Direct naar de inhoud.

2e en 3e eeuw

Middeleeuws Emmen

Middeleeuws Emmen

Nieuwe inzichten in het ontstaan
De opgravingen in 1964 in en rond de Grote Kerk van Emmen hebben, in combinatie met archeologische, historische en historisch-geografische gegevens, geleid tot nieuwe inzichten in de ontstaansgeschiedenis van het dorp in de Vroege Middeleeuwen. Door verschillende bronnen en onderzoeksresultaten met elkaar te verbinden, ontstaat een nieuw beeld van de ontwikkeling van bewoning, kerk, grafveld en bestuurlijke betekenis van Emmen tussen de Romeinse tijd en het einde van de Middeleeuwen. Dankzij recente inventarisaties van archeologische vondsten is het mogelijk een overzicht te geven van de bewoningsgeschiedenis van Emmen. Opvallend is dat vondsten uit het begin van de Vroege Middeleeuwen en uit de Volksverhuizingstijd vooral voorkomen op plekken waar ook al sporen uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Daarom worden deze perioden vaak als één doorlopende fase beschouwd.

Ander beeld over bewoningsgeschiedenis vanaf de Romeinse tijd tot en met het einde van de Middeleeuwen

Romeinse tijd tot zesde eeuw

Intensieve bewoning op de essen

Vanaf de Romeinse tijd tot in het begin van de Vroege Middeleeuwen was er intensieve bewoning op de hoger gelegen delen van de Hondsrug, met name op de essen van Emmen en Noordbarge. Archeologisch onderzoek, vooral sinds de jaren negentig van de twintigste eeuw, heeft hier meerdere nederzettingssporen blootgelegd. Op een belangrijke locatie zijn de plattegronden van twaalf huizen aangetroffen, waarvan elf uit de Romeinse tijd dateren. Het jongste huis op deze plek stamt uit de Volksverhuizingstijd. Elders in het gebied zijn eveneens huisplattegronden uit de tweede en derde eeuw na Christus gevonden, evenals sporen uit de vijfde en zesde eeuw. In totaal blijkt dat de noord-zuid lopende hogere zone van de Hondsrug in deze periode op meerdere plaatsen intensief werd bewoond. Deze bewoning lijkt rond de zesde eeuw te eindigen. Daarna volgt een opvallende stilte in het archeologische bestand.

Zevende tot en met negende eeuw

Archeologische leegte, historische betekenis

Waar Emmen rijk is aan vondsten uit de eerste eeuwen na Christus, is het opvallend arm aan archeologisch materiaal uit de zevende, achtste en negende eeuw. De belangrijkste uitzondering is het grafveld onder de huidige Grote Kerk en de daaropvolgende bouw van een houten kerk, vermoedelijk rond 800–850. Mogelijk werd in deze periode ook de hof gesticht die in latere bronnen bekendstaat als de hof van de bisschop van Utrecht. Archeologisch onderzoek op het terrein van deze hof leverde echter geen vroegmiddeleeuwse vondsten op, maar het beperkte karakter van het onderzoek laat ruimte voor de mogelijkheid dat oudere sporen elders op het terrein aanwezig zijn. Ondanks het gebrek aan directe archeologische gegevens wordt aangenomen dat de kern van Emmen in de Vroege Middeleeuwen is ontstaan. Kadasterkaarten uit het begin van de negentiende eeuw tonen een zogenoemd ladderpatroon in de verkaveling van de dorpskern. Dit patroon, met rechthoekige blokken en haaks op elkaar staande wegen, is kenmerkend voor Drentse zanddorpen die in de vroege middeleeuwen ontstonden. Deze verkavelingsstructuur wordt vaak aangeduid als ‘Karolingische blokverkaveling’, hoewel ze mogelijk ouder kan zijn dan de Karolingische periode.

Verplaatsing van hogere delen Hondsrug naar lager gelegen zone

De bewoners van Emmen lijken zich in deze periode te hebben verplaatst van de hogere delen van de Hondsrug naar een iets lager gelegen zone. Dit past binnen een breder patroon in Drenthe, waarbij nederzettingen zich vestigden op iets vochtiger gronden, mogelijk vanwege betere mogelijkheden voor waterwinning en tuinbouw. Het akkerland (de es) bleef op de hogere delen liggen. Dat het grafveld en de kerk uit de eerste helft van de negende eeuw buiten deze oorspronkelijke dorpsstructuur liggen, wijst erop dat de nederzetting al bestond toen het grafveld werd aangelegd. De oude kern van Emmen moet daarom vermoedelijk zijn ontstaan tussen de zesde en de late achtste eeuw.

Tiende eeuw tot einde Middeleeuwen

Hernieuwde zichtbaarheid

Vanaf de tiende eeuw nemen de archeologische sporen weer toe. Zo werd ten zuiden van de kerk een vierkante kuil met veldkeien gevonden. Deze werd aanvankelijk geïnterpreteerd als kelder van een laatmiddeleeuws huis, maar mogelijk gaat het om de onderbouw van een spieker (opslaggebouw). Deze spieker kan in verband worden gebracht met het foreestrecht dat bisschop Balderik van Utrecht in 944 in Drenthe verkreeg. Dit recht hield in dat boeren voor het gebruik van woeste gronden belasting in natura moesten betalen – één mud graan per erf, de zogenoemde schuldmudde. Dit graan werd opgeslagen op plaatsen waar de bisschop een hof bezat. De spieker zou dus kunnen hebben gediend voor opslag van belastinggraan in de tiende tot twaalfde eeuw. Andere vondsten uit de periode rond en na het jaar 1000 zijn onder meer een hutkom, een huisplattegrond met waterput uit de twaalfde of dertiende eeuw en meerdere waterputten in de dorpskern. Deze wijzen op voortgezette bewoning in de Middeleeuwen.

Emmen in historische bronnen

Oudste schriftelijke vermelding 1139

Historische bronnen bevestigen en verduidelijken het archeologische beeld. Hoewel de nederzetting waarschijnlijk al vóór de negende eeuw bestond, wordt Emmen voor het eerst schriftelijk vermeld in 1139. In een oorkonde uit dat jaar worden hoeven in Emmen genoemd in verband met de bisschop van Utrecht. Hieruit blijkt dat de bisschoppelijke hof in Emmen toen al bestond. Bijzonder is dat Emmen niet voorkomt in een zestiende-eeuwse rentmeestersrekening waarin dorpen worden opgesomd op basis van het aantal te betalen schuldmudden. Mogelijk werd in Emmen de belasting direct via de bisschoppelijke hof geïnd. Rond 1300 telde Emmen volgens de marke-indeling 24 erven, wat een indicatie geeft van de omvang van het dorp in die tijd.

Emmen platgebrand in 1228

In 1228 werd ‘geheel Emmen’ platgebrand tijdens een strafexpeditie na de nederlaag van de bisschop bij Ane (1227). De kerk wordt in deze bron niet expliciet genoemd, maar het is aannemelijk dat ook zij schade heeft opgelopen. De kerk van Emmen wordt voor het eerst expliciet genoemd in 1327, wanneer de pastoor van Emmen optreedt als scheidsrechter in een conflict. In de veertiende eeuw was de kerk in bezit van de bisschop van Utrecht. Het patronaatsrecht – het recht om een pastoor voor te dragen – werd door de bisschop in leen uitgegeven aan adellijke families, zoals Van Peyse en later Van Steenwijck.

Seendkerk van het Zuidenveld?

Een belangrijke discussie betreft de vraag welke kerk de seendkerk (moederkerk) van het dingspel Zuidenveld was. Na de Frankische verovering werd Drenthe kerkelijk ingedeeld in parochies die samenvielen met bestuurlijke dingspelen. De eerste kerk in een parochie werd de seendkerk genoemd. Voor het Zuidenveld kwamen vooral Sleen en Emmen in aanmerking als mogelijke moederkerk. Eerder wezen sommige bronnen in de richting van Sleen. Archeologisch onderzoek in Sleen bracht echter slechts één houten voorganger en een twaalfde-eeuwse stenen kerk aan het licht. In Emmen daarentegen zijn drie opeenvolgende houten kerken aangetoond onder de latere stenen kerk. Dit wijst op een oudere en complexere kerkelijke geschiedenis. De kerk van Emmen lijkt daarom ouder dan die van Sleen en kan worden beschouwd als de oudste kerk van het Zuidenveld – en daarmee mogelijk als de seendkerk van het dingspel. Pas recent werd herontdekt dat de kerk van Emmen was gewijd aan Sint Pancratius. Deze heilige wordt vaak in verband gebracht met vroege kerkstichtingen. Ook in Diever is de kerk aan Sint Pancratius gewijd. Dit versterkt de indruk dat de kerk van Emmen een vroege en belangrijke stichting was in de kerstening van Drenthe.

Emmens vroege geschiedenis herzien

Nieuwe inzichten in bewoning, kerk en grafveld in de Vroege Middeleeuwen
Door archeologische gegevens, historisch-geografische structuren en schriftelijke bronnen te combineren, ontstaat een nieuw beeld van de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Emmen. De bewoning op de Hondsrug kende een lange continuïteit vanaf de Romeinse tijd tot in de zesde eeuw, gevolgd door een verschuiving naar een nieuwe nederzettingskern in de Vroege Middeleeuwen. Rond 800 werd ten zuiden van deze kern een grafveld aangelegd, gevolgd door de bouw van een houten kerk. Deze kerk ontwikkelde zich tot een belangrijk religieus centrum, mogelijk zelfs tot de moederkerk van het Zuidenveld. De aanwezigheid van een bisschoppelijke hof versterkte de bestuurlijke en economische betekenis van Emmen. Hoewel directe bronnen schaars zijn, wijzen de gecombineerde gegevens erop dat Emmen in de negende eeuw al een kerkelijk en mogelijk bestuurlijk centrum was. Daarmee blijkt Emmen een grotere rol te hebben gespeeld in de vroege middeleeuwse geschiedenis van Drenthe dan eerder werd aangenomen.