Direct naar de inhoud.

Drenthe

Drents geslacht naar Groningen

De familie De Mepsche is van oorsprong een Drents geslacht, waarschijnlijk afkomstig te Dalen of mogelijk Meppen, vandaar ‘de Mepsche’. In Drente heeft dit geslacht o.a. bezittingen te Borger (Westrup). In de late Middeleeuwen vestigd een deel van deze familie zich in de provincie Groningen. In de navolgende eeuwen zullen de nakomelingen een stempel drukken op de Groningse geschiedenis. Henric de Mepsche, waarschijnlijk geboren rond 1330, was een aanzienlijke Drentse edelman. Tussen 1379 en 1382 werd hij beleend met het Houwingegoed te Balloo en bezat hij tevens de tienden van Dalen. Hij overleed omstreeks 1385. Rond 1345 trad hij in het huwelijk met Agnesa (Nese) Straele, geboren circa 1325. Na zijn overlijden bleef zij in het bezit van het Houwingegoed, dat later bekend zou staan als het Kamps-erve. Zij wordt als beleenster vermeld tussen 1382 en 1399 en overleed vóór 11 oktober van dat jaar.

Een oud Drents geslacht met afstamming uit de Van Echtens

Henric de Mepsche en Agnesa Straele

Geschil rondom nalatenschap 1463

De nalatenschap van Nese Straele is van groot belang voor het reconstrueren van de genealogie van de familie De Mepsche. In 1463 speelde deze erfenis een centrale rol in een rechtszaak voor de Etstoel te Anloo. In dit geschil stonden Ludeken Schultynck, Roloff de Mepsche (twee personen met dezelfde naam) en Johan Campync tegenover Hinrick Luensche. De kwestie draaide om het recht van naarkoop, waarbij de eisers moesten aantonen dat zij nauwer verwant waren aan Nese Straele dan hun tegenpartij. Hinrick Luensche stamde via zijn moeder Yeye de Mepsche af van Agnese Straele en was daarmee haar achterkleinzoon. Ook de gebroeders Roelof de Mepsche waren via hun moeder achterkleinkinderen van Nese. Het ligt daarom voor de hand dat ook Johan Campync en Ludeken Schultynck via vrouwelijke lijn tot de familie behoorden, vermoedelijk als neven van de broers De Mepsche. De uiteindelijke uitspraak van de Etstoel in deze zaak is echter niet overgeleverd.

Voorgeslacht families Van Echten en Van Coevorden

Oud Drents riddergeslacht

Henric de Mepsche moet een ridder zijn geweest en behoort vermoedelijk tot, of is verwant aan, de oudste adellijke geslachten van Drenthe. Het is aannemelijk dat hij identiek is aan Hendrik van Echten, zoon van Volkert van Echten. Zijn familienaam en zijn vroegste bezittingen wijzen op een leefomgeving in de streek rond Meppen. Een belangrijke aanwijzing vormt een oorkonde uit 1363, waarin Johan van den Clooster, ridder, en Johan van den Ese, knape, de verdeling regelen van de nalatenschap van Volker van Echten onder diens kinderen: Roelof, Hendrik, Johan en Amele. Enkele jaren later, in 1370, treedt Hendrik van Echten op bij de verkoop van tienden aan Godeken ten Sconenvelde, waarbij ook Roelof van Echten aanwezig is. Dit bevestigt zijn positie binnen deze familiekring. Rond 1300 hadden de leenmannen van Echten aanzienlijke invloed verworven in het gebied tussen Coevorden en Echten.

Familie Van Echten

De familie van Echten gaat terug op Volkert van Echten, zoon van Rudolf van Echten en Amele. Rudolf zelf was weer een zoon van Folkert van Echten. In een oorkonde van 30 april 1275 verleent Hendrik van Borculo, burggraaf van Coevorden, de grove en smalle tienden in Echterveen en Zuidwolde aan Rudolf van Echten, zoon van Volker van Echten. Deze tienden waren eerder in leen gehouden van Sophia en Hildeburgis van Echten, zusters van Volker. In 1316 breidde Rudolf zijn bezit verder uit door aankoop van een hoeve in Drogt bij Zuidwolde van Berta, weduwe van Rudolf van Ansen, en haar minderjarige zoons. De oorsprong van deze tak ligt bij Folkert van Echten, die rond 1225 te Ansen werd geboren als zoon van Frederik van Coevorden en een vrouw uit het geslacht Van Ruinen. Folkert treedt op als ridder in verschillende oorkonden. Zo wordt hij in 1262 genoemd als getuige bij de verkoop van een hof te Eemster aan het klooster te Ruinen, samen met andere aanzienlijke geestelijken en edelen, waaronder Bartholomeus van Ruinen en Rudolf van Ansen. Ook in 1263 en 1277 verschijnt hij als getuige in oorkonden, wat wijst op zijn aanzienlijke positie. In 1290 wordt hij vermeld als ‘Volkerus, miles de Echten’, wanneer hij aan de bewoners van Koekange een boter- en geldpacht verkoopt.

Frederik van Coevorden

Als stamvader van deze lijn geldt Frederik van Coevorden. Hij speelde een belangrijke rol in de machtsstrijd in Drenthe in de eerste helft van de dertiende eeuw. Samen met zijn broer Godfried voerde hij de troepen aan van hun broer Rudolf, slotvoogd van Coevorden. In 1227 namen zij deel aan een aanval op prefect Egbert van Groningen. Deze strijd escaleerde toen bisschop Otto II van Utrecht ingreep, Egbert ontzette en daarbij het slot van Sweder van Peize veroverde, waarbij vele Drentse edelen omkwamen. Na deze gebeurtenissen wordt Frederik in 1231 genoemd als opvolger van zijn broer Rudolf als slotvoogd van Coevorden, op grond van een overeenkomst tussen de bisschop van Utrecht en de Drenten, gesloten te Mitzpete (Noordlaren). Zijn rol als invloedrijk edelman blijkt ook uit een oorkonde van 16 oktober 1236. Daarin treedt hij, samen met Johannes, kanunnik te Osnabrück, op als scheidsrechter in een geschil tussen het klooster te Ruinen en de ridders Johannes en Laurentius over het veengebied Buddigwold, gelegen tussen Mickelhorst en Arneslot.

Beëindiging geschillen over veenontginning

In deze zaak werd bepaald dat het klooster zijn rechten op het veen overdroeg aan de genoemde ridders, die op hun beurt jaarlijks zeven mud rogge en zeven mud haver zouden leveren, volgens Groningse maat, afkomstig van een goed te Dwingeloo. Tevens werd vastgelegd dat alle geschillen over de ontginning van het veen definitief werden beëindigd en dat het gebied tussen Arneslot en Ruinen voortaan gemeenschappelijk bezit zou zijn van het klooster en de markegenoten. Deze overeenkomst werd bekrachtigd met zegels, waaronder dat van Frederik van Coevorden, wat zijn gezag en positie nogmaals onderstreept. Binnen deze adellijke context moet ook Henric de Mepsche worden geplaatst: als telg uit een invloedrijke familie die haar wortels had in de machtsstructuren rond Coevorden en Echten en die gedurende de dertiende en veertiende eeuw een belangrijke rol speelde in het bestuurlijke en economische leven van Drenthe.

Johan die Mepsche en dochter Yeye

Vijand van de bisschop van Utrecht

In 1395 werd een Johan de Mepsche, geboren omstreeks 1355, genoemd op een lijst van vijanden van de bisschop van Utrecht. Waarschijnlijk betreft dit echter zijn gelijknamige broer, omdat Johan zelf pas in 1397 voor het eerst als leenman wordt vermeld. In dat jaar werd hij beleend met een zestiende deel van de tienden van Dalen, een recht dat eerder in handen was geweest van zijn oudoom Henric de Mepsche. Na het overlijden van zijn moeder, Agnesa Straele, werd Johan op 11 oktober 1399 beleend met het zogenoemde Houwingegoed in Balloo, gelegen in het kerspel Rolde. Hij had al eerder, rond 1382, als hulder namens zijn moeder opgetreden bij haar belening. Johan overleed relatief jong, waarschijnlijk tussen 1410 en 1411. Zijn dochter Yeye de Mepsche, geboren rond 1390, erfde een belangrijk deel van deze bezittingen. Zij huwde omstreeks 1415 met Egbert Lunsche, die vermoedelijk woonde in Donderen bij Vries. De familie Lunsche komt ook later nog in deze regio voor, onder andere in 1437, wanneer hun aandeel in de tienden van Dalen wordt overgedragen.

Belening met tienden te Dalen 1433-1466

In 1433 werd Yeye beleend met zowel de tienden van Dalen als het Houwingegoed in Balloo, na het overlijden van haar broer Henric de Mepsche. Deze bezittingen bleven lange tijd in haar handen. Zij werd opnieuw beleend in 1457 en nogmaals in 1466. Bij deze beleningen traden haar zonen op als hulder: eerst Jacob en later Henric. De herhaalde beleningen roepen vragen op. Volgens het geldende leenrecht moest een belening binnen een jaar en een dag na overlijden van een leenman of wisseling van leenheer plaatsvinden. De belening van 1457 is goed verklaarbaar doordat bisschop Rudolf van Diepholt werd opgevolgd door David van Bourgondië. De belening van 1466 is minder duidelijk, omdat er geen nieuwe leenheer of leenman was. Mogelijk was er sprake van administratief verzuim: het overlijden van Yeye of een tussentijdse opvolger kan niet tijdig zijn geregistreerd, waarna dit later werd rechtgezet.

Opvolging Yeye van Mepsche

Er bestaat ook onzekerheid over het moment van Yeye’s overlijden. Volgens leenprotocollen zou zij rond 1478 zijn gestorven, waarna haar kleinzoon Johan Lunsche werd beleend. Aangezien zij rond 1390 geboren zou zijn, zou zij een uitzonderlijk hoge leeftijd hebben bereikt. Een alternatieve interpretatie is dat zij eerder overleed en dat de opvolging administratief onjuist is verwerkt, waardoor haar kleinzoon direct als opvolger werd geregistreerd. De erfopvolging wijst erop dat Johan Lunsche waarschijnlijk de zoon was van Henric Lunsche, aangezien het leenrecht voorschreef dat zonen vóór dochters en kinderen vóór kleinkinderen gingen. Indien Yeye daadwerkelijk pas rond 1478 overleed, zou een nog levende zoon, Egbert, in aanmerking zijn gekomen voor opvolging, wat de situatie nog complexer maakt. De tekst laat zien hoe familiebanden, leenrechten en administratieve procedures nauw verweven waren en hoe onduidelijkheden in de bronnen kunnen leiden tot verschillende interpretaties van de opvolging binnen adellijke families in middeleeuws Drenthe.

Belening met tienden te Dalen 1395-1554

Complexe eigendomsgeschiedenis

De geschiedenis van de tienden van Dalen toont een complex beeld van eigendom, verdeling en overdracht tussen verschillende adellijke en geestelijke families vanaf de veertiende eeuw tot in de achttiende eeuw. Omstreeks 1335 waren de tienden van Dalen in handen van Jacobus van Campen. Zijn zoon, Jacobus Jacobi de Campen, pastoor te Sleen (1355–1374), verkreeg in 1367 een deel van deze tienden in erfpacht van het kapittel van de Dom te Utrecht. Omdat expliciet sprake is van slechts een deel van de tienden, wijst dit erop dat de tienden in deze periode al verdeeld waren. Waarschijnlijk vond een eerste verdeling plaats tussen 1335 en 1367 en een tweede tussen 1374 en 1380. Rond 1380 blijkt een kwart van de tienden in handen te zijn van Roelof van Steenwijk, zoon van Coenraad van den Goere. Hoewel directe afstamming van de familie Van Campen niet vaststaat, zijn er sterke aanwijzingen voor verwantschap. Zo vertonen de wapens van de families Van Campen en De Vos van Steenwijk grote overeenkomsten, oefenden zij afwisselend het collatierecht in Dalen uit, en bezat Johan van Steenwijk in 1440 het erf ‘Op den Camp‘. Bovendien bestonden er later huwelijksbanden tussen beide families, wat wijst op een nauwe sociale en genealogische verbondenheid.

Rol van de familie Van Steenwijk

Naast de familie Van Steenwijk bezat ook de familie De Mepsche delen van de tienden. In 1395 en 1397 hadden zij elk een zestiende deel in handen. Deze verdeling suggereert opnieuw een opsplitsing van de tienden. In 1554 werd een van deze delen door Johan de Mepsche verkocht aan de familie Van Steenwijk, waarmee hun bezit verder werd uitgebreid. In de vijftiende eeuw blijken de tienden verder versnipperd en deels in achterleen uitgegeven. Zo wordt in 1457 een achtste deel genoemd dat eigendom was van Roelof de Vos van Steenwijk. In 1462 en 1465 volgen nieuwe beleningen waarbij tienden in Dalen en omliggende gebieden worden toegekend. Mogelijk behoren deze tot de eerder ontbrekende delen van de totale tienden, al blijft de verdere ontwikkeling hiervan onduidelijk. Vanaf de late veertiende eeuw tot in de zeventiende eeuw wordt een groot deel van de tienden herhaaldelijk beleend binnen de familie Van Steenwijk. De leenregisters tonen een lange opvolging van familieleden die telkens na overlijden of overdracht opnieuw beleend werden. Dit wijst op een relatief stabiele kern van bezit binnen deze familie.

Diverse families bezitter van tienden

Andere delen van de tienden kwamen in handen van verschillende families, zoals Ten Peerbome, Van Hulsen en later Van Nuis en Wynants. In de zeventiende eeuw verschijnen ook nieuwe eigenaren: Jan van Welveld verkreeg in 1611 een achtste deel, terwijl Hendricus Buiting eveneens een achtste deel bezat. De familie Van Welveld had banden met havezate De Klencke en verwierf later ook Mepsche-goederen. De Buitings waren verwant aan de familie De Mepsche, wat hun positie verklaart. Gezamenlijk vormen de bekende delen ongeveer vijf achtste van het geheel, terwijl de resterende delen vermoedelijk eveneens (deels) bij de familie De Vos van Steenwijk terechtkwamen. In latere eeuwen raken deze delen verder verspreid via verkoop, vererving en overdracht, zoals blijkt uit achttiende-eeuwse transacties. Samenvattend laat de geschiedenis van de tienden van Dalen een geleidelijke overgang zien van kerkelijk naar adellijk bezit, met voortdurende verdeling en herverdeling. De familie De Vos van Steenwijk speelde hierin een centrale rol, terwijl andere families via verwantschap, verkoop en leenbanden eveneens betrokken waren bij dit gefragmenteerde maar langdurig samenhangende bezitssysteem.

Heraldiek De Mepsche

De familie De Mepsche heeft een wapen dat als volgt wordt omschreven: ‘doorsneden: een uitgerukte boomstronk over alles heen’, met als helmteken een boomstronk gaande over zeven waaiersgewijs geplaatste pauwenveren. Het wapen werd met name in de zestiende en zeventiende eeuw gebruikt, door Johan de Mepsche (29 september 1574), Frerick de Mepsche (17 juni 1598), Rudolph de Mepsche (22 januari 1612), Gerhard de Mepsche ( 5 november 1634 en 13 mei 1657) en Rudolph de Mepsche (6 juni 1657). En was dus in gebruik in de Groninger tak van de familie De Mepsche.