) werd omstreeks 1110 in Bierum (bij Delfzijl) geboren als zoon van Rudolf van Bierum en Sigardis van Coevorden. Ludolf huwde met Johanna van Goor. In 1145 bekleedt bisschop Hartbert van Bierum zijn broer Ludolf van Bierum met de erfelijke waardigheid van burggraaf van Coevorden. De residentie van de nieuwbakken burggraaf is een omwalde en omgrachte houten vechttoren, een zogenaamde motte, op een kunstmatig opgehoogde zandheuvel. Zijn machtsgebied bestaat uit een verzameling stulpjes en boerderijtjes ten zuiden van de versterking en een langgerekte strook grond ten oosten en ten westen ervan. Daarmee heeft Hartbert een trouwe vazal, wellicht zelfs een stroman die het gebied bestuurt. Nadat Hartbert in 1150 overleed, werd de binding tussen het bisdom Utrecht en de Stadt en Heerlickheyt Coevorden snel minder sterk. Ludolf werd opgevolgd door zijn zoons Volker van Coevorden en Rudolf I van Coevorden. Zij gedroegen zich als onafhankelijke heren.
Rudolf I burggraaf van Coevorden 1177-1182 en 1191-1196
De zoon van Ludolf, Rudolf I van Coevorden, kwam in conflict met zijn formele heer, de bisschop. Rudolf probeerde zijn macht uit te breiden door zich te bemoeien met de opvolging van Leffard in Groningen. Rudolf I en zijn broer Volker gedroegen zich als onafhankelijke ridders en probeerden hun macht in de regio uit te breiden. Dit leidde tot een conflict met hun landsheer, de bisschop van Utrecht. Vanwege dit verzet besluit bisschop Boudewijn van Holland in 1182 de versterking van Coevorden te belegeren. Tijdens deze actie werd de stad grotendeels verwoest. Rudolf I verloor het kasteel Coevorden en hij werd als burggraaf opgevolgd door Otto I van Bentheim, een broer van bisschop Boudewijn van Holland. Ondanks verliezen en zelfs gijzeling wist Rudolf I rond 1191 zijn positie en rechten (deels) te herwinnen.
Rudolf II burggraaf van Coevorden 1196-1228 en 1229-1230
In 1192 werd Rudolf II in Coevorden geboren als zoon van Folker van Coevorden. Zijn vader was een broer van de zittende burggraaf Rudolf I van Coevorden. Rudolf II was getrouwd met Sophia van Ansen en kreeg met haar drie kinderen: Bertolt van Ansen, Heino Henrikus en Cyse van Ansen. Na het overlijden van zijn oom Rudolf I werd hij aangesteld als burggraaf van Coevorden en schout van Drenthe. Rudolf II van Coevorden was aanvoerder van de Drenten bij de Slag bij Ane en behaalde hierbij de overwinning op de bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe. De bisschop kwam bij deze slag om het leven. Na de dood van Otto van Lippe werd Wilbrand van Oldenburg tot bisschop gewijd. Ook deze trok ten strijde tegen de opstandige Drenten, waarbij hij de hulp van de Friezen inriep. Maar ook deze slag, de Fries-Drentse oorlog, werd door de Drenten gewonnen. In een latere slag, bij Peize, werden de Drenten wel verslagen. Na de slag bij Ane nam de macht van het bisdom Utrecht enorm af en bleven de Stad Groningen en Drenthe lang autonoom, pas in 1588 kwamen Groningen en Drenthe bij de Republiek. In 1229 kreeg Rudolf Coevorden weer in handen. In 1230 werd Rudolf onder valse voorwendselen naar het kasteel van Hardenberg gelokt. Rudolf zag in dat hij op de lange duur geen stand zou houden tegen het grote bisschoppelijke leger en ging in op de uitnodiging. Rudolf begaf zich samen met zijn vriend Hendrik van Gravesdorp (uit Veldhuizen in Bentheim) naar Hardenberg. Zijn kans om hier een vrede stichten bleek een hinderlaag, hij werd gevangengenomen en daarna dagen geradbraakt en vermoord op 25 juli 1230. Zijn lichaam werd als waarschuwing op een spies tentoongesteld aan het volk.
Hendrik II van Borculo, burggraaf van Coevorden 1230-1236
Hendrik II is voor 1231 getrouwd met Euphemia, ‘cui copulata et data fuit filia Rodolphi cum castro Covordie et dominio Trentie‘. Zij is een dochter van burggraaf Rudolf II van Coeverden. In 1231 ontvangt Hendrik II van Borculo van bisschop Wilbrand van Utrecht de Drentse bezittingen van zijn schoonvader. Samen met zijn vrouw Euphemia krijgt hij een zoon, Hendrik III. Volgens de dertiende-eeuwse kroniek Narracio sluit Hendrik II zich in september 1232, kort na zijn benoeming tot burggraaf, aan bij opstandelingen tegen de bisschop, gesteund door ingehuurde Westfaalse troepen. Mede door zijn toedoen wordt het bisschoppelijke leger verslagen. Over de gevolgen voor Hendrik II zwijgt de bron, maar aannemelijk is dat de bisschop hem zijn optreden kwalijk neemt en dat hij zijn Drentse bezittingen verliest. In datzelfde jaar treedt Hendrik II op als getuige bij een regeling rond kerken in Diepenheim en Markelo, samen met vooraanstaande edelen als Boudewijn van Bentheim, Ludolf II van Steinfurt, Herman I van Lohn en Johan II van Ahaus. Dit bevestigt zijn positie binnen de regionale elite. Op 25 mei 1236 verkoopt Hendrik II de stad Groenlo aan Otto II van Gelre en Zutphen. Mogelijk heeft hij geld nodig om schadevergoedingen aan de bisschop van Utrecht te betalen. De verkoop omvat de villa Groenlo met bijbehorende rechten, maar hij ontvangt het goed deels als leen terug. Otto II stelt bovendien zekerheden voor het geval de betaling uitblijft. Door deze transactie raken de heren van Borculo sterker afhankelijk van Gelre. Opvallend is dat de bisschop van Münster geen rol speelt, wat erop wijst dat Groenlo allodiaal bezit was. Kort na de verkoop overlijdt Hendrik II vermoedelijk. Zijn weduwe Euphemia hertrouwt in 1237 met graaf Herman I van Lohn, die als voogd optreedt voor de minderjarige Hendrik III. Euphemia sterft na 1250.
Hendrik III van Borculo, burggraaf van Coevorden 1236-1288
Hendrik III volgt in 1236, op driejarige leeftijd, zijn vader Hendrik II op als heer van Borculo. Omdat hij minderjarig is, hertrouwt zijn moeder Euphemia van Coeverden, erfdochter van Coevorden, met graaf Herman I van Lohn. Dit huwelijk moet de belangen van Borculo en Coevorden beschermen, maar Herman I gebruikt zijn voogdij vooral in eigen voordeel. Zo draagt hij in 1246 rechten in onder meer Eibergen, Neede, Groenlo en Geesteren over aan Otto II van Gelre om ze vervolgens in leen terug te ontvangen. Daarmee verzekert hij zich van een machtige bondgenoot tegen de bisschop van Münster. Deze handelwijze is mogelijk onrechtmatig, temeer daar Euphemia en Hendrik III niet bij de transactie betrokken zijn. Na zijn meerderjarigheid treedt Hendrik III actief op in bestuurlijke en kerkelijke zaken. Hij verkoopt in 1251 met mede-erfgenamen het goed Heersink aan klooster Betlehem en schenkt in 1259 goederen aan klooster Groot Burlo. Hij is aanwezig bij vredesregelingen en ondersteunt onder meer de graaf van Dalen en kerkelijke instellingen.
Huwelijk, kinderen en dynastieke posities
Voor 1259 is hij gehuwd met Agnes, vermoedelijk een dochter van Otto II van Gelre en Zutphen. Dit prestigieuze huwelijk onderstreept zijn hoge status. Uit het huwelijk worden zes zonen en twee dochters geboren. De kinderen bekleden belangrijke posities: Hendrik IV volgt hem op in Borculo, Reinold I wordt burggraaf van Coevorden, anderen kiezen voor een kerkelijke loopbaan of sluiten strategische huwelijken, zoals dochter Jutta met het huis Wisch.
Betrokkenheid bij diverse kwesties
Hendrik III speelt een rol in Gelderse en Stichtse aangelegenheden. Hij bevestigt stedelijke rechten, treedt op als arbiter bij conflicten en sluit bondgenootschappen, onder meer tegen Derck II van Keppel. Ondanks wisselende allianties strijdt hij later zelfs zij aan zij met voormalige tegenstanders. Zijn verhouding met het bisdom Utrecht normaliseert, waarna hij ook burggraaf van Coevorden wordt en daar leenrechten verleent. Zijn leven kent echter ook conflicten. In 1278 raakt hij betrokken bij twisten rond Herman II van Lohn en moet hij genoegdoening betalen aan Eberhard van der Mark. Toch blijft hij een invloedrijke bemiddelaar in regionale geschillen. In 1288 trekt Hendrik III als vazal van Reinald I van Gelre ten strijde in de Slag bij Woeringen, waar hij sneuvelt. Na zijn dood worden Borculo en Coevorden gescheiden tussen zijn zonen. Deze splitsing verzwakt het huis Borculo; geen latere heer zal nog het aanzien van Hendrik III evenaren.
Reinoud I burggraaf van Coevorden 1288-?
In 1288 kwam een kleinzoon van Rudolf II weer aan de macht, en werd het kasteleinschap van de Van Coevordens hersteld. Reinoud van Coevorden was een zoon van Eufemia, de dochter van Rudolf II, en van Hendrik van Borculo. Reinoud werd de stamvader van een reeks sterke heren van Coevorden, een dynastie die tot 1402 zou voortduren. Het machtsgebied breidde zich uit tot Borculo, Diepenheim, Lage (Duitsland) en Selwerd. Ze verwierven het muntrecht en beheersten de rechtspraak in Drenthe.
Reinoud II burggraaf van Coevorden ?-1338
Reinold II van Coevorden van Borculo is geboren omstreeks 1290 als zoon van Reinoud I. Reinold trouwde waarschijnlijk met en Van Echten-dochter. Op 7 augustus 1313 is hij medezegelaar van Coevorden en het land van Drenthe als de broers Henricus en Albertus, zonen van Gerardus, horigen van de kerk van Utrecht, verklaren de hof in Emmen in erfpacht te hebben genomen. Op 20 juni 1314 zegelt hij ook als de broers Bolo en Leffardus verklaren van de bisschop van Utrecht de hof te Anlo met toebehoren in erfpacht te hebben genomen. Op 4 mei 1315 sluiten Reinold van Coevorden en zijn kinderen een overeenkomst met de abdij van Assen. Er was een conflict over een stuk drassig land tussen de huizen Venehusen en Pathus. Een aantal scheidsrechters, onder wie Henricus van Norch, Godfried van Borculo, Fredericus (rector van de kerk van Roden) en Wicherus (pastoor van Vries en deken van Drenthe), heeft het geschil beslecht. De uitspraak houdt in dat de abdij jaarlijks bepaalde leveringen moet doen aan het kasteel van Coevorden: één vat boter uit het huis Pathus, drie hoenders uit de weide Burchmat en drie hoenders uit het huis Venehusen. Daarnaast mag de abdij het vee van Venehusen blijven laten grazen op de markegronden van Coevorden, zolang dit geen schade veroorzaakt aan ingezaaide akkers. Wel moet de abdij voor de burgers van Coevorden twee stieren beschikbaar houden voor hun koeien. Reinold verplicht zich om met de 125 Osnabrückse marken die hij van de abdij heeft ontvangen, Gerard Klinking, diens broers en andere markegenoten van Coevorden schadeloos te stellen. Ook moet hij de Friezen die hij in het betwiste moerasgebied had laten wonen, zonder schade voor de abdij laten vertrekken. Voortaan mag hij daar niemand meer toestemming geven om te bouwen of te wonen. Het gebied blijft bestemd voor gebruik door de twee genoemde huizen. De abdij mag er wel nieuwe huizen bouwen, zolang het huis Venehusen niet dichter bij Coevorden wordt geplaatst. De oorkonde is mede bezegeld door Reinolds neef Henricus van Borculo en door de gezamenlijke vertegenwoordiging van Drenthe. Een latere akte uit 1316 vermeldt dat Reinold, Rudolf en Henricus van Coevorden goederen in Lindelo en Arneth hebben overgedragen aan Johannes Stengere uit Oldenzaal.
Reinoud III burggraaf van Coevorden 1338-1370
Reinoud III van Coevorden was heer van Borculo, burggraaf van Coevorden, schout van Twente en heer van kasteel Goor. Reinoud werd geboren als zoon van Reinoud II van Coevorden. In 1338 belegerde hij de stad Groningen, en een jaar later, in 1339, ondertekende hij met de stad en met Drenthe het verdrag dat bekendstaat als de Commune Plicht. In die periode was de onafhankelijkheid van Drenthe en Coevorden ten opzichte van het Sticht Utrecht aanzienlijk, waardoor hij zich vanaf 1347 ‘heer van Coevorden’ noemde. In datzelfde jaar bekleedde hij ook het ambt van schout van Twente en bezat hij kasteel Goor als bisschoppelijk leen. In 1348 verwierf hij de heerlijkheid Borculo (met muntrecht). In 1350 sloot hij, als leider van het ‘mene’ land van Drenthe, een nieuw verdrag met Groningen en onder zijn leiding werd dit gebied in 1357 door keizer Karel IV verheven tot een vrijgraafschap, waarbij hij zelf optrad als vrijgraaf van het daar gevestigde veemgericht. Hij was daarnaast beleend met Diepenheim en Lage. Hij raakte eveneens betrokken bij de Gelderse twisten aan de zijde van hertog Eduard van Gelre.
Reinoud IV burggraaf van Coevorden 1370-1402
Reinoud IV van Coevorden was een Drents edelman en de laatste kastelein en heer van Coevorden uit het geslacht Van Coevorden. Hij speelde een centrale rol in de bestuurlijke en politieke verhoudingen tussen Drenthe en het Sticht Utrecht aan het einde van de middeleeuwen. Zijn conflict met bisschop Frederik van Blankenheim markeerde het einde van de zelfstandige machtspositie van de Heren van Coevorden. Reinoud, stammend uit het adellijke geslacht Van Coevorden, werd geboren als zoon van Reinoud III van Coevorden en Orbelia van Buren. De Van Coevordens bezaten sinds de twaalfde eeuw de erfelijke waardigheid van burggraaf van Coevorden. De familie had nauwe banden met het bisdom Utrecht, dat sinds circa 1000 leenheer was over Drenthe en Coevorden. De Van Coevordens wisten hun positie door de eeuwen heen te versterken en traden in de veertiende eeuw feitelijk op als zelfstandige heersers in het Oversticht. Reinoud volgde Reinoud III van Coevorden op rond 1370/1371. Onder hun leiding groeide Coevorden uit tot een centrum van regionale macht. De familie verwierf aanzienlijke bezittingen, waaronder Borculo, Diepenheim, Lage in Duitsland (Nedersaksen) en Selwerd bij Groningen. Door het bezit van muntrecht en de functie van ambtman in Twente en vrijgraaf in Drenthe trad Reinoud op als een van de invloedrijkste edelen van het noorden. Vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw oefende Reinoud IV een vrijwel onafhankelijke macht uit over Drenthe en Coevorden. In 1382 werd hij door de Drenten als hun leenheer erkend en in 1395 was hij zowel burggraaf van Coevorden als voorzitter van de Etstoel, de hoogste rechtbank van Drenthe. In de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers staat hij aan de zijde van laatstgenoemde partij. Aangezien de Schieringers, veelal bestaande uit de gezaghebbende burgers van Groningen, deze strijd wonnen, kwam de partijkeuze Reinoud uiteindelijk duur te staan. Reinoud stond bekend als een ambitieuze en autoritaire heerser. Hij legde volgens tijdgenoten onrechtmatige belastingen op en handelde vaak zonder instemming van zijn leenheer, de bisschop van Utrecht. Hij sprak daarnaast willekeurig recht en liet de zijnen gewelddadig door het landschap Drenthe trekken. Hij negeerde de klachten van de Drentse bevolking stelselmatig, wat ervoor zorgde dat zij uiteindelijk hulp zochten bij de bisschop.
De strijd om Coevorden
Toen Frederik van Blankenheim in 1393 tot bisschop van Utrecht werd gekozen, besloot hij de zelfstandige positie van Reinoud te breken. De bisschop wist op een slimme manier de steun te verwerven van de IJsselsteden (Kampen, Zwolle en Deventer), alsmede van Groningen en de Friese landen. De stad Kampen verklaarde Reinoud zelfs de oorlog. Reinoud weigerde zijn verpande rechten en goederen aan de bisschop terug te geven, waarop Frederik in de zomer van 1395 het beleg van Coevorden begon. Toen de bisschop op 10 juli 1395 voor de poorten verscheen, werd hij ingehuldigd door notabene de Drenten zelf. Het kasteel van Coevorden viel op 19 augustus 1395. Reinoud had zich echter al voor de komst van de bisschop teruggetrokken op zijn landgoed in Borculo. De bisschop benoemde Zweder van Heeckeren als drost van Coevorden, waarmee er een einde kwam aan het burggraafschap. Reinoud, ontdaan van deze verandering, zocht steun bij graaf Albrecht van Beieren van Holland. Tevergeefs, want enkele tijd later werd Reinoud door de bisschop gevangengenomen.

Het einde van het geslacht Van Coevorden
In 1402 legde Reinoud, in ruil voor zijn vrijheid, zich definitief neer bij zijn nederlaag. In aanwezigheid van de bisschop, de etten van Drenthe en vertegenwoordigers van de omliggende dorpen deed hij op 4 april 1402, in de kapel van Hulsvoorde bij Coevorden, formeel afstand van al zijn rechten. Daarmee kwam een einde aan ruim 250 jaar machtsuitoefening door het geslacht Van Coevorden.


Coevorden onder centraal bestuur
Na zijn aftreden trok Reinoud IV zich terug op familiebezittingen in Twente en de Achterhoek. Coevorden kreeg op 31 december 1407 stadsrechten. De familie Van Coevorden verloor haar invloed in Drenthe, maar bleef tot in de zeventiende eeuw deel uitmaken van de regionale adel. De val van Reinoud IV betekende het definitieve einde van de zelfstandige heerlijkheid Coevorden en de opname van het gebied in het Oversticht van het bisdom Utrecht. Zijn aftreden wordt gezien als een sleutelmoment in de bestuurlijke geschiedenis van Drenthe, waarbij de macht van lokale heren plaatsmaakte voor centraal gezag.
