Direct naar de inhoud.

Roden

Huis Mensinge

Leengoed van het bisdom Utrecht
Mensinge is een authentiek ingerichte havezate bij Roden in de provincie Drenthe. In 1381 werd het huis met name genoemd als leengoed van het bisdom Utrecht. Al eerder is er rond 1330 sprake van belastingafdrachten voor het bezit van een huis te Roden, die waarschijnlijk betrekking hebben op Mensinge. Op 24 januari 1408 beleende de bisschop van Utrecht de weduwe van Johan Hiddingh met het leengoed Mensing in het kerspel Roden. In 1433 werd de riddermatige Herman Hiddingh beleend met de havezathe Mensing.

Strijd over de belening met de familie Pipens en Hiddingh

Ghisela Pype en Johan Hiddingh

Belening met het Mensingegoed

Johan Hidding(h), geboren tussen circa 1335 en 1355, behoort tot een van de oudste bekende geslachten van Drenthe. Hij wordt in 1395 genoemd onder de Drentse ridders en knechten die zich keerden tegen de bisschop van Utrecht, destijds de wereldlijke heer van Drenthe. Johan overleed vóór 25 november 1406. Hij was vóór 1375 gehuwd met Ghisela (of Ghisel) Pype, geboren rond 1355. Zij werd omstreeks 1379 beleend met het erve Tybinge te Norg en trad tussen 1406 en 1408 herhaaldelijk op in leenrechtelijke kwesties. Op 14 juni 1408 werd zij, samen met haar zoon Herman Hidding als hulder, beleend met het Mensingegoed te Roden. Dat de familie Hiddingh tot de oudste eigenerfde geslachten van Drenthe werd gerekend, blijkt uit een rijmpje uit de collectie van mr. N. Oosting (1678–1748), waarin tien vooraanstaande Drentse families worden opgesomd. De Hiddingh’s worden daarin genoemd naast onder meer de Alingh’s, Manting’s en Nysingh’s als behorend tot de oudste geslachten van het landschap.

Hiddingh tegenstander van de bisschop

De vroegst bekende vertegenwoordiger van deze familie is Jan Hiddingh, die in 1395 voorkomt als tegenstander van de Utrechtse bisschop. Zijn keuze om zich tegen de bisschoppelijke macht te keren, kan gevolgen hebben gehad voor de positie van zijn gezin. Mogelijk heeft dit geleid tot complicaties bij de belening van zijn vrouw Ghisela met het Mensingegoed, dat als borgleen onder Vollenhove ressorteerde. Opvallend is de nadruk die binnen de familie werd gelegd op de naam Pype. Zowel Johan als zijn nakomelingen voegden deze naam regelmatig toe aan de familienaam Hiddingh. Dit wijst op het belang dat aan deze verwantschap werd gehecht. Over de herkomst van het geslacht Pype bestaat echter onzekerheid. Er is wel een veronderstelde relatie met het geslacht De Vos van Steenwijk, maar deze is nooit overtuigend aangetoond.

Telgen uit het geslacht Van Norch

Heraldiek speelt hierbij een intrigerende rol. Alleen de Hiddingh’s die afstammen van Ghisela Pype voerden een wapen dat sterk lijkt op dat van de heren van Norch en van het geslacht De Vos (van Steenwijk). Zo voerde ridder Hendrik van Norg in 1324 een schild met vijf schuine balken en acht penningen, een motief dat ook voorkomt bij Coenraet den Vos, burgemeester van Groningen in het begin van de vijftiende eeuw. Deze overeenkomst roept de vraag op waarom de Hiddingh’s zoveel waarde hechtten aan de naam Pype, indien het wapen oorspronkelijk uit hun eigen geslacht zou stammen. Volgens mr. A.N. baron de Vos van Steenwijk was Fosse Pypens, vermoedelijk een verwante van Ghisela, van vaderszijde van adellijke afkomst (‘schildboortig’). Haar echtgenoot zou mogelijk een (al dan niet wettige) telg uit het huis Norch zijn geweest. Dit zou verklaren hoe het wapen van Norch via De Vos van Steenwijk in het geslacht Pype en vervolgens bij de Hiddingh-Pype-lijn terechtkwam. De familie Hiddingh ontwikkelde zich uiteindelijk tot een invloedrijke schultenfamilie, die gedurende lange tijd een belangrijke rol speelde in de samenleving van Rolde en omgeving.

Johan Hidding vijand van de bisschop

Heerschappij in het Oversticht onder druk

Frederik III van Blankenheim (1393-1423), bisschop van Utrecht, handhaafde de politiek van zijn voorgangers om Sticht en Oversticht weer geheel onder controle te krijgen. De tegenstanders van zijn politiek werden beteugeld en ook lastige buren, buiten de grenzen, werden niet gestimuleerd om avontuur in het Oversticht te zoeken. Formeel strekte het Oversticht zich uit tot en met Groningen. Maar Drenthe was, sinds de fatale slag bij Ane in 1227, in handen van de eigenzinnige heren van Coevorden gebleven en de forse stad Groningen was feitelijk onafhankelijk. Coevorden, de sleutel tot het noorden, was de eerste post die genomen moest worden. Als argument hanteerde Frederik van Blankenheim de stelling dat de burcht indertijd aan de slotvoogd verpand was en dus tegen aflossing moest worden teruggegeven. Hij toonde een al dan niet vervalste oorkonde om zijn aanspraken te rechtvaardigen en eiste de versterking op. Coevorden had echter al meerdere aanvallen doorstaan. Er was zelfs een bisschop gesneuveld aan de voet van de burcht en voor een papier week kastelein Reinoud zeker niet.

Verzamelen van groot bisschoppelijk leger 1395

Nu trad Frederik in overleg met zijn steden, vooral met Utrecht, Amersfoort, Deventer, Kampen en Zwolle. Om een leger naar Coevorden te sturen was geld nodig, veel geld. Voor de steden die uit eigenbelang enthousiast hadden meegewerkt aan het onderwerpen van de adelsburchten in Overijssel was de onafhankelijkheid van Coevorden echter een oud gegeven. Toch kreeg Frederik voor zijn plannen enige steun, al moest hij zelf ook forse bedragen opnemen en allerlei toezeggingen doen. In de zomer van 1395 verzamelde hij ‘een groot heer van ridderen ende knechten uut der stat van Utrecht ende uut den anderen steden des gestichts ende toech daermede voir Koevoirden en besat (belegerde) die burch ende die stede ende bleef daervoir leggen mit ontwonden (wapperende) bannyeren als een onversaecht heer om sijnre kerken goede (zijn kerkelijk bezit) weder in te winnen’.

Overgave van kasteel Coevorden

Reinoud, die zelf niet op zijn burcht was, verzamelde een troep vrienden en verwanten, maar zijn legertje werd verslagen. Nu restte hem nog een beroep te doen op de hertog van Gelre, die ondanks dat hij aan de Coevordense heren verwant was, indertijd de benoeming van Frederik gesteund had. Willem van Gelre trachtte een conflict te vermijden door te bemiddelen. Tegen alle tradities en gebruiken in was deze bisschop niet tot een compromis bereid, hij wilde domweg het bisschoppelijk gezag over Coevorden vestigen. Dat stak Willem, die niet alleen de bisschop, doch ook diens medestanders wees op de onverstandige, tegenover Gelre zo onredelijke houding. De hertog was echter bepaald niet van plan om zich diep in het Coevordense wespennest te steken. Tenslotte moest het slot zich overgeven, zij het onder betrekkelijk gunstige voorwaarden.

Drentse bevolking houdt zich afzijdig

Ook Frederik zal zich gerealiseerd hebben dat hij juridisch noch moreel erg sterk stond. De historicus Gosses wijst er met enige nadruk op hoe eenvoudig de bisschop het conflict tot een einde wist te brengen. De Drentse bevolking, die ten tijde van Otto van Lippe nog duidelijk achter de Coevordense heren stond, hield zich nu afzijdig. Kort nadat Frederik van Blankenheim op 10 juli 1395 het beleg om Coevorden geslagen heeft, sluit hij met de Drentse notabelen een overeenkomst, waarbij hij door hen als landsheer wordt erkend. Wellicht speelden belangen in de veehandel met Overijssel en de Veluwe een rol. Of misschien prefereerde men een verre heer boven een nabije. In ieder geval kon de hereniging van Drenthe en Overijssel zonder veel tegenstand plaatsvinden. Frederik verleende daarop zijn herwonnen territoir allerlei voorrechten en gunsten. Op 10 augustus 1395 wordt hij als zodanig officieel ingehuldigd. Zo staat Reinoud alleen; slechts een handjevol getrouwen is nog bereid stad en heerlijkheid te verdedigen. Op 19 augustus 1395, na een belegering van bijna zes weken, geven die getrouwen zich over.

Reinoud van Coevorden doet afstand van zijn rechten in 1402

Reinoud van Coevorden, zelf niet aanwezig op het kasteel, weigert echter zijn nederlaag te erkennen. Het zal nog tot 1402 duren, voor hij de eisen van Frederik van Blankenheim inwilligt. In dat jaar, op de vierde april, doet hij in het openbaar, tegen inlossing van de panden, afstand van al zijn rechten. Ten overstaan van de bisschop en de etten van Drenthe en onder het belangstellende oog van vele bewoners van de omliggende dorpen. De plechtigheid voltrekt zich in de kapel Hulsvoort. De bisschop beloofde Deventer, Kampen en Zwolle het herwonnen gebied goed in de hand te zullen houden en verleende hun tolvrijheid in Drenthe en Coevorden ‘want sij binnen ons gestichte geene tolle schuldig en zijn’.

Herstel van gezag in Groningen

De volgende fase in de strijd van de bisschop zou het herstel van zijn gezag over Groningen worden. Ook hier stelde de kerkvorst dat hij op juridische gronden kon aantonen dat deze stad onder het Sticht viel. Maar al evenmin als Coevorden was de machtige Groninger magistraat van zins zich naar de bisschop te schikken. En, in tegenstelling tot de situatie in Drenthe, ook de bevolking van het meest noordoostelijke deel van het bisdom maakte geen aanstalten zich tot de kerkvorst te wenden. In het jaar 1400 trok hij op naar Groningen. Deze tocht vond minder weerklank dan de Drentse expeditie. Groningen bezorgde de IJsselsteden geen hinder, integendeel, als Hanzelid was het eerder bondgenoot dan concurrent.

Gevolgen voor Gisele Pype, weduwe van Johan Hidding

Juridisch conflict rond leengoed Mensinge 1406

Aan het begin van de vijftiende eeuw ontstaat een juridisch conflict rond het bezit van het leengoed Mensinge, gelegen in het kerspel Roden. Centraal in deze zaak staat Ghisel, weduwe van Johan Hidding, die samen met haar moeder Fosse Pipens aanspraak maakt op dit Stichtse leen. De kwestie ontvouwt zich stap voor stap in een reeks formele aanmaningen, rechtszittingen en bewijsleveringen, waarbij de positie van Ghisel uiteindelijk ter discussie wordt gesteld door de bisschop van Utrecht, de landsheer. Op 26 november 1406 wordt Ghisel voor het eerst officieel gemaand om zich binnen zes weken te verantwoorden over haar bezit van het leengoed Mensinge. De bisschop betwijfelt kennelijk haar rechtmatigheid en wenst duidelijkheid over de juridische grondslag waarop zij en haar moeder dit goed in handen hebben. Wanneer zij niet tijdig reageert, volgen nieuwe aanmaningen: op 7 januari 1407 wordt zij opnieuw opgeroepen, en nogmaals op 18 februari van datzelfde jaar. Deze herhaalde oproepen tonen aan dat de kwestie als ernstig werd beschouwd en dat de landsheer vasthield aan een formele afhandeling.

Aanmaningen 1407

Op 1 april 1407 neemt Ghisel een belangrijke stap: zij wijst haar zoon Herman Hidding aan als haar momber, dat wil zeggen als haar wettelijke vertegenwoordiger in alle zaken die zij voor de bisschop moet behartigen. Deze keuze suggereert dat zij zelf mogelijk niet in staat was om de juridische procedures zelfstandig te voeren, of dat het gebruikelijk was een mannelijke vertegenwoordiger aan te wijzen in dergelijke feodale geschillen. Desondanks blijft de druk vanuit de landsheer bestaan. Op 11 april 1407 wordt Ghisel opnieuw gemaand zich binnen zes weken te verantwoorden voor het bezit van het leengoed. Wanneer ook deze termijn verstrijkt zonder afdoende bewijs, volgen verdere aanmaningen: op 1 juni, op 6 juli en ten slotte op 17 augustus 1407. De herhaling van deze oproepen onderstreept de hardnekkigheid van het conflict en de onzekerheid over de rechtmatige eigendom van Mensinge.

Uitspraak in Deventer 1407

De zaak bereikt een belangrijk keerpunt op 1 oktober 1407, wanneer Henric van Haersolte uitspraak doet in de Kamerklaring te Deventer. In deze juridische beslissing wordt bepaald onder welke voorwaarden Ghisel en haar moeder in het bezit van het leen kunnen blijven. Indien zij kunnen aantonen dat zij in een geldig leenverband staan, dat zij voldoende gegoed zijn om het goed te dragen, en dat zij van riddermatige afkomst zijn – zogenoemde schildboortige lieden – dan zal de landsheer hen in het bezit handhaven. Dit geldt echter slechts zolang er geen betere rechthebbende verschijnt. Deze uitspraak legt de bewijslast volledig bij Ghisel en haar moeder. Kort daarna vraagt Herman van Haersolte, optredend namens de landsheer, hoe en wanneer Ghisel dit bewijs zal leveren.

Aantonen afkomst en gegoedheid

Het antwoord komt van Egbert Hake van den Rutenberg, die bepaalt dat Ghisel binnen zes weken haar afkomst, haar gegoedheid en haar recht op het leen moet aantonen. Dit dient te gebeuren met behulp van twee verwanten aan moederszijde – specifiek achterzusterskinderen van Fosse Pipens – of andere naaste familieleden van vergelijkbare status. Bovendien moet zij haar beleening kunnen staven met getuigen, documenten of inschrijvingen in de registers van de bisschop. De nadruk op deze bewijzen toont aan hoe belangrijk afkomst en sociale status waren binnen het leenstelsel. Alleen wie van riddermatige geboorte was en over voldoende middelen beschikte, kon aanspraak maken op een Stichts leen. Op 4 februari 1408 wordt de zaak voortgezet. Herman van Haersolte ondervraagt namens de landsheer twee getuigen, Otto Drijntsman, ook bekend als Peijs Schott, en Johan Baving. Hij vraagt hen of zij willen zweren dat Fosse Pipens en Ghisel Hidding van de juiste afkomst zijn. Beide mannen bevestigen dit. Vervolgens wordt hun gevraagd of zij zelf eveneens van riddermatige afkomst zijn, waarop zij wederom bevestigend antwoorden. De landsheer acht deze verklaringen echter onvoldoende overtuigend. Daarom wordt besloten een uitgebreider onderzoek – een zogenoemde kondschap – te laten uitvoeren. Dit onderzoek moet worden verricht door omwonenden en ervaren mannen die bevoegd zijn om te oordelen over leenrechten en afkomst. De getuigen stemmen hiermee in, en er wordt bepaald dat de kondschap zal plaatsvinden onder toezicht van ten minste twaalf bevoegde personen. Een reeks aanzienlijke mannen wordt aangewezen om deze taak te vervullen, waaronder Johan Polman, Johan van Steenwijck, Reinold de Vos en anderen. Zij worden meerdere malen gemaand om hun oordeel uit te spreken: op 17 maart en opnieuw op 28 april 1408. Het proces toont hoe zorgvuldig en uitgebreid men te werk ging bij twijfel over leenrechten en adellijke afkomst.

Afkomst van moeder Fosse Pipens

De kern van het probleem lijkt te liggen in de afkomst van Fosse Pipens, de moeder van Ghisel. Hoewel haar broer Steven Zyghers en haar zuster Goessen zonder bezwaar met Mensinge waren beleend, werd bij haar kennelijk getwijfeld aan haar riddermatige status. Mogelijk was zij slechts van vaderszijde van adellijke afkomst en niet van moederszijde, of was er sprake van een afwijkende familierelatie. Een andere mogelijke oorzaak van de twijfel is dat haar overleden echtgenoot, Johan Hidding, bekend stond als een tegenstander van de bisschop van Utrecht, wat de positie van zijn weduwe kan hebben verzwakt. Ondanks deze twijfels slaagt Ghisel er uiteindelijk in haar rechten te bewijzen. Op 24 juni 1408 wordt zij officieel beleend met het goed Mensinge als Stichts leen, en niet als borgleen van Vollenhove. De plechtigheid vindt plaats te Vollenhove in aanwezigheid van verschillende getuigen, waaronder Herman Hidding, die namens zijn moeder hulde doet. Hiermee komt een einde aan het langdurige geschil en wordt haar positie als leenhoudster bevestigd.

Ghisel blijft in bezit Mensinge 1408-1423

Ghisel blijft in het bezit van Mensinge tot na 1423. Wie haar direct opvolgt is niet geheel duidelijk, maar uit latere registers blijkt dat in 1433 een zekere Herman Hidding – vermoedelijk haar zoon – met het goed wordt beleend na het overlijden van zijn vader. Aangezien een andere zoon, Pijpe, zich in deze periode in Norg bevindt, ligt het voor de hand dat Herman de opvolger van zijn moeder was. Na Hermans overlijden in 1453 gaat het leen over op zijn broer Johan Hidding. Deze was een geestelijke: eerst kerkheer te Rolde en later vice-cureet van de Sint Maartenskerk te Groningen. Na zijn dood in 1478 komt het goed in handen van hun zuster Vosse Hidding, die daarmee de laatste vertegenwoordiger van het geslacht Hidding wordt die Mensinge in leen bezit. Vosse Hidding was weduwe van de Groninger schulte Ludekijn Alberts Wigboldes en woonde in de Boteringestraat te Groningen, samen met haar zoon Wigbold, die eveneens schulte was. Na haar overlijden wordt Wigbold op 2 oktober 1485 beleend met Mensinge. Deze belening heeft echter slechts een formeel karakter, aangezien hij het goed inmiddels heeft verkocht aan de Ommelander jonker Onno van Ewsum. Kort na deze overdracht wordt Onno van Ewsum daadwerkelijk met Mensinge beleend, waarmee het goed definitief overgaat in andere handen. Hiermee eindigt de langdurige band tussen het geslacht Hidding en het leengoed Mensinge, die meer dan driekwart eeuw heeft geduurd en begon met een moeizaam bevochten erkenning van rechten door Ghisel Hidding aan het begin van de vijftiende eeuw.

Strijd met familie van Gisela Pype

Van de schilde boortig

De strijd rond Gisela Pype en haar familie vormt een intrigerend voorbeeld van de spanningen tussen lokale adel, opkomende machtsstructuren en het gezag van de bisschop van Utrecht in het begin van de vijftiende eeuw. Centraal stond daarbij de vraag of Gisela en haar moeder Fosse Pipens werkelijk van adellijke afkomst waren, oftewel ‘van de schilde boortig‘. Deze kwestie was niet slechts een genealogische discussie, maar had directe gevolgen voor het bezit van leenrechten en daarmee voor macht en status.

Politieke keuze van Johan Hiddingh

De aanleiding voor het conflict lag in de politieke keuzes van Gisela’s echtgenoot, Johan Hiddingh. Hij had zich verbonden aan de burggraaf van Coevorden en daarmee positie gekozen tegen de bisschop van Utrecht. In een tijd waarin loyaliteit en leenbanden nauw verweven waren met politieke macht, had deze keuze verstrekkende consequenties. Tussen 1406 en 1408 raakte Gisela verwikkeld in een juridisch conflict met de bisschop, die haar recht op het bezit van het goed Mensinge in het kerspel Roden betwistte. De kern van de zaak was of zij dit goed als volwaardig Stichts leen kon behouden, of slechts als borgleen, zoals eerder het geval was geweest. Dat Gisela uiteindelijk in 1408 met Mensinge werd beleend als Stichts leen, wijst erop dat zij deze strijd in haar voordeel wist te beslechten. Daarmee werd haar positie aanzienlijk versterkt. Het betekende niet alleen erkenning van haar rechten, maar impliciet ook van haar adellijke status, ondanks de eerdere twijfel van de bisschop. Gisela’s achtergrond lijkt te wijzen op banden met de familie Pipe van Kuinre en Steenwijk. Zij was vermoedelijk een kleindochter van Johan Pipe van Steenwijk van Kuinre en een achterkleindochter van Johan Pipe van Kuinre. Hoewel deze familie niet van oorsprong Drents was, had zij wel aanzienlijke invloed in de regio. Juist die invloed kan een reden zijn geweest voor bisschop Frederik van Blankenheim om de positie van dergelijke families te willen beperken. In zijn streven naar een stabiel en beter controleerbaar Sticht paste het voortbestaan van relatief onafhankelijke machtsblokken, zoals dat van de heren van Kuinre, slecht.

Conflict met de heren Van Kuinre

De stedelijke bronnen uit die tijd bevestigen dat het conflict rond Kuinre en de bisschop geen kleinschalige aangelegenheid was. Integendeel, het betrof een bredere machtsstrijd waarin ook de IJsselsteden betrokken waren. Uit de stadsrekeningen van Deventer blijkt dat men actief overleg voerde met de bisschop over de situatie. Zo werden in juli 1407 twee vooraanstaande burgers naar Vollenhove gestuurd om informatie in te winnen over de toestand in Kuinre en de mogelijke kosten van een regeling. Enkele weken later volgde een tweede missie, waarbij opnieuw onderhandelingen plaatsvonden. Ook Zwolle zond vertegenwoordigers en maakte kosten voor reizen en overleg, wat aantoont hoe belangrijk en complex deze kwestie was. Uiteindelijk slaagde de bisschop erin zijn positie te versterken. In 1407 werd graaf Herman II van Kuinre, die gehuwd was met Hillegonda van Hekeren, gedwongen zijn graafschap te verkopen. Officieel gebeurde dit ten behoeve van de Sint Maartenskerk in Utrecht, maar feitelijk betekende het een uitbreiding van de macht van de bisschop zelf. Voor deze transactie werd een aanzienlijk bedrag van 6200 Franse schilden betaald. Daarmee kwam een einde aan de zelfstandige machtspositie van de heren van Kuinre in de regio. Tegen deze achtergrond krijgt ook de familiegeschiedenis van Fosse Pipens en haar dochter Gisela een scherpere betekenis. Fosse, geboren rond 1330 en gehuwd met een lid van de Pype- of Pipensfamilie, was in de late veertiende eeuw beleend met het goed Mensinge. Zij woonde in Vollenhove en bezat het goed als borgleen. Haar positie en die van haar dochter stonden echter ter discussie, juist vanwege de twijfel over hun adellijke afkomst.

Wie was vrouw Vossynna?

Een opvallend en mogelijk verwant verhaal speelt zich af in 1378, toen Johan, heer van Ruinen, als laatste van zijn geslacht overleed. Hij liet zijn weduwe Swedera van Heeckeren achter, zonder mannelijke erfgenaam. Wat volgde was een dramatische gebeurtenis: Swedera werd van haar burcht verdreven door een vrouw genaamd Vossynna en haar zoon. Deze Vossynna wordt beschreven als rijk, maar van lage afkomst. Haar zoon bezette met geweld de burcht van Ruinen en eigende zich daarmee feitelijk de erfenis toe. De vraag wie deze Vossynna was, heeft historici beziggehouden. Het ligt voor de hand haar te identificeren met Fosse Pipens-Syghers, die in dezelfde periode leefde. De parallellen zijn opvallend: een rijke vrouw van betwiste afkomst, verbonden aan een familie die later verwikkeld raakt in een proces over adeldom en leenrechten. Bovendien speelde enkele decennia later het conflict rond de schildboortigheid van Fosse en haar dochter Gisela, waarin zij hun adellijke status niet overtuigend konden aantonen.

Afkomst, politieke keuzes en macht

Dit roept de intrigerende mogelijkheid op dat de zoon van Fosse betrokken was bij de bezetting van het huis te Ruinen. Als dat inderdaad het geval was, zou dit verklaren waarom de bisschop later zo kritisch stond tegenover de claims van deze familie. Hun positie was dan niet alleen juridisch onzeker, maar mogelijk ook gebaseerd op eerdere, gewelddadige toe-eigening van bezit. De geschiedenis van Gisela Pype en haar familie toont daarmee hoe persoonlijke afkomst, politieke keuzes en machtsverhoudingen in de late middeleeuwen nauw met elkaar verweven waren. Wat begon als een vraag naar adellijke status, blijkt uiteindelijk onderdeel van een veel groter geheel van regionale machtsstrijd, waarin bisschop, steden en lokale elites elkaar voortdurend in evenwicht probeerden te houden.

Belening met havezate Mensinge

Steven Zygers en zijn zusters Fosse en Goessen

De geschiedenis van het leengoed Mensinge in het kerspel Roden is nauw verbonden met de familie van Steven Zyghers en zijn zusters Fosse Pipens en Goessen. In een lijst van leenmannen van het Sticht Utrecht, opgesteld tussen 26 september 1381 en 19 januari 1383, wordt Steven Zyghers vermeld als bezitter van het ‘Mensinghe goet’, een borgleen te Vollenhove. Later is in deze lijst toegevoegd dat Fosse Pipens zijn zuster was, wat wijst op een familieverband dat van belang is voor de opvolging van het leen. Een tweede, oorspronkelijke leenmannenlijst uit 1379 bevestigt dit bezit. Daarin staat eveneens dat Steven Zyghers het Mensingegoed hield als borgleen. Opvallend is echter een aantekening in de marge waarin wordt gesproken van ‘haeres quidam’ – ‘een zekere erfgenaam’. Dit duidt erop dat er al vroeg onduidelijkheid bestond over de erfopvolging van het goed. Na Steven Zyghers lijkt het leengoed binnen de familie te blijven. Zowel Fosse Pipens als haar zuster Goessen spelen hierbij een rol. Goessen huwde met Roelof Dusewolt, een telg uit een geslacht dat teruggaat op Otto Dusewolt van Dilgt, die in 1338 als getuige optrad bij een verzoening tussen de Friezen en de stad Groningen en in 1340 vrede sloot met die stad.

Fosse Pipens opnieuw beleend 1394

Op 1 december 1392 wordt Goessen, als echtgenote van Roelof Dusewolt, beleend met het Mensingegoed. Haar man treedt daarbij op als hulder, wat gebruikelijk was wanneer een vrouw het leen ontving. Diezelfde dag kiest zij hem ook tot haar momber, zodat hij haar in juridische zaken kan vertegenwoordigen. Dit wijst op een formele overdracht binnen de familiekring, maar ook op een zekere complexiteit in de rechtspositie van het leen. Kort daarna, op 9 januari 1394, wordt Fosse Pipens opnieuw met het Mensingegoed beleend. Zij ontvangt het goed te Vollenhove als borgleen en laat zich vertegenwoordigen door haar hulder Aernt Moriaen. Dit suggereert dat het leen mogelijk tijdelijk van hand is gewisseld of dat er sprake was van overlappende aanspraken binnen de familie.

De familie Van Ewsum

In de vroege vijftiende eeuw gaat het bezit over op de familie Hiddingh. Op 24 januari 1408 wordt de weduwe van Johan Hiddingh beleend met Mensinge, waarbij haar zoon Herman Hidding als hulder optreedt. In 1433 volgt Herman zelf als leenman, en in de decennia daarna blijft het goed in handen van deze familie. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw komt Mensinge in bezit van de Groningse familie Van Ewsum, die het goed tot 1721 behoudt. In deze periode wordt Mensinge erkend als havezate, wat politieke rechten in de Drentse Landdag met zich meebracht.

De familie Van Ewsum

Belening van het Mensingegoet

In 1231 moest de burggraaf van Coevorden twaalf vazallen met hun leengoederen aan de bisschop van Utrecht afstaan, die werden ingezet als borgmannen van het kasteel te Vollenhove. Eén van die leengoederen was ‘Mensinghegoet, dat gheleghen is in den kerspel van Roeden in Drenthe, ende dat is een borchleen to Vollenho’. Het Mensingegoed kent een lange lijst van leenmannen. Het betreft een zogenaamd koddenleen, zijnde een niet-riddermatig goed. Daartegenover stond een borgleen, wat betekent dat de leenman van dit goed oorspronkelijk als tegenprestatie het bisschoppelijk kasteel mee moest helpen verdedigen. De belening van dit Mensingegoet verliep als volgt:

  • 1379-1382 Steven Zyghers
  • 1382-1393 Fosse Pipens, zuster van Steven Zyghers, hulder Arnd Morriaen
  • 1 december 1392 Goessen, vrouw van Roelf Dusewolt, hulder haar man
  • 6 november 1393 Goessen, vrouw van Roeloff Dusewolt, hulder maar man ‘als een mombair
  • 9 januari 1394 Fosse Pypers te Vollenhoe, hulder Aernt Moriaen
  • 24 juni 1408 Ghijssele Hiddinges, hulder haar zoon Herman Hidding: ‘Dat Mensingeguet, gelegen in den kerspele tot Raden, mit eenre volre waren ende myt alle sinen toebehoren
  • 2 augustus 1433 Harmen Hidding na de dood van zijn vader
  • 12 april 1454 Johan Hidding
  • 21 april 1457 Johan Hidding te Raeden
  • 24 juli 1478 Vosse Wigbolts na de dood van haar broer Johan Hidding, hulder haar zoon Wigbolt
  • 2 oktober 1485 Wigbolt Wigboldes na de dood van zijn moeder Vosse Wibboldes
  • 2 oktober 1485 Heer Onno Ewesma, ridder, na opdracht door Wigbolt Wigboldes
  • 21 oktober 1492 Hinric van Eewessum na de dood van zijn vader Onno Ewesma, ridder
  • 16 september 1495 Heer Aebeko van Ewesum, ridder, na de dood van zijn broer Henric van Ewesum
  • 9 juli 1497 Heer Abeko van Ewesum te Raden, ridder
  • 1 oktober 1505 Roloff van Ewesum na de dood van zijn broer Abeko van Ewesum, ridder
  • 31 december 1517 Roloff van Ewessum
  • 16 juni 1557 Heer Johan van Ewssum tot zijn goede recht: ‘Dat guet Menssinge genoempt mit den Huyse to Roeden sampt synen toebehoeren
  • 10 september 1571 Onna van Eeussum na de dood van zijn vader heer Johan van Eeussum, ridder
  • 27 juni 1620 Lollo van Ewssum tot zijn goede recht, zoals Joachim Bitholt daarmee als laatste nemsn Johan van Ewssum was beleend (Joachim Bitholt was niet bij de belening van 1557 betrokken; waarschijnlijk is hier daarom een niet-geregistreerde belening bedoeld)
  • 16 juni 1630 Titus van Eeussum na de dood van zijn broer Lollo van Eussum
  • 21 januari 1668 Ernst van Eeussum namens zijn vader Titus van Eeussum met lediger hand
  • 25 februari 1687 Ernst van Ewsum met lediger hand
  • 27 februari 1700 Willem van Eusum, kapitein, na de dood van zijn vader Ernst van Eusum
  • 9 april 1710 Anna Maria Elisabeth Ripperda, weduwe van Wilhelm Antoni Eussum, namens haar onmondige zoon Wilhelm Antoni van Eussum, hulder dr. Cornelis Verhoef
  • 24 december 1720 Titus van Eussum na de dood van zijn broer Willem Antoni van Eussum
  • 5 maart 1721 Zeyne Abel de Koninck namens zijn vader Justus de Konink tot Peijssen, assessor en gedeputeerde van het Landschap Drenthe, als koper na opdracht door Titus van Eusum
  • 27 juni 1728 Justus Zeijno Abel de Coninck toe Peijse na de dood van zijn vader Justus de Coninck, heer toe Mensinga
  • 27 juni 1728 Ida Elisabeth Ripperda, weduwe van Ewsum, na opdracht door Justus Zeijno Abel de Coninck
  • 21 maart 1747 Jan Philip Meesterlin als koper na opdracht door Yda Elizabeth barones van Ripperda, barones-weduwe van Ewslum
  • 19 september 1764 Cornelia Getruda Meisterlin, vrouw van Nicolaus Wilhelm Schroeder, professor in de Oosterse talen, zoals Philip Meisterlin daarmee was beleend, hulder Arnold Willem Kolde
  • 31 oktober 1764 Coenraad Wolter Ellents, raad, secretaris en lid van de Etstoel van het Landschap Drenthe, als koper na opdracht door Nicolaus Willem Schroeder namens zijn vrouw Cornelia Gertrude Meisterlin
  • 19 november 1784 Gesina Oldenhuis na de dood van haar man Coenraad Wolter Ellents, hulder mr. Jacob de Mist, secretaris van Campen