Ansen

Vakwerkhuis rond 1200
Het Huis te Ansen – ook Hof te Ansen – was een havezate en een van de oudste adellijke huizen in Ansen in Drenthe. Al van de elfde tot de dertiende eeuw was er sprake van een Hof te Ansen. Deze hof lag net tegen de grens van de heerlijkheid Ruinen. Waarschijnlijk was het huis te Ansen in de tijd rond 1200 niet meer dan een vakwerkhuis, want in deze tijd werd in deze streek nog niet in steen gebouwd. In 1228 werd dit huis verwoest tijdens de strijd van de bisschop tegen de Drenten. Het huis werd weer opgebouwd, wellicht deze keer in steen. Uit een prent naar Cornelis Pronk van omstreeks 1730 blijkt dat het huis in een L-vorm was gebouwd met een traptoren in de hoek van de twee vleugels. De zijgevels van de vleugels hadden toen een trapgevel. Na 1769 werd het huis nauwelijks nog bewoond. Omstreeks 1800 liet Christoffel daarom het huis afbreken en daarmee verdween een van de oudste havezaten van Drenthe. Een koetshuis werd omgevormd tot boerderij. Nu staat enkel nog dit koetshuis als stille getuige van de glorieuze geschiedenis van dit adellijke huis.
Schenking huis Ansen aan Ludolf van Bierum door zijn broer, de bisschop van Utrecht Hartbert van Bierum
De familie Van Coevorden
Strijd met de bisschop van Utrecht
In de twaalfde eeuw schonk de bisschop van Utrecht, Harbert van Bierum, aan zijn broer Ludolf het goed te Ansen. Deze broer werd door hem ook benoemd tot slotvoogd van het kasteel van Coevorden. Een andere broer van de bisschop werd ook bedacht. De beide broers kregen de jurisdictie van Drenthe te leen. Hiermede dacht de bisschop zijn positie in dit gebied te verstevigen, maar later bleek deze manoeuvre van de bisschop niet zo geweldig te zijn geweest. Na het overlijden van Ludolf hertrouwde zijn weduwe. Haar man, Floris van Vorenborg, en zijn stiefzoon Volker/Folkert raakten met de bisschop in oorlog. Folkert, de jongste broer van de burggraaf van Coevorden, was brutaal genoeg om de confrontatie aan te gaan met de bisschop. Dat kwam hem duur te staan. De bisschop verbande hem naar Kasteel Ter Horst in Gelderland, wat voor Folkert waarschijnlijk voelde als het einde van de wereld. Desondanks vond hij een weg terug naar Drenthe door zijn charme in te zetten en het hart van de dochter van ridder Albrecht Lewe – die op kasteel Ter Horst in Achterberg woonde – te winnen. De vader van de bruid werd zijn bondgenoot en pleitbezorger bij de bisschop voor zijn terugkeer. De bisschop wilde absoluut niet dat Folkert de dienst uit zou gaan maken in Coevorden het familielandgoed, maar in het kleine dorpje Ansen, zo’n dag rijden van Coevorden met paard en wagen, kon Folkert wat de bisschop betreft weinig kwaad doen. Dus hier legde Folkert met zijn vrouw de basis voor een bloeiend nageslacht, ondanks herhaalde verwoestingen. Dit echtpaar werd de stamhouder van de geslachten van Ansen en van Echten. Ze stonden niet allen goed bekend want een van de latere leden van het geslacht van Ansen was roofridder, die zelfs ten strijde trok tegen de Groningse Ommelanden. In die tijd zal huis Ansen zeker een versterkt huis zijn geweest.
Inval door zes legers
Wilbrand van Oldenburg valt Drenthe binnen
Na de slag bij Ane in 1227 – waarbij de Utrechtse bisschop Otto II van Lippe om het leven komt – zint zijn opvolger bisschop Wilbrand van Oldenburg op wraak. Hij ontvangt in 1228 veel steun van Friezen bij de militaire acties tegen Drenthe, zowel uit het huidige Friesland als uit de Groninger Ommelanden. In oktober 1228 worden zes legers verzameld op verschillende plaatsen om Drenthe vanuit meerdere richtingen aan te vallen. Vanuit Groningen trekken Friezen en krijgers uit Bentheim Drenthe binnen om de motteburcht Nutspete, gelegen tussen Glimmen en Noordlaren, aan te vallen. Bij Bakkeveen trekken Friese strijders uit Westergo het land binnen, steken huizen in brand en keren met buit terug naar huis. Bij Oldeberkoop vallen Friezen uit Staveren en uit het gebied van de Lende (Linde) Drenthe binnen. Ondertussen plunderen Twentse ridders bij Coevorden het gebied rond Emmen en branden het plat. Vanuit Ommen trekken ridders uit Salland via moerassen bij Avereest naar het gebied rond Ruinen om ook daar brand te stichten. De bisschop zelf trekt vanuit Steenwijk naar Uffelte en valt vervolgens Ansen aan. Het Drentse leger slaat op de vlucht, waarna het dorp volledig wordt verwoest.

Familie De Vos van Steenwijk
In 1360 trouwde Hadewich van Ansen met Johan de Vos van Steenwijk. Hiermee kwam het huis te Ansen in handen van dit geslacht. Ansen bleef enkele eeuwen in het bezit van deze familie De Vos van Steenwijk. In 1408 blijkt de hof in het bezit te zijn van Johan van de Goer alias Johan de Vos van Steenwijk. Leden van deze familie zouden gedurende ruim 300 jaar eigenaar van het Huis te Ansen blijven. De familie De Vos van Steenwijk speelde een vooraanstaande rol in het bestuur van Drenthe. In de eerste helft van de zestiende eeuw was Coenraad de Vos van Steenwijk, eigenaar van het Huis te Ansen, waarnemend drost van Drenthe. In 1580 had Drenthe veel te lijden van oorlogshandelingen. Het was het begin van de tijd van de Opstand, de tijd waarin besloten was dat ook Drenthe zich zou aansluiten bij de ondertekenaars van de Unie van Utrecht. Ondanks dit feit werd kort voor 1580 de toenmalige Heer van Ansen, Hendrik Coenraadszn. de Vos van Steenwijk, door Philips II toch benoemd tot Drost van Coevorden en Drenthe. In verband met de roerige tijden moest de drost echter nog al eens vluchten. Hendriks zoon Coenraad waren in de tweede helft van de zestiende eeuw drost.


Toegelaten tot de Ridderschap
Het huis te Ansen kwam na het overlijden van Coenraad in het bezit van zijn broer Reinold, gedeputeerde van Drenthe. Diens zoon Hendrik de Vos van Steenwijk werd in 1634 toegelaten tot de Landdag, omdat het huis te Ansen van oudsher altijdt voor een adellijcke havezathe is gekent. Ook zijn zoon Zeino Coenraad werd toegelaten tot de Ridderschap vanwege het bezit van de havezate in Ansen. Via de dochter van Zeino Coenraad kwam de havezate in 1707 in het bezit van zijn schoonzoon, de ex-militair en Drentse bestuurder, Christoffel Bernard Julius von Schwartz, lid van de familie Von Schwartz. Zowel hij als zijn zoon Zeino Coenraad van Schwartz werden toegelaten tot de Ridderschap van Drenthe, maar werden geteisterd door financiële problemen. Hierdoor zag de laatstgenoemde zich genoodzaakt om de havezate in 1760 van de hand te doen voor ƒ 27.500. Schwartz heeft nog wel gedurende een aantal jaren het recht van havezate in zijn bezit gehad, waardoor hij deel bleef uitmaken van het bestuur van Drenthe. Na een ruil met zijn neef werd Zeino verschreven op Entinghe in Bonnen. Na korte tijd echter keerde hij weer terug op zijn huis in Ansen. In 1769 werd deze Zeno benoemd door de stadhouder tot Gedeputeerde. In 1776 werd hij benoemd tot curator van de Latijnse school te Meppel. Het echtpaar ging in Meppel wonen. Na de dood van zijn vrouw bleef Zeno alleen achter en vergokte zijn vermogen. In 1799 overleed hij en zijn zoon, Christoffel Bernhard Julius, erfde de havezate. Omdat hij in militaire dienst was ging hij er niet wonen. Rond 1800 moet het Huis te Ansen al niet meer hebben bestaan.
