Geschriften uit 1230-1575

Kronieken van Mariëngaarde
Van het in 1163 gestichte premonstratenzer klooster Mariëngaarde bij Hallum, even ten noorden van Leeuwarden, is weinig overgebleven, maar we danken er wel de Kronieken van Mariëngaarde aan. O.a. een codex aan met afschriften van een drietal vitae van abten: de Vita Fretherici, de Vita Siardi en de Vita Sibrandi, Iarici et Ethelgeri (drie abten in een doorlopend verhaal). De codex is geschreven rond 1497, maar de vitae zelf dateren uit de dertiende eeuw, respectievelijk van kort voor 1230, kort na 1240 en circa 1270, naar de bezorgers aannemelijk weten te maken. Deze vitae gelden als de belangrijkste bron voor onze kennis van het Friese kloosterleven en de Friese maatschappij in de volle Middeleeuwen. Ook de strijd tegen de Drentse opstandelingen komt uitgebreid aan de orde.
Kronieken vertellen de verhalen uit de 13e en 14e eeuw
Hoofdstuk 7
Oproep tot kruistocht tegen de Drenten
Toen in de tijd van abt Sibrand in Friesland de kruistocht tegen de Drenten werd gepredikt en de kruisvaarders door dezen met geschenken werden omgekocht vielen er velen in de strijd. Eveneens ten tijde van deze abt werd na de moord op heer Otto van Lippe zaliger, de bisschop van Utrecht, op andere edele hertogen en graven die zijn kant hielden en ook op ridders en op gewoon volk in een haast ontelbare menigte – [de moord] die voor Coevorden was gepleegd door Rodolf, de kastelein van dat kasteel, en de Drenten, – terwijl de eerwaarde heer Wilbrand, kanunnik van Hildesheim, reeds lang tot bisschop was gekozen op de vacante zetel, [toen werd] op gezag van de Apostolische Stoel – dit om wraak te nemen op dat slechte en vadermoordende volk, om het recht van de Utrechtse kerk te verdedigen en het leengoed van de Sint Maarten te bewaren – door genoemde opperpriester, een man die de adel van zijn geboorte (die niet gering was daar hij een broer was van de graaf van Oldenburg) nog overtrof door de adel van zijn geest, een aanvang gemaakt met de prediking van een kruistocht tegen de Drenten en de Coevorders, die nog altijd haast onverschillig waren over het kwaad dat zij met de moord op de bisschop en zijn medestrijders hadden verricht: sommigen van hen waren verscheurd doordat hun kelen met de daarin gestoken messen uitgerukt was, anderen waren gedood met zwaarden, anderen afgeslacht met bijlen, anderen de hersens ingeslagen met knuppels; zij lagen daar onder de blote hemel, hun lichamen lange tijd niet begraven, ten aanschouwe van iedereen zolang er niemand was die hen wilde of durfde begraven.
Strijd of compromis met de Drenten
En omdat het land der Drenten aan twee kanten onmiddellijk grenst aan het land der Friezen van het bisdom Utrecht, is genoemde bisschop, een verstandig, geletterd en zeer welsprekend man, verontrust [als hij was] door de zeer vele rampen en grote gevaren waarvan hij had gehoopt dat hij er nu van bevrijd was (zoals blijkt uit het werkje dat hij over de ligging der overzeese gewesten schreef en dat dan ook Reisverhaal heet), met prelaten van verschillende orden uit datzelfde land, te weten enige premonstratenzers, enkel cisterciënzers, enige benedictijnen en enkele augustijner kanunniken, gaan overleggen hoe zijn zaken op de voordeligste manier voortgang konden vinden. Van de prelaten zeiden weliswaar allen openlijk, dat zij de zaak van hun bisschop als van hun ware vader en heer voorstonden en dat zij wegens de moord op de bisschop en de smart om hun aanvoerders in alles bereid waren en gereed stonden om als kinderen der gehoorzaamheid zijn wil ten uitvoer te brengen. In het verborgene waren ze evenwel niet allemaal zo gestemd. Want enigen van hen, die vanwege de aanwezigheid en de grootmoedigheid van de bisschop hem alleen maar in zijn gezicht niet tegenspraken, begunstigden toch in hun hart de Drenten en de Coevorders en hingen ze aan. En dezen nu waren van oordeel dat er allereerst aan een compromis gewerkt moest worden; de anderen evenwel, nu de vijanden na hun snode daad in hun hardnekkigheid volhardden en zich als het ware over die daad verheugden, kondigden aan dat er niet aan een compromis gewerkt moest worden maar dat men zich moest toeleggen op de prediking van een kruistocht; opdat wanneer zij zouden vernemen wie ter kruistocht zouden gaan en zich de faam hiervan had verbreid zij zichzelf en hun bezittingen in de genade van de bisschop zouden aanbevelen en een passende straf zouden ondergaan, namelijk de penitentie die de bisschop zou opleggen. Om kort te gaan; nadat dit laatste plan is aangenomen en het andere opzij gezet, wordt vol ijver begonnen met de prediking.
Deelname door geven van geschenken
Een ontelbare menigte mensen, jongemannen zowel als jonge vrouwen, grijsaards en jongeren nemen het kruis aan; van hen sturen sommigen op hun kosten mensen uit, anderen gaan zelf. Het woord wordt gehoord in Drenthe, en de Coevorders beginnen te beven; zij worden tot paniek als tot uitzinnigheid gedreven. Vrees en beven bekruipen allen gelijk; schrik en angst overvallen hen vanwege de menigte kruisvaarders, vanwege de kracht der opgeheven arm, zodat ze nauwelijks meer weten hoe zich te houden. Eindelijk, nadat men enige dagen op deze manier had doorgebracht, herkregen de wijzen van Babylon hun geestkracht en begonnen te bespreken wat er moest worden gedaan. Wellicht kwam bij een van hen het bekende gezegde van de wijze voor de geest: ‘Geschenken verblinden zelfs de ogen der wijzen’ en dat pleegt bijna altijd op te gaan zoals beschreven staat. Toen zij dan een plan bedacht hadden en geld ingezameld deden ze nu eens in eigen persoon dan weer via boodschappers een beroep op verwanten en bekenden, zowel diegenen die dichtbij als die veraf woonden, om hen te hulp te komen, terwijl ze hun nu eens geschenken gaven en nog meer toezegden, dan weer degenen die het niet wilden aannemen dwongen om die te aanvaarden. Aan allen evenwel, zowel de laatsten als de eersten, verzekerden zij onder ede dat ze niet alleen zichzelf maar ook heel hun land voortaan tot eeuwige dienstbaarheid zouden verplichten als ze hun ten tijde van deze nood te hulp zouden komen.
Kunnen huursoldaten worden vertrouwd?
En het duurde niet lang of zij die met kruis van hun Verlosser getekend waren werden bezeten door de onrechtvaardige Mammon; en zij waren trouwer aan degenen van wie zij de geschenken der verdoemenis ontvingen dan aan hun eigen mensen die als het ware hun nek uitstaken om hen te beschermen. Het waren bijna allen vaandeldragers ofwel de voornaamste raadsgevers der legers die gezamenlijk voor hun taak waren uitgekozen. Toen nu Drenthe van alle kanten door ontelbare troepen was omsingeld wisten zij die er in waren niet wat te doen, waarheen ze zich allereerst zouden wenden; want ofschoon zij een menigte huursoldaten hadden durfden zij, bang dat er bedrog in het spel was, daar niet hun vertrouwen in te stellen. Terwijl ze derhalve hun leger opdeelden tegen alle troepen die hen belegerden maakten ze zich op om dapper weerstand te bieden, de raad van hem volgend die hen voorhield te strijden voor het vaderland.
Dood van Hessel van Leeuwarden
Toen het dan tot een treffen kwam werd er aan beide kanten hevig gevochten. De Drenten echter, vertrouwend op de verwanten die ze onder de vijanden hadden, lieten uit eigen beweging vijanden binnen de versterkingen van hun gebied – zogenaamd tegen hun zin – zoveel als ze wilden hebben met het oog op buit en doodslag; vervolgens werden op een gegeven signaal de vaandels neergeworpen en sloeg het krijgsvolk op de vlucht. Van hen evenwel die de versterkingen waren binnengegaan werden sommigen gevangen genomen, anderen gewond, weer anderen wreed door de vijand doodgeslagen. Onder deze laatsten was de bekende deken van Oostergo, de edele Hessel van Leeuwarden, eerst was hij – ik weet niet hoe – van zijn paard geworpen en toen gevangen genomen door enige knechten. Omdat ze hem niet kenden werd hem gevraagd of hij iets kon betalen, en toen ze er achter waren gekomen dat hij rijk was en tevens deken ontstond er ruzie wie hem mocht hebben. Terwijl hij daarop sprak: “Ik kan jullie allemaal wel wat geven”, sloeg plotseling iemand anders die er bij was gekomen hem met een grote stok die hij in de hand hield de hersens in en zei: “Zo verdeeld geeft hij allen een gelijk deel.” Zo is hij gestorven, en niemand als deken aan hem gelijk liet hij na. Toen men echter door het gerucht dat zich verspreidde vernam van de vlucht uit het ene beleg, vluchtten ook zij die aan een andere belegering deelnamen; ze aarzelden ook niet om te vluchten, waardoor ze tot in de dood de schande zullen meedragen; maar net als de anderen werden ook deze lieden gevangen genomen, gewond en gedood. Wie niet weg kon vluchten durfde zich toch niet te verweren. De bisschop evenwel die met de zijnen reeds een groot gedeelte van het vijandelijke gebied was binnengevallen trok, toen hij van het gebeurde hoorde, zijn leger terug en voerde het ongedeerd terug naar zijn sterkte.
Hoofdstuk 8
Hoe de kastelein van Coevorden met verdiende straffen voor zijn misdaden boette
Niet veel later nu werd naar men zie kastelein Rudolf door de knechten van de bisschop gegrepen en geboeid. Nadat hij zoals men vertelde onder veel berouw gedurende enige tijd levend was vastgehouden, is hij tenslotte hetzij met goedkeuring van de bisschop of tegen diens wil geradbraakt, daarmee een strafgericht ondergaand overeenkomstig zijn misdaden, tezamen met zijn verwant Hemo, die naar men vertelde uiterst sterk was. Het leek immers rechtvaardig dat zij die onafscheidelijke gezellen waren geweest bij het bedrijven der misdaden ook gezamenlijk in de straffen zouden delen.
Hoofdstuk 9
Over de vriendschap van de bisschop van Utrecht en abt Sibrand en over de begrafenis van heer Hessel zaliger, deken van Oostergo, een zeer beroemd man
Tijdens de prediking van het heilig kruis betoonde deze bisschop zich zeer eigen en allervriendelijkst ten aanzien van onze abt Sibrand, die hem ook temidden van zijn vertrouwelingen terzijde stond door zowel via zijn mensen als persoonlijk de belangen van de Utrechtse kerk te behartigen. Deken Hessel echter, onder de doden gezocht en gevonden, werd onder geween en geweeklaag der zijnen naar zijn eigen landstreek teruggebracht en is bij ons in Mariëngaarde eigenhandig door de abt zelf plechtig begraven, nadat deze een troostwoord tot het treurende en wenende volk gesproken had. Zijn ziel rustte in vrede. Amen.
Abt Sibrand van Mariëngaarde
Oproep tot kruistocht tegen de Drenten
Sibrand volgde op 13 december 1230 Sint Siard (feest 14 november) op als (zesde) abt van het Norbertijner klooster Mariëngaarde in Friesland. Hij stond in hoog aanzien. Volgens zijn levensbeschrijver was hij van adellijke afkomst, grootmoedig van karakter en behoorlijk onderlegd in welsprekendheid en theologie. Hij had een gezet postuur; dat bracht met zich mee dat hij grotere uitgaven deed dan zijn voorganger. Zo vergrootte hij het portie boter voor de medebroeders bij het middag- en avondeten en zorgde hij ervoor dat de broeders voortaan ’s avonds pap kregen. Toch bracht hij het klooster tot grote bloei, zowel in materieel als in geestelijk opzicht. Toen Drentse edellieden de bisschop van Utrecht hadden vermoord, nam abt Sibrand deel aan de prediking die gelovigen opriep tot een kruistocht tegen de onverlaten. De strijd die hiervan het gevolg was, kostte aan beide partijen vele mensenlevens.
Overlijden van Sibrand 1238
Naast dit alles droeg hij zorg voor de zusters van klooster Bethlehem in Friesland (het huidige Bartlehiem). Toen abdis Anastasia van Pommeren om zusters vroeg teneinde een nieuwe kloostervestiging te beginnen in haar land, zond hij een groep zusters vanuit dit klooster naar Oost-Pommeren; de zusters zijn er gebleven tot aan hun dood. Na een kortstondige ziekte overleed heer Sibrand op 21 augustus 1238. Hij werd met verschuldigde eerbewijzen voor het altaar van het Heilig Kruis midden in de kerk begraven. Bij zijn uitvaart stroomden zowel verwanten als bekenden en huisgenoten tot uit de meest veraf gelegen oorden samen. Zij treurden om het feit dat zij de vader des vaderlands en de heer van het land sneller dan nodig was geweest hadden verloren.
Kronieken van Sibrandus Leo 1575
Verzameling van oude kronieken
Sibrandus Leo (Leeuwarden 1528 of 1529 – proosdij Kuzemer bij Oldekerk (Groningen) 1583) was een Friese geschiedschrijver en geograaf. Sibrandus Leo is in de Friese historiografie een bekende en belangrijke auteur. Zijn zestiende-eeuwse kronieken van de premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde worden geregeld geraadpleegd vanwege hun rijkdom aan middeleeuwse en vroegmoderne gegevens. Verder schreef Sibrandus Leo ook (in het Latijn ) de Chronica Abbatum Lidlumensium et Orti Sancte Marie (“Kroniek van de abten van Lidlum en Mariëngaarde”). Daarin verzamelde hij in opdracht van zijn eigen abt Joannes Geelmuiden kopieën van reeds bestaande levensbeschrijvingen van abten van de Friese kloosters Mariëndal en Mariëngaarde (waaronder de Vita Fretherici, over Frederik van Hallum). Sibrandus Leo voltooide dit werk in 1575. Hoewel dergelijke werken in het Friesland van de reformatie in de jaren 1580 vrijwel allemaal werden vernietigd als ‘pauselijke afgoderij’, bleef de Chronica Abbatum Lidlumensium et Orti Sancte Marie bewaard, omdat deze codex in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel terechtkwam. Hij schreef o.a. over bisschop Otto II van Lippe en Rudolf van Coevorden. Er zijn twee teksten overgeleverd.
Tekst A
Wraak op slachting door de Drenten
In zijn dagen gebeurde het dat de ridders van de Utrechtse bisschop Otto, uit de beroemde grafelijke familie van Lippe, een gedenkwaardige nederlaag leden. Deze bisschop was ter verdediging van het tiendrecht van de kerk van Utrecht in een gerechtvaardigde strijd verwikkeld met de Drenten die de tienden op de hele opbrengst aan veldvruchten weigerden te voldoen en was daarbij met al de zijnen vrijwel verpletterend verslagen. Nadat daarop in zijn plaats door toedoen van Floris, de graaf van Holland, en zijn bastaardbroeder Otto [III], Otto II’s opvolger in het bisschopsambt, de kwestie tot een goed einde was gebracht, werden de Drenten gedwongen om uit eigen middelen ter plekke een klooster voor benedictinessen te bouwen met de naam Assen en dit bovendien te voorzien van bijbehorende landerijen en jaarlijkse inkomsten. Maar Ulbrand [Wilbrand], kanunnik van Hildesheim, de nieuwe bisschop-elect [van Utrecht], besloot daarenboven met behulp van zijn broer, de graaf van Oldenburg, op een vergadering van alle standen uit heel Friesland, zoekend naar een manier om de slachting te wreken en de vermetelheid van de Drenten door toepassing van het kerkelijk recht in de kiem te smoren, de strijd weer op te pakken en een kruistocht op gezag van de Apostolische [Stoel] te prediken, hoewel de meningen daarover verdeeld waren, aangezien niet iedereen even verbitterd was op de Drenten, noch de bisschop even gunstig gezind. Nadat opnieuw tot de strijd was besloten, werd een schikking getroffen om eerst de kruistocht te prediken, opdat de vijanden uit angst voor die prediking de nek zouden buigen voor het kerkelijk gezag.
Drenten gaan in de tegenaanval
De Drenten echter, overmoedig geworden door de eerder toegebrachte nederlaag, gingen met des te meer vertrouwen onder leiding van Rudolf [Rodolf], de kastelein van Coevorden, de bisschop gewapenderhand tegemoet. In het gevecht pasten ze een gebruikelijke list toe: ze trokken zich een weinig terug en leidden de vijand die hen driest achtervolgde in een zeer hachelijke situatie naar moerassige gebieden, vol modder en zuigende blubber. Hier werden de troepen [van de bisschop] als in onontwarbare strikken door de vijanden omsingeld, gevangen genomen en door hen afgeslacht. Onder hen was Hessel, deken van Oostergo en Sibrands grootste vriend. Gevangen genomen, smeekte hij om genade en beloofde de soldaten een grote hoeveelheid goud als losgeld. Maar een landman naderde hem van achteren en sloeg met een knoestige stok zijn hersenpan in, hem honend toeroepend: ‘Nu krijgt iedereen een gelijk deel van je schat’. Zijn lijk werd naar het klooster overgebracht en eervol begraven. De anderen zochten door de vlucht een heenkomen en ontkwamen door gebruik te maken van diverse omwegen. Rudolf moest echter boeten voor zijn ontrouw aan de bisschop en werd samen met Heyno [Hemo], een forsgebouwde graaf, gevangen genomen. Beiden werden onthoofd, op het rad gelegd en aan de vogels ten prooi gelaten.

Tekst B
Vrouwenklooster te Assen als boeteklooster
In zijn dagen gebeurde het ook dat het leger van de Utrechtse bisschop Otto, uit de beroemde grafelijke familie van Lippe, een gedenkwaardige nederlaag leed. Deze bisschop had namelijk ter verdediging van het kerkelijk recht tot behoud van de tienden in Drenthe en Twente, wier bewoners deze [gelden] weigerden af te dragen aan genoemde bisschop, een leger bijeengebracht en was met hen in een gerechtvaardigde strijd gewikkeld geraakt; maar hij werd door hen overweldigd en met al de zijnen verpletterend verslagen. Nadat daarop in zijn plaats Otto’s opvolger als bisschop de kwestie met zijn vijanden tot een goed einde had gebracht, verordonneerde deze, dat de Drenten uit eigen middelen een vrouwenklooster, Assen genaamd, zouden bouwen en dit voorzien van bijbehorende landerijen en jaarlijkse inkomsten. Maar Ulbrand, kanunnik van Hildesheim en broer van de graaf van Oldenburg, die Otto in zijn bisschopsambt was opgevolgd, besloot, omdat hij de slachting wenste te wreken, op een vergadering van alle kerkelijke leiders en standen de strijd weer op te pakken, daarmee een manier zoekend om de vermetelheid van de Drenten te wreken en het kerkelijk recht te verdedigen; en hij beval een kruistocht tegen hen te prediken, hoewel de meningen daarover verdeeld waren, aangezien niet iedereen even verbitterd was op zijn vijanden, noch hem bevriend.


Rudolf van Coevorden en Heijno strijden zij aan zij
Desondanks werd besloten het kruis te prediken, opdat de Drenten uit angst daarvoor zouden intomen en hun nek buigen voor het kerkelijk gezag. De Drenten echter, zeer overmoedig geworden door de eerder toegebrachte nederlaag, gingen onder leiding van Rudolf, de kastelein van Coevorden, en de forsgebouwde hertog Heijno met een in slagorde geschaard leger de bisschop tegemoet. Midden in het gevecht pasten de Drenten een krijgslist toe: ze deden alsof ze zich terugtrokken en lokten zo hun vijanden die hen driest achtervolgden, naar zeer moerassige plekken, vol modder en zuigende blubber. Hier werden de troepen van de bisschop door de Drentse vijand omsingeld, gevangen genomen als in onontwarbare netten en strikken, en op ellendige wijze afgeslacht. In dit treffen verloor abt Sibrand zijn grootste vriend Hessel, deken van Oostergo, een beroemd man. Hij werd door een onbekende vijand gevangen genomen, maar werd, toen hij een grote hoeveelheid goud uitloofde en toezegde als losgeld, door een vijand van achteren bedreigd die hem met een stok zijn hersenpan insloeg, hem daarbij toeroepend: ‘Nu krijgen we allemaal een gelijk deel van jou’. Zijn lijk werd naar het klooster overgebracht en daar begraven. Rudolf en Heijno werden later gevangen genomen, onthoofd, op het rad gelegd en aan de vogels ten prooi gelaten. Zo ondergingen zij de verdiende straf voor hun trouweloosheid.
(bron: Lambooij, H.Th.M., ‘Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde: een nadere studie, editie en vertaling’, Leeuwarden, 2008)
(bron: Lambooij, H.Th.M. en J. Mol,‘Vitae Abbatum Orti Sancte Marie. Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaard in Friesland’, Leeuwarden, 2001)
