Direct naar de inhoud.

Emmen

bisschopshof

Het bisschopshof

Bestuurd vanuit Utrecht
Langs de oude route over de Hondsrug liep in de Middeleeuwen de Hereweg, een belangrijke verbinding waarlangs de bisschop van Utrecht door zijn noordelijke gebieden reisde. Op deze route lagen onder meer in Emmen, Anloo en Groningen hoven van de bisschop. De naam ‘Hereweg’ verwijst naar het feit dat de landsheer – de bisschop, die zowel geestelijk als wereldlijk gezag uitoefende – deze weg gebruikte bij bezoeken aan Drenthe. In de middeleeuwse kroniek Narracio staat beschreven dat de bisschop eens in de vier jaar door Drenthe trok om recht te spreken in kerkelijke én wereldlijke zaken. Tijdens zo’n rondreis verbleef hij met een groot gevolg ongeveer zes weken in het gebied. De Drenten moesten hem en zijn gevolg in die periode onderhouden, en de bisschoppelijke hoven fungeerden daarbij als verblijfplaatsen.

Administratieve en economische centra in Drenthe

Inning van pachten en belastingen

Deze hoven hadden echter niet alleen een representatieve of logistieke functie. Door schenkingen had de bisschop van Utrecht in de loop der tijd veel bezittingen in Drenthe verworven: hoeven, landerijen en bijbehorende rechten. Deze bezittingen waren doorgaans verpacht. De hoven waren het administratieve en economische centrum van dit grondbezit. Van daaruit werd het domein beheerd, werden pachten en belastingen geïnd (zoals de zogeheten schuldmudden), en werd graan dat als pacht of belasting werd ontvangen opgeslagen. Een hof moet worden gezien als het centrum van een groot landbouwbedrijf. De dagelijkse leiding lag bij de hofmeier, die niet alleen de bedrijfsvoering aanstuurde, maar ook als rentmeester optrad voor de overige hoeven die tot het domein behoorden. De boeren op die hoeven waren veelal horigen: zij waren gebonden aan de hof en aan hun erf, en moesten naast pacht ook diensten verrichten voor de grondheer. Ondanks de belangrijke rol van zo’n hof, was het geen ‘kasteel’ in moderne zin. Ook een archeologisch opgegraven bisschoppelijke hof, zoals die van Kalteren bij Diever, blijkt in wezen een grote boerderij met bijgebouwen en stallen te zijn geweest.

De bisschopshof van Emmen

Hoeven onder beheer van de bisschopshof 1139

De bisschopshof van Emmen, lokaal bekend als de ‘Herenhof’, lag ruim 200 meter ten westen van de kerk. De hof is alleen uit schriftelijke bronnen bekend. De eerste vermelding dateert uit 1139, toen enkele hoeven onder het beheer van deze hof werden gebracht. In 1313 werd de hof door de bisschop in erfpacht uitgegeven aan Henricus en Albertus, zonen van de laatste hofmeier Gerardus. De jaarlijkse pacht bestond uit tachtig mud koren en daarnaast leveringen in natura, zoals hout, eikels en palingen.

Herenhof en Honningshof

Vanaf dat moment kwam het beheer van de bisschoppelijke goederen in handen van een rentmeester. Die bezocht Emmen vier keer per jaar; de pachter van de hof was verplicht hem onderdak en eten te geven. Uit een zestiende-eeuwse bron blijkt dat er toen zeven pachthoeven onder de hof ressorteerden. De pachters waren ‘hofhorigen’ en mochten zelf geen land bezitten of land buiten het domein gebruiken. Wel mochten zij het domein splitsen. Dat is ook gebeurd: een rentmeestersrekening uit 1598 noemt naast de Herenhof (‘Hoenynge’) ook het ‘Mouwengoed’, met een opmerking dat dit een ‘broederscheiding’ met de Herenhof betrof – en verwijzing naar de opsplitsing in de veertiende eeuw. Na de Reformatie gingen de goederen van de bisschop over naar de Landschap Drenthe. De herinnering aan de oude hof bleef lokaal nog lang levend: het terrein stond ook in recente tijden bekend als ‘Honningshof’.

Kerk en hof onderdeel van één domein

Vroegmiddeleeuws grootgrondbezit

Historisch-geografisch onderzoek suggereert dat de kerk en de bisschopshof in Emmen mogelijk een gezamenlijke oorsprong hebben. In 1640 vormden de landerijen van de hof, de weem (pastorie) en de kerk een min of meer aaneengesloten gebied. Kerk, pastorie en hof lagen dicht bij elkaar, alsof ze oorspronkelijk deel uitmaakten van één samenhangend landgoed. Dit is opvallend, omdat gewone boerderijen in Drenthe doorgaans mee ‘opschoven’ met nieuwe ontginningen op de es en door vererving vaak versplinterden. Dergelijke aaneengesloten ‘domeinen’ in Drenthe worden vaker in verband gebracht met vroegmiddeleeuws grootgrondbezit, opgebouwd door de bisschop van Utrecht en bijvoorbeeld de abdij van Werden, vooral tussen de late achtste en late elfde eeuw. De vraag is of het domein in Emmen ook zo’n oorsprong heeft.

Bewoning, grafveld en kerk

Vroege ontwikkeling rond 800-850

Uit een inventarisatie van archeologische vondsten blijkt dat de bewoning van de Romeinse tijd tot en met de zesde eeuw vooral lag op het hogere deel van de Hondsrug. Van de daaropvolgende periode zijn weinig vondsten bekend, maar de onderzoekers achten het waarschijnlijk dat de kern van Emmen ontstond tussen de zesde en de late achtste eeuw, aanvankelijk als een kleine nederzetting van enkele boerderijen. Ten zuiden van deze vroegste dorpskern ontstond vanaf ongeveer het jaar 800 een klein grafveld. Binnen dit grafveld lagen twee clusters van zeer dicht opeengepakte graven, vermoedelijk behorend tot twee families, met daarnaast enkele meer verspreide graven. Rond 850 werd op dit grafveld een eerste kerkje gebouwd. Omdat kerk en grafveld zo nauw met elkaar verbonden lijken, wordt verondersteld dat ook het bijbehorende domein (waarop kerk en grafveld lagen) minstens even oud is en dus rond 800 al bestond. De centrale vraag is dan: hoe kwam dat domein tot stand?

Mogelijke oorsprong van het domein

Koningsgoed, bisschoppelijke stichting of privébezit

Er zijn geen directe historische bronnen over het ontstaan van het domein bij Emmen, daarom wordt gezocht naar vergelijkbare ontwikkelingen elders. Eén mogelijkheid is dat het domein teruggaat op koningsgoed: grond die de Frankische heersers na hun veroveringen in beslag namen en als eigen bezit behielden, of schonken aan kerkelijke instellingen of aan adel. Drenthe werd vermoedelijk tussen 772 en 785 in het Frankische rijk ingelijfd, in dezelfde periode als de onderwerping van de Saksen. Na dergelijke veroveringen kwam het vaker voor dat grote stukken land werden herverdeeld.

Directe schenking van de Duitse koning

Een schenking aan een klooster lijkt voor Emmen minder waarschijnlijk, omdat uit de omgeving geen kloosterbezit bekend is. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Sleen lag Emmen niet aan de ‘Werdense weg’, de route waarlangs het klooster Werden bezittingen en contacten had. Een tweede mogelijkheid is een directe schenking van de koning aan de bisschop van Utrecht, waarna de bisschop de eerste kerk stichtte. Zo’n scenario past bij het feit dat de bisschop in de Late Middeleeuwen zowel de hof als de kerk bezat. Er is ook een parallel met Groningen: daar schonk koning Hendrik III in 1040 een hofcomplex aan de Utrechtse kerk, terwijl de vroegste kerk in Groningen al rond 800 bestond en vermoedelijk eerder al in bisschoppelijke invloedssfeer lag. Een derde mogelijkheid is dat de koning het domein aan een privépersoon schonk (een vazal) als beloning voor steun bij de verovering, of dat de grond in handen kwam van lokale elites die hun positie wisten te behouden binnen het nieuwe Frankische systeem. Tegen een oorsprong als koningsgoed pleit dat er in en rond Emmen geen duidelijke aanwijzingen zijn voor koninklijk bezit, bijvoorbeeld via plaatsnamen of documenten. Dat sluit het niet volledig uit, maar maakt het volgens de tekst minder waarschijnlijk.

De rol van lokale elite en vroege kerstening

De tekst benadrukt dat er in Noord-Nederland in de achtste en negende eeuw een lokale elite bestond die grote landerijen bezat. Deze bovenlaag onderhield relaties met Frankische machthebbers en de Kerk, soms zelfs al vóór de officiële kerstening en inlijving. Juist deze elite bekeerde zich vaak vroeg tot het christendom en steunde missionarissen. Dat blijkt uit vroege schenkingen van land aan de Utrechtse kerk en aan kloosters die met de missie verbonden waren. Hoewel er geen documenten zijn die direct een grootgrondbezittende familie bij Emmen aanwijzen, is zo’n scenario niet uitgesloten. Als parallel wordt Vries (Noord-Drenthe) genoemd: daar schonk iemand in 820 een erfgoed met kerk en horigen aan het klooster Werden. Dat erfgoed bevatte dus een eigenkerk van een particuliere familie. Er is geopperd dat deze personen tot een Friese elite behoorden met banden richting Utrecht en de missionaire wereld.

Elite-landgoed bij Emmen

Ontwikkeling tot bisschoppelijk bezit
Op basis van de gegevens wordt een plausibel scenario geschetst voor Emmen. Mogelijk bezat een gegoede familie rond het einde van de achtste eeuw een landgoed ten zuiden van de jonge nederzetting Emmen. Na bekering tot het christendom begon deze familie haar doden te begraven op gewijde grond, in overeenstemming met de eisen van Kerk en overheid, en niet langer op traditionele heidense begraafplaatsen. In het begin kan dit een openlucht-begraafplaats zijn geweest. Later werd op of bij deze begraafplaats een klein kerkje gebouwd. Het is zelfs mogelijk dat de kerkstichter en enkele verwanten in of bij de kerk zijn begraven. Vanaf circa 850 zou vervolgens een echt kerkhof rond de kerk zijn ontstaan, waar ook de bewoners van de nabijgelegen nederzetting Emmen hun doden gingen begraven. Omdat deze kerk vermoedelijk de oudste kerk van het Zuidenveld was, kreeg zij waarschijnlijk een centrale functie als ‘seendkerk’ binnen het dingspel (bestuurlijke rechtskring).

Schenking van domein en kerk

Op een later moment kan de elitefamilie het domein en de kerk hebben geschonken aan de bisschop van Utrecht. Daarmee zou verklaard zijn waarom de bisschop in de Late Middeleeuwen zowel de hof als de kerk bezat. Deze interpretatie sluit goed aan bij eerdere conclusies uit de grafveld-analyse: de oudste graven lagen in opvallend dichte clusters, wat past bij een besloten familie-begraafplaats van aanzienlijke mensen. Als het grafveld van meet af aan bisschoppelijk bezit was geweest, zou je eerder een ‘gewoon’ kerkhof verwachten met rijenbegravingen van de hele bevolking. Het feit dat de graven juist in compacte familieclusters lagen, ondersteunt dus het idee van een privédomein van een elitefamilie dat later in kerkelijk bezit overging.