Geschiedenis pommelkroon

Functionaliteit en decoratieve functie
Pommelkronen vormen al sinds ten minste het derde millennium v.Chr. een essentieel onderdeel van zwaarden en dolken. Hoewel zij soms uitsluitend een decoratieve functie hadden, diende een pommel meestal om te voorkomen dat de hand van het uiteinde van de greep afgleed. Daarnaast fungeerde zij als contragewicht voor het lemmet, waardoor een goed uitgebalanceerd zwaard of dolk lichter aanvoelde en gemakkelijker te hanteren was. Omdat een wapen vaak op een goed zichtbare plaats werd gedragen, werden pommels dikwijls rijk versierd, soms zelfs volledig driedimensionaal en buitengewoon kunstzinnig uitgevoerd. Zij konden vervaardigd zijn uit goud, zilver, brons en andere koperlegeringen, been, ivoor, hoorn, bergkristal of ijzer. De afwerking varieerde van smeedwerk, hak- en snijwerk tot gietwerk. Ze konden worden versierd met goud en zilver, edel- en halfedelstenen en glas, terwijl uiteenlopende metaalbewerkingstechnieken werden toegepast, zoals vergulding, inlegwerk, damascering, ciselering, ingelegde plaatjes en emailwerk, zowel champlevé als cloisonné. De belangrijkste onderdelen van een Europees zwaard of dolk uit de vroege middeleeuwen en latere perioden bestaan uit een lemmet met een geïntegreerde angel, een pareerstang, een greep en een pommel. De laatste drie onderdelen vormen gezamenlijk het gevest. Elk onderdeel van het gevest bezit een centrale opening waardoor de angel wordt gestoken. Gewoonlijk is de angel alleen zichtbaar wanneer het wapen uit elkaar wordt genomen of wanneer de greep ontbreekt. Bij de montage wordt eerst de pareerstang over de angel geschoven totdat deze tegen de schouders van het lemmet rust. Vervolgens wordt de greep aangebracht en ten slotte de pommel. In de meeste gevallen steekt de punt van de angel door een opening aan de bovenzijde van de pommel, waarna deze wordt platgeslagen. Hierdoor worden alle onderdelen stevig met elkaar verbonden. Op deze wijze zorgt de pommel niet alleen voor de juiste balans, maar houdt zij tevens het gehele wapen bijeen.
De wereldwijde geschiedenis van pommelkronen
Collectie Metropolitan Museum New York
Losse zwaard- en dolkpommels
Het kwam regelmatig voor dat een zwaard of dolk tijdens zijn gebruiksduur meerdere malen werd gedemonteerd en opnieuw samengesteld. Dat gebeurde bijvoorbeeld om beschadigde of verloren onderdelen te vervangen of om het wapen aan te passen aan veranderende stijlen en modes. Ook in de negentiende en twintigste eeuw, toen antieke wapens zeer gewild waren vanwege zowel hun esthetische als historische waarde, werden onderdelen van zwaarden en dolken vaak door handelaren, restauratoren en verzamelaars met elkaar gecombineerd. Daardoor bezitten veel complete wapens in openbare en particuliere verzamelingen tegenwoordig niet langer al hun oorspronkelijke onderdelen. Bovendien werden losse pommels vaak afzonderlijk verzameld binnen grotere collecties van wapens en harnassen. Zo bezit de afdeling Wapens en Harnassen van het Metropolitan Museum meer dan 130 losse Europese zwaard- en dolkpommels, daterend van de negende tot en met de negentiende eeuw.
Pommels en relatie met Kruistochten
Binnen deze verzameling bevindt zich een zeldzame groep pommels die in verband kan worden gebracht met de kruistochten. Deze groep is van groot belang, omdat weliswaar tienduizenden Europese ridders en krijgslieden deelnamen aan de negen kruistochten tussen 1095 en 1272 en gedurende generaties in het Heilige Land verbleven, maar er tegenwoordig slechts zeer weinig wapens en slechts kleine fragmenten van harnassen bewaard zijn gebleven die overtuigend met de kruistochten kunnen worden verbonden. Alle hier besproken pommels lijken van Franse oorsprong te zijn en kunnen op grond van hun herkomst, stijl en decoratie worden gedateerd in de twaalfde of dertiende eeuw. Hoewel enkele groot genoeg zijn om als zwaardpommel te hebben gediend, lijken de meeste beter geschikt voor dolken of messen. De kern van dit onderzoek wordt gevormd door een groep van zesentwintig pommels en één dolk, waarvan op één na alle volgens opgave gedurende een aantal jaren door lokale handelaren in en rond Israël zijn verworven. Het merendeel van deze stukken bevindt zich sinds 2007 als langdurig bruikleen uit de collectie van Laird en Kathleen Landmann in het Metropolitan Museum. Daarnaast bezit de vaste collectie van het museum nog drie nauw verwante pommels. Op basis van deze omvangrijke groep kunnen eerste conclusies worden getrokken over hun typen, decoraties, gebruikte materialen en vermoedelijke oorsprong.
Grote diversiteit in vormen
De meeste pommels hebben de vorm van een schijf met een diep ingesneden, gelobde rand. Hun diameter varieert van ongeveer 2,1 tot 4,8 centimeter en de dikte van circa 1 tot 1,6 centimeter. Het aantal lobben loopt uiteen van twaalf bij de grotere exemplaren tot acht bij de kleinere. Veel van deze pommels zijn versierd met champlevé-email waarin heraldische dieren, wapensymbolen, bloemmotieven en andere decoratieve voorstellingen zijn opgenomen. Hoewel de wanden relatief dik zijn, zijn zij hol gegoten en niet massief. Daarnaast omvat de groep enkele ruitvormige pommels met een duidelijke centrale rib, kroonvormige opengewerkte pommels, een halvemaanvormige pommel, een pommel in de vorm van een leliekruis en een dolk met een dergelijke pommel. In 2007 werden twee pommels – een gelobde schijf en een ruitvormig exemplaar – onderzocht met behulp van röntgenfluorescentiespectroscopie. In 2011 werd de volledige groep uitgebreider geanalyseerd, hetgeen interessante resultaten opleverde.
Pommel van Pierre de Dreux (1191-1250)
Qua vorm wijkt één pommel duidelijk af van de overige, maar zij is van uitzonderlijk belang omdat zij mogelijk het beste voorbeeld vormt van een dertiende-eeuwse pommel met kruisvaardersheraldiek. Deze zwaardpommel uit de collectie van het Metropolitan Museum is versierd met champlevé-email waarin het wapen is afgebeeld van Pierre de Dreux, bijgenaamd Mauclerc (1191–1250), hertog van Bretagne en graaf van Richmond. De beide zijden staan op deze pagina hieronder afgebeeld. Tijdens de Slag bij al-Mansoera in Egypte op 8 februari 1250, tijdens de Zevende Kruistocht, werd hij samen met koning Lodewijk IX van Frankrijk en verschillende andere vooraanstaande edelen gevangen genomen. Na betaling van losgeld kwam hij vrij, maar hij overleed tijdens de terugreis naar Frankrijk. Zijn grafbeeld, dat inmiddels verloren is gegaan maar bekend is uit een zeventiende-eeuwse gravure, toont hem in harnas met een zwaard waarvan de pommel sterk overeenkomt met het exemplaar in het museum, inclusief de heraldische versiering die op zijn schild nog vollediger is weergegeven. De pommel bestaat vrijwel geheel uit koper. Sporen van goud en kwik wijzen erop dat zij oorspronkelijk volledig verguld was, behalve op de geëmailleerde delen. Evenals de meeste andere pommels uit deze onderzoeksgroep werd ook dit exemplaar verworven in voormalig kruisvaardersgebied. Volgens schenker Louis J. Cartier uit Parijs werd de pommel aan het einde van de jaren twintig gekocht op de bazaar van Damascus. In 1938 schonk Cartier het voorwerp aan het Metropolitan Museum.
Heraldische figuren
Binnen de Landmann-collectie bevinden zich negentien schijfvormige pommels met een gelobde rand. Daarnaast bevindt zich een vergelijkbaar exemplaar in de vaste collectie van het Metropolitan Museum. Bij al deze pommels zijn de afzonderlijke lobben langs de buitenrand versierd met een klein klaverbladmotief, terwijl in het midden een symbool is aangebracht. Een aantal daarvan is duidelijk heraldisch van aard. Slechts één van deze heraldische voorstellingen kan voorlopig met enige zekerheid worden geïdentificeerd. Op deze pommel is aan één zijde een kruis van Toulouse in champlevé-email afgebeeld. Dit was het embleem van de graven van Toulouse, die tussen 1109 en 1289 over Tripoli, een van de belangrijkste kruisvaardersstaten, regeerden. Op de keerzijde bevindt zich een schild met een blauwe keper. In de beide bovenhoeken staan zespuntige sterren, terwijl zich onder de keper een druppelvormig motief bevindt. Waarschijnlijk betreft dit het wapen van een van de graven van Toulouse, een lid van hun familie of een van hun vazallen. Een andere gelobde pommel uit de Landmann-verzameling toont een gekroonde, gaande leeuw die de toeschouwer aankijkt (lion passant-gardant), uitgevoerd met resten van blauw, rood en wit email. Op de achterzijde bevindt zich een schild met afwisselend geëmailleerde blauwe en ongeëmailleerde kepers, waarvan de randen bovendien met rood en blauw email zijn geaccentueerd. Vergelijkbare gekroonde leeuwen komen op meerdere pommels uit deze groep voor, hoewel de keerzijde telkens een ander heraldisch motief draagt. Een derde pommel toont een schild met een zogenoemd bendy-patroon, bestaande uit acht diagonale banen waarop nog resten van gekleurd email zichtbaar zijn. Een vrijwel identiek exemplaar, aan beide zijden met dezelfde decoratie, bevond zich tot voor kort in het Rockefeller Archaeological Museum in Jeruzalem. Een van de drie pommels uit de collectie van het Metropolitan Museum toont een schild waarop een gaande leeuw is afgebeeld boven een blauwe schuine balk.
Schlumberger en Landmann collectie
Twee vergelijkbare pommels, die in Beiroet werden verworven door de Franse numismaat en kruistochthistoricus Gustave Schlumberger, bevinden zich tegenwoordig in het Musée de Cluny in Parijs. Op één daarvan is de leeuw vrijwel identiek aan die op de Landmann-pommel. Op de keerzijde bevindt zich een driehoekig schild met een boom bestaande uit drie symmetrisch gerangschikte bladerdragende takken. Op het tweede Cluny-exemplaar is de leeuw slanker en anatomisch nauwkeuriger weergegeven. De staart is rijker uitgewerkt en de kroon bezit drie duidelijk herkenbare punten. Op de achterzijde is een variant afgebeeld van een drieschalige burcht of kasteel, een motief dat ook op enkele Landmann-pommels voorkomt. Het Musée de l’Armée in Parijs bezit nog een pommel met een gaande, de toeschouwer aankijkende leeuw die eveneens met de kruistochten in verband kan worden gebracht. Volgens de overlevering werd dit exemplaar gevonden in een graf in Charente, in de streek Poitou in West-Frankrijk. Charente maakte deel uit van het hertogdom Aquitanië, dat in de twaalfde eeuw werd bestuurd door Eleonora van Aquitanië. Zij vergezelde haar echtgenoot, koning Lodewijk VII van Frankrijk, tijdens de Tweede Kruistocht naar het Heilige Land. In hun gevolg bevonden zich talrijke edelen uit haar eigen gebieden. Twee pommels uit de Landmann-groep zijn versierd met een opvallende drieschalige burcht of citadel. Op de voorzijde van het eerste exemplaar is een voorstelling aangebracht die sterk overeenkomt met de keerzijde van het Cluny-exemplaar. Op de achterzijde bevindt zich een schild met een concentrisch opgerolde rank of bladertak. Op de keerzijde van het tweede exemplaar is een gestileerde boom met symmetrisch gespreide takken afgebeeld.
Drieschalige burcht
Twee pommels met deze drieschalige burcht werden reeds in negentiende-eeuwse publicaties beschreven. Op één ervan bevindt zich aan de achterzijde een schild met diagonale banen, terwijl de andere een gaande griffioen toont. Het eerstgenoemde exemplaar, dat inmiddels verloren is gegaan, werd rond 1873 door de Franse archeoloog Charles Clermont-Ganneau gekocht van een goudsmid op de bazaar van Nablus in Palestina. De pommel met de griffioen bevindt zich tegenwoordig in het Musée de Cluny en werd eveneens door Gustave Schlumberger verworven. Volgens diens beschrijving was het voorwerp afkomstig uit Syrië en gevonden in het zand nabij de kust bij Saïda, het vroegere Sidon, een belangrijke stad uit de tijd van de kruistochten. Schlumberger, destijds de belangrijkste deskundige op het gebied van kruisvaardersmunten en zegels, wees erop dat de drieschalige burcht een van de meest gebruikte heraldische symbolen in het Heilige Land was. Het motief komt onder meer voor op munten van Hendrik II van Cyprus, de graven van Tripoli en Ibelin, de heren van Beiroet, Montfort en Toron, de vorsten van Tyrus en de graven van Arsur en Jaffa, evenals bij verschillende andere kruisvaardersheersers.
Gelobde schijfpommels
In 1881 verwierf Clermont-Ganneau in Jeruzalem nog een gelobde schijfpommel. De huidige verblijfplaats ervan is onbekend, maar een afbeelding uit 1885 toont dat deze vrijwel identiek was aan een exemplaar uit de Landmann-collectie. In het midden van de voorzijde bevindt zich een motief dat kan worden opgevat als een boom met uitgespreide takken, maar mogelijk ook als een gestileerde neerdalende vogel met gespreide vleugels. Deze laatste interpretatie zou kunnen verwijzen naar de Heilige Geest in de gedaante van een duif, een bekend motief uit de christelijke kunst dat in alle vier de evangeliën wordt genoemd. Ook de voorstelling op de achterzijde kan als een gestileerde neerdalende duif worden geïnterpreteerd. Een kleinere pommel uit dezelfde groep draagt dezelfde afbeeldingen op beide zijden. De laatste van de grotere twaalf-lobbige pommels uit de Landmann-collectie komt qua vorm, afmetingen en uitvoering sterk overeen met de overige exemplaren, maar onderscheidt zich doordat op beide zijden hetzelfde motief voorkomt: een heraldisch schild met smalle verticale banen, afwisselend uitgevoerd in blauw email. Bovendien wijkt dit exemplaar af doordat het volgens de overlevering niet in het Heilige Land, maar in Bristol in Engeland werd gevonden.
Gestileerde dieren en plantmotieven
Twee van de kleinere schijfvormige pommels met gelobde rand zijn versierd met een adelaar met uitgespreide vleugels, die naar links kijkt. Van de acht overige kleine schijfvormige pommels dragen er drie moeilijk herkenbare gestileerde dieren. Twee andere tonen een gekruld bladmotief dat mogelijk verwant is aan de rankversiering op de keerzijde van de pommel met de drieschalige burcht. Nog eens twee exemplaren zijn voorzien van een variant van het motief met de uitgespreide boomtakken. Alle schijfvormige pommels bezitten in het midden van de onderzijde een vierkante of rechthoekige opening en aan de bovenzijde een kleinere ronde opening voor de punt van de angel. In verschillende pommels zijn resten van de oorspronkelijke angel bewaard gebleven, die door corrosie stevig vastzitten. Daarnaast bezitten drie exemplaren nog een kleine ronde opening aan één zijde, ongeveer op een derde tot de helft van de hoogte. Mogelijk diende deze voor de bevestiging van een veiligheidsketting of polskoord. Drie ruitvormige pommels uit de Landmann-groep vallen op door hun bijzondere figuratieve decoratie. Twee daarvan zijn voorzien van eenvoudige maar levendige ingekraste afbeeldingen: één met een gaande griffioen en één met een gekroonde gaande leeuw. Op de keerzijde dragen beide hetzelfde leliesymbool (fleur-de-lis), voorzien van een knopvormige basis en een verbrede voet. Op de derde ruitvormige pommel staan een man en een vrouw tegenover elkaar. Beiden houden één arm in de zij, terwijl de andere arm gebogen is en omhoog wordt geheven. Hun lichtgekleurde huid en blauwe kleding zijn uitgevoerd in champlevé-email. Op de achterzijde bevindt zich vrijwel zeker een heraldische afbeelding van een gebogen jachthoorn met een koord en kwasten, uitgevoerd in rood email. Een vierde ruitvormige pommel is versierd met een eenvoudig ingekrast holarmig kruis (cross pattée concave).
Bijzondere vormgeving
Drie andere pommels hebben elk een geheel eigen vorm. Het eerste exemplaar is in hoofdzaak hartvormig, met aan de bovenzijde een korte uitloper. Op beide zijden is een gaande griffioen afgebeeld, mogelijk onder een patriarchaal kruis. Resten van email zijn nog zichtbaar. Het tweede exemplaar had oorspronkelijk de vorm van een halve maan, maar mist tegenwoordig één van de uiteinden. Op de ene zijde bevindt zich een dicht opgerolde bladrank, terwijl de andere zijde een inmiddels onleesbaar geworden decoratie draagt. De derde pommel heeft de vorm van een opengewerkte kroon. Op één zijde is een vogel met een lange hals afgebeeld; op de andere bevindt zich een schild met diagonale banen (bendy sinister). Op beide zijkanten is bovendien een schild weergegeven dat door een Andreaskruis (X-vorm) in vier vlakken is verdeeld. Eén van de losse pommels en de pommel van de enige dolk uit deze groep hebben de vorm van een open leliekruis (cross fleurie). De losse pommel is aan beide zijden versierd met een eenvoudig stervormig motief. De pommel van de dolk is sterk afgesleten, maar lijkt aan beide zijden een neerdalende vogel te tonen. Hoewel de dolk tegenwoordig zwaar gecorrodeerd is en de greep ontbreekt, zijn de belangrijkste onderdelen – pommel, pareerstang en lemmet – nog aanwezig. Daardoor geeft het wapen een goede indruk van de wijze waarop de meeste pommels uit deze groep oorspronkelijk werden gebruikt.
Meest karakteristieke groep wapenonderdelen
Gezamenlijk vormen deze pommels de grootste en meest karakteristieke groep voorwerpen uit de Europese wapen- en harnasgeschiedenis die overtuigend met de kruistochten in verband kan worden gebracht. Tot deze groep behoren de pommels uit de Landmann-verzameling, de voormalige Schlumberger-pommels in het Musée de Cluny, de exemplaren uit de voormalige collecties Koler-Truniger en Keir die expliciet als afkomstig uit Jeruzalem zijn beschreven, evenals de pommels die ooit eigendom waren van Charles Clermont-Ganneau. Het is aannemelijk dat al deze voorwerpen in Frankrijk zijn vervaardigd en gedurende de twaalfde of dertiende eeuw, tijdens de kruistochten, naar het Heilige Land zijn meegenomen. Niet alleen zijn deze pommels van grote betekenis als zeldzame overblijfselen van de bewapening van kruisvaarders, maar ook biedt hun decoratie waardevolle inzichten in de vroege ontwikkeling en toepassing van de heraldiek. Door de grote stilistische overeenkomsten tussen de meeste exemplaren bestaat bovendien de mogelijkheid dat toekomstige identificatie van de afgebeelde wapens en symbolen het mogelijk zal maken de pommels veel nauwkeuriger te dateren en wellicht zelfs met een specifieke kruistocht of een bepaalde kruisvaarder in verband te brengen.
Champlevé-techniek
Uitsparingen in metaal gevuld met glaspoeder
De pommel die in de omgeving van Gramsbergen werd gevonden is gemaakt middels de champlevé-techniek. Een van de decoratieve technieken die in de middeleeuwen sterk in betekenis toenam, was het champlevé-email. Hierbij worden ondiepe uitsparingen in een metalen oppervlak gevuld met fijngemalen glaspoeder, waarna het geheel in een oven wordt verhit totdat het glas versmelt tot een gladde, glanzende laag. Omdat deze techniek materiaal uit het metaal wegneemt, moet de ondergrond voldoende dik zijn. Daarom werd meestal koper of een koperlegering gebruikt, omdat deze sterker en aanzienlijk goedkoper waren dan zilver of goud. Champlevé-email was al bekend in West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland tijdens de Gallo-Romeinse, Keltische en Angelsaksische perioden, ongeveer tussen de derde en elfde eeuw. Het werd toegepast op fibulae, paardentuig en andere gebruiksvoorwerpen. In die vroege periode werden de metalen ondergronden massief gegoten en maakten de emailcellen al deel uit van het oorspronkelijke model. Aan het begin van de twaalfde eeuw veranderde deze werkwijze ingrijpend. Tijdens de romaanse periode gingen ambachtslieden gesmeed koper of koperlegeringen gebruiken als ondergrond, waarna de emailcellen pas na het vervaardigen van het voorwerp werden uitgegraveerd. De Maasstreek, Keulen en Limoges groeiden uit tot de belangrijkste centra voor deze vernieuwde emailkunst. De makers van de onderzochte gevestknoppen sloten zich bij deze eigentijdse werkwijze aan door de decoraties na het gieten in te graveren. Hun combinatie van een gegoten, hol driedimensionaal voorwerp met gegraveerd champlevé-email vormt echter een bijzondere en tot nu toe unieke variant.
Centrum champlevé-email in Limoges
Het beroemdste centrum voor champlevé-email was Limoges. Vanaf ca 1150 ontwikkelde zich hier een bloeiende emailindustrie. In ateliers werden vooral reliekschrijnen, processiekruisen, kandelaars en liturgische voorwerpen gemaakt. Dezelfde ambachtslieden konden echter ook wereldlijke objecten vervaardigen, waaronder beslag, gespen en incidenteel zwaardonderdelen. Veel pommelkronen met blauw, groen en wit email worden stilistisch met Limoges in verband gebracht. Het Maasland was eveneens een belangrijk centrum. Vooral in de omgeving van Luik en Dinant werden hoogwaardige emailwerken vervaardigd. Maaslandse ateliers gebruikten champlevé op liturgische voorwerpen, maar ook op kleinere metalen objecten. Sommige geëmailleerde zwaardpommels worden op grond van stijl aan Maaslandse werkplaatsen toegeschreven. In het Rijnland kwamen eveneens gespecialiseerde ateliers voor. Mogelijke centra waren onder meer: Keulen, Aken en Maagdenburg. Hoewel deze centra vooral bekend zijn van kerkelijke kunst, tonen enkele zwaarden en pommelkronen invloeden van Rijnlandse emailkunst. Ook in Engeland werd champlevé toegepast, vooral tijdens de regering van Hendrik II van Engeland. De productie was beperkter dan in Limoges. De techniek werd onder meer gebruikt voor zwaardbeslag van de hogere adel. Scandinavië kende vrijwel geen eigen productie. Wel zijn verschillende pommelkronen gevonden die waarschijnlijk uit Frankrijk of het Rijnland werden geïmporteerd. Vooral in Denemarken en Zuid-Zweden zijn dergelijke vondsten bekend.
Afkomstig uit Maasland of Rijnland
Bij zwaarden werd champlevé meestal aangebracht op de bovenzijde van de pommel, de zijkanten van de pommel en soms op de pareerstang. Veel voorkomende kleuren waren diepblauw, turkoois, groen, wit en geel. Vaak werden geometrische patronen toegepast, maar ook kruisen, sterren, lelies, rankmotieven en palmetten. Geëmailleerde pommelkronen waren kostbaar. Ze worden vooral geassocieerd met hoge adel, ridders, kruisvaarders, bisschoppen en vorsten, en leden van ridderorden. Tijdens de Tweede (1147-1149) en Derde Kruistocht (1189-1192) verspreidden geëmailleerde zwaarden zich verder over Europa. Veel kruisvaarders schaften hoogwaardige wapens aan in Noord-Frankrijk, het Maasland en het Rijnland. Daardoor worden geëmailleerde pommels relatief vaak aangetroffen in gebieden die nauw verbonden waren met de kruistochten. Voor het onderzoek naar de Slag bij Ane is dit bijzonder relevant. Een pommelkroon met champlevé-email uit een dertiende-eeuwse context zou waarschijnlijk wijzen op een eigenaar uit de hogere maatschappelijke elite, zoals een ministeriaal, edelman of geestelijke krijgsheer. De combinatie van een kostbare pommel, hoogwaardige smeedtechniek en emaildecoratie maakt een dergelijke vondst uitzonderlijk en kan aanwijzingen geven over de status en herkomst van de drager. Stilistisch zou een dergelijke pommel uit het noordoosten van Nederland het meest waarschijnlijk afkomstig zijn uit Limoges (veruit de grootste producent), het Maasland (Luik/Dinant) of het Rijnland (vooral Keulen of Aken). Gezien de intensieve contacten van het Sticht Utrecht met het Rijnland én het Maasland zijn juist deze laatste twee productiegebieden voor een ridder of ministeriaal in dienst van de Utrechtse bisschop bijzonder aannemelijk.

Gebruikte emailsoorten
Onderzoek naar middeleeuws email uit Limoges en het Maasgebied heeft een goed beeld gegeven van de samenstelling van de destijds gebruikte emailsoorten. Vrijwel alle bestaan uit soda-kalk-silicaglas, waarin silicium het hoofdbestanddeel vormt, natrium als smeltmiddel dient en tevens een aanzienlijke hoeveelheid calcium aanwezig is. Met uitzondering van de rode email kunnen de emailsoorten uit deze periode in twee hoofdgroepen worden verdeeld. De oudste groep, die tot ongeveer het einde van de twaalfde eeuw werd gebruikt, bevat relatief weinig magnesium- en kaliumoxide, maar juist een hoger gehalte aluminiumoxide. De witte, blauwe en turkooizen kleuren werden ondoorzichtig gemaakt met calciumantimonaat, terwijl gele en groene kleuren loodantimonaat bevatten. Middeleeuwse handschriften en chemische analyses wijzen erop dat deze emailsoorten grotendeels werden vervaardigd uit hergebruikt Romeins mozaïekglas, dat een ruime keuze aan kleuren bood. Vanaf het einde van de twaalfde eeuw kwam een nieuwe generatie email in gebruik. Deze bevatte meer magnesium en kalium, maar minder aluminium. In plaats van antimoonverbindingen gebruikte men nu tinoxide als opakeermiddel, terwijl sommige gele en groene kleuren lood-tingeel bevatten. Met deze tinverbindingen ging tevens een aanzienlijk hoger loodgehalte gepaard. Deze latere emailsoorten lijken te zijn vervaardigd uit eigentijds glas in plaats van uit hergebruikt Romeins materiaal.


Email uit Limoges en het Maasgebied
Op sommige voorwerpen uit Limoges, daterend van het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw, komen beide typen email naast elkaar voor, soms zelfs binnen één kleur. Na ongeveer 1225 lijkt uitsluitend de nieuwe samenstelling nog te zijn gebruikt, mogelijk aangevuld met enkele hergebruikte Romeinse gele en groene emailsoorten. De rode emailsoorten uit het middeleeuwse Limoges en het Maasgebied vormen een aparte categorie en passen niet volledig binnen de vroege of late groep. De meeste rode emails bevatten relatief hoge concentraties magnesium, kalium en aluminium, evenals kleinere hoeveelheden loodoxide. Anders dan de overige kleuren, die ondoorzichtig werden gemaakt met antimoon- of tinverbindingen, verkregen rode emails hun kleur én ondoorzichtigheid door gereduceerd koperoxide. Bij één rood email uit Limoges en enkele Maaslandse voorbeelden bleek bovendien sprake te zijn van een kaliumrijke glassamenstelling die sterk afweek van de gebruikelijke soda-kalk-silicaglazen. Deze rode emails lijken vervaardigd te zijn uit eigentijds Europees potasglas, dat vooral bekend is van middeleeuwse glas-in-loodramen.
(Bron: o.a. Rocca, D.J. la, ‘Sword and Dagger Pommels Associated with the Crusades. Part I’, in : Metropolitan Museum Journal, volume 46, p. 133-144, New York, 2011)
