1216 -1226

Voorspel Slag bij Ane 28 juli 1227
Opstand tegen bisschoppelijk gezag
De slag bij Ane op 28 juli 1227, waarbij bisschop Otto II van Utrecht sneuvelde, was het hoogtepunt van een langdurig conflict tussen het bisschoppelijk gezag en zowel de lokale adel als de Drentse bevolking. In deze opstand werkten twee krachten samen: een feodaal element (de heren van Coevorden) en een volks element (de Drentse boeren).
Conflicten in Salland, Coevorden en Groningen 1216-1226
Feodale wortels van het conflict
De oorsprong van het conflict ligt in bestuurlijke beslissingen uit de twaalfde eeuw. Bisschop Hartbert (1139-1156) reorganiseerde het noordelijke deel van het Utrechtse territorium. Hij verdeelde het gebied in twee delen: de prefectuur Groningen en de ‘iurisdictio Thrente’ (Drenthe). Het wereldlijk bestuur van Groningen gaf hij aan een prefect. Dat van Drenthe aan de kastelein van Coevorden, die tevens schout van Drenthe werd. Beide functies werden als leen uitgegeven aan zijn broers. Dit leidde tot een probleem. De opvolgers van deze leenmannen gingen zich steeds zelfstandiger gedragen en streefden naar onafhankelijkheid van de bisschop. Zo ontstond een feodaal machtsconflict. In Groningen werd de prefect uiteindelijk gedwongen zich loyaler op te stellen tegenover de bisschop, mede doordat hij in conflict kwam met een machtige burgerpartij in de stad, de Gelkingen. In Drenthe daarentegen bleven de kasteleins van Coevorden streven naar een zo zelfstandig mogelijke positie.
Er waren al eerder gewapende conflicten. In 1187 wist bisschop Boudewijn, met steun van de graaf van Bentheim en vermoedelijk ook een deel van de Drentse bevolking, zijn gezag in Drenthe tijdelijk te herstellen en het kasteel van Coevorden in te nemen. Maar in 1195 wist de kastelein, gesteund door de Drentse boeren en met hulp van de graaf van Gelre, dit succes weer ongedaan te maken. Hier blijkt voor het eerst dat de Drentse boeren actief deelnamen aan de strijd, en wel aan de zijde van de kastelein van Coevorden.
De rol van Gelre en de spanningen met Utrecht
De spanningen werden versterkt door de rivaliteit tussen het Sticht Utrecht en het graafschap Gelre. In de tweede helft van de twaalfde eeuw was deze tegenstelling duidelijk aanwezig. Graaf Otto van Gelre wist bijvoorbeeld pogingen van bisschop Boudewijn om de Veluwe los te maken uit het Gelderse leenverband succesvol af te weren. Bovendien mengde de graaf zich in Overstichtse (Overijsselse) aangelegenheden en maakte aanspraak op een graafschap in Salland. In eerdere conflicten vóór 1227 stond Gelre vaak aan de kant van de kastelein van Coevorden. In het conflict van 1227 veranderde dat echter: toen koos de Gelderse graaf de zijde van de bisschop. Dat had specifieke politieke redenen. Ondanks de soms wisselende steun van Gelre bleef het streven van de Coevorder heren gericht op grotere zelfstandigheid. Toen er in de jaren 1220 spanningen ontstonden tussen de bisschop en de Drentse boeren, zag de kastelein hierin een kans om zijn eigen positie verder te versterken.
Onrust in Drenthe rond 1196 en daarna
Het conflict van 1227 kwam niet uit het niets. Al in 1196, na de plotselinge dood van bisschop Boudewijn, ontstond er onrust in het Sticht. Er was toen onenigheid over zijn opvolging: zowel de graaf van Holland als die van Gelre probeerden hun eigen kandidaat tot bisschop benoemd te krijgen. Uiteindelijk werd in 1197 Diederik van Are gekozen, een aanhanger van het rijksgezag, die het bisschoppelijk gezag wist te versterken. Over de situatie in Drenthe onder zijn bewind weten we weinig. Wel is bekend dat de Drenten in 1196 de bisschoppelijke inkomsten in hun gebied overdroegen aan de graaf van Gelre. Wat dit praktisch betekende, is onduidelijk. Maar het wijst erop dat er verzet bestond tegen het bisschoppelijk gezag.
Oorzaken van het Drentse verzet
Over de oorzaken van dit volksverzet weten we weinig. Mogelijk had het te maken met financiële lasten. In de tekst wordt gesuggereerd dat een van de weinige middelen waarmee een landsheer zijn gezag over de plattelandsbevolking kon laten gelden, het heffen van belastingen of het uitoefenen van economische controle was. Als dat klopt, dan richtte het verzet zich in feite tegen de landsheerlijke macht als zodanig. Om het Drentse verzet beter te begrijpen, moet men ook kijken naar ontwikkelingen in het Oversticht, vooral in Salland.
De situatie in Salland
Bisschop Otto II (1216-1227) besteedde al vroeg aandacht aan Overijssel. In 1218 onderdrukte hij een opstand van ministerialen in Vollenhove. Ook in Salland ontstond onrust, mede doordat de graaf van Gelre daar invloed probeerde uit te oefenen. Gelre maakte aanspraak op een graafschap in Salland, wat Otto II niet wilde erkennen.
Opstand en machtsstrijd in Salland
Hierdoor ontstond een situatie waarin zowel de bisschop als de graaf van Gelre aanspraken maakten op rechten en inkomsten van dezelfde onderdanen. Dat leidde tot zware financiële lasten en ontevredenheid. Aangemoedigd door Gelre kwamen Sallandse ministerialen in opstand tegen de bisschop, wat uitmondde in een bredere opstand. Otto II trad snel op: hij trok met een leger Salland binnen en versloeg de opstandelingen voordat Gelre hulp kon bieden. Eind 1225 werd een schikking getroffen, waarbij de bisschop zijn positie in Salland herstelde en de graaf van Gelre afstand deed van zijn aanspraken. De bisschop stond nu sterker in het Oversticht. Deze machtsvergroting werd in Drenthe met argwaan bekeken, vooral door de heren van Coevorden. Zij zagen hoe de bisschop zijn gezag in Salland had hersteld en vreesden waarschijnlijk dat hun eigen positie de volgende zou zijn.
De rol van Coevorden en Groningen
In Coevorden hadden twee broers de macht: Rudolf en Frederik. Hun houding tijdens de Sallandse opstand is niet geheel duidelijk, maar ze lijken zich uiteindelijk bij de opstandelingen te hebben aangesloten. Ze plunderden bisschoppelijke goederen in Drenthe. De Drentse bevolking wordt in deze fase nog niet expliciet genoemd als actieve deelnemer.
Na de bisschoppelijke overwinning in Salland voelden de Coevorder heren zich bedreigd. Ze mengden zich vervolgens in een conflict in Groningen. Daar was een burgerpartij, de Gelkingen, in opstand gekomen tegen de prefect van Groningen. Deze Gelkingen waren rijk en invloedrijk en streefden naar grotere zelfstandigheid.
Conflict in Groningen
De prefect van Groningen stond nu aan de kant van de bisschop. Samen met de Coevorder heren belegerden de Gelkingen de woning van de prefect. De bisschop reisde snel naar het noorden om te bemiddelen. Hij stelde een wapenstilstand voor en wilde een definitieve oplossing bereiken na overleg met zijn raad. De leiders van Groningen gingen hiermee akkoord, maar Rudolf van Coevorden verzette zich fel tegen deze bemiddeling. Hij wist een deel van de Gelkingen aan zijn kant te krijgen.
Betrokkenheid van de Drenten
Deze gebeurtenissen speelden zich waarschijnlijk af rond midden 1226. Hoewel een wapenstilstand werd afgesproken, bleven de Coevorder heren actief. Zij versloegen bijvoorbeeld een bisschoppelijk legertje bij Ommen. In Groningen werd de wapenstilstand verbroken toen de prefect bij Glimmen een versterking liet bouwen, op de toegangsweg naar Drenthe. Nu komt een belangrijk moment: Rudolf van Coevorden viel deze versterking aan, samen met de Drenten (‘cum Trentonibus’). Pas op dit moment worden de Drentse boeren expliciet als actieve strijders genoemd. Daarvóór hadden zij zich buiten de directe strijd gehouden.

Escalatie en de weg naar Ane
Na de aanval bij Glimmen escaleerde de situatie snel. Op 22 april 1227 werd Groningen zelfs in brand gestoken. De prefect verdedigde zich vanuit de Walburgiskerk tegen een overmacht. De strijd tussen bisschoppelijk gezag, feodale machthebbers en stedelijke en landelijke bevolkingsgroepen was nu volledig ontspoord. Wat begon als een feodaal conflict tussen bisschop en kastelein, groeide uit tot een bredere opstand waarbij ook boeren en burgers betrokken raakten. Dit alles leidde uiteindelijk tot de slag bij Ane op 28 juli 1227. Daar werd het bisschoppelijke leger in de moerassen vernietigd en kwam bisschop Otto II om het leven. De opstand had daarmee zijn dramatische hoogtepunt bereikt.


Oorzaken van de opstand
De opstand van 1227 was niet een spontane boerenopstand, maar het resultaat van langdurige spanningen. Enerzijds was er een feodale machtsstrijd tussen bisschop en kastelein van Coevorden. Anderzijds speelde ontevredenheid onder de Drentse bevolking een rol, mogelijk veroorzaakt door zware financiële lasten en groeiende landsheerlijke controle. Daarnaast beïnvloedden regionale machtsverhoudingen – vooral de rivaliteit tussen Utrecht en Gelre – het verloop van de gebeurtenissen. Ontwikkelingen in Salland en Groningen werkten door in Drenthe en droegen bij aan de escalatie. De slag bij Ane was dus niet zomaar een veldslag, maar het culminatiepunt van decennialange spanningen tussen kerkelijk gezag, lokale adel en een zich emanciperende bevolking.
