Direct naar de inhoud.

Emmen

Duizenden mensen vonden in en rond de kerk in Emmen de grafrust

Bij archeologisch onderzoek in 1964 in en rond de Grote Kerk van Emmen zijn sporen aangetroffen van een langdurig gebruik van het terrein als begraafplaats. In een periode van ongeveer duizend jaar vonden hier honderden, mogelijk zelfs duizenden mensen hun laatste rustplaats. Binnen de huidige kerk werden ruim 160 graven geïdentificeerd, terwijl in vier verkenningsputten buiten de kerk nog eens circa 30 graven werden aangetroffen. Daarnaast waren grote delen van het opgravingsvlak gevuld met zogenoemde ‘grafgrond’: grond die was verstoord door het herhaaldelijk openen en hergebruiken van oudere graven voor nieuwe begravingen. Om structuur aan te brengen in deze grote hoeveelheid graven werd een systematische analyse uitgevoerd. Alle graven bleken in principe west-oost georiënteerd te zijn, met uitzondering van enkele graven in één verkenningsput die iets afweken. Zowel binnen als buiten de kerk kwamen graven voor met en zonder kist, en met en zonder skeletresten. Op basis van ligging, oriëntatie of wijze van begraven konden geen duidelijke sociale of chronologische groepen worden onderscheiden. Wel viel een specifieke groep graven op door de aanwezigheid van bijgaven (grafgiften), die vrijwel allemaal gedateerd konden worden in de periode 750–850 na Christus.

Meer dan 1000 jaar begraafgeschiedenis in Emmen

Chronologie van het grafveld

Om de chronologie van het grafveld beter te begrijpen, werd gebruikgemaakt van een zogenoemde Harrismatrix, waarin de onderlinge oversnijdingen van graven werden vastgelegd. Door vast te stellen welk graf ouder of jonger was op basis van verstoringen, kon een relatieve chronologie worden opgesteld. Deze werd vervolgens gekoppeld aan de opeenvolging van de verschillende kerkgebouwen op het terrein. Zo kon een globale absolute datering worden vastgesteld: graven onder de muren van de stenen kerk moesten ouder zijn dan dat gebouw, terwijl graven binnen de stenen kerk tot de jongste fase behoorden.

De oudste groep

Graven met bijgaven ca 750-850

De oudste herkenbare groep bestaat uit 31 graven, waarvan 16 met bijgaven. De meeste overledenen lagen in houten grafkisten, in rugligging met het hoofd aan de westzijde. De oriëntatie wijkt licht af van de latere kerkoriëntatie. Op basis van de lengte van de grafkisten kon een inschatting worden gemaakt van de leeftijd van de overledenen. Ongeveer veertig procent stierf vóór het bereiken van de volwassenheid. Toch lijkt het aantal kindergraven ondervertegenwoordigd, gezien de hoge kindersterfte in de Middeleeuwen. De bijgaven bestaan vooral uit messen, gespen en andere persoonlijke voorwerpen die aan de gordel of in een tas werden gedragen. Opvallend zijn twee bronzen sleutels, een naaldenkoker en een sierschijf uit graf 110, vermoedelijk het graf van een vrouw. Een tweede sleutel werd gevonden in het graf van een jong meisje. Sleutels in graven hebben waarschijnlijk een symbolische betekenis. Zij kunnen verwijzen naar de rol van de vrouw als beheerder van huishouden en bezit, maar ook naar huwelijk, vruchtbaarheid of religieuze ideeën. In christelijke iconografie symboliseert de sleutel de toegang tot de hemel. Dat betekent echter niet automatisch dat de overledenen christen waren. Het kan ook duiden op culturele invloed vanuit het Frankische rijk. Andere bijzondere vondsten zijn kralen in een peutergraf en bronzen gespen in andere graven. Opmerkelijk is dat zelfs zeer jonge kinderen soms een mes meekregen in het graf.

Structuur van het grafveld

Generaties van dezelfde families begraven

Binnen de oudste groep zijn drie clusters van graven te onderscheiden. Dit wijst mogelijk op familiepercelen, waar generaties lang dezelfde families werden begraven. In cluster twee zijn drie ‘generaties’ te herkennen, wat erop wijst dat deze plek circa 50–75 jaar in gebruik is geweest. De meest bijzondere vondsten, waaronder de sleutels, komen uit de jongste fase van dit cluster. De dichtheid van de graven in clusters één en twee is opvallend. Voor grafvelden uit de achtste en negende eeuw is zo’n opeenstapeling ongebruikelijk; meestal liggen graven in rijen. De concentratie suggereert dat de clusters mogelijk omheind of anderszins afgebakend waren. Dit wijst erop dat het grafveld mogelijk toebehoorde aan families van aanzien, die hun sociale status wilden benadrukken door een exclusieve begraafplaats. Door steeds op dezelfde plek te begraven, werd bovendien de band met de voorouders versterkt.

Graven van intermediaire ouderdom

De tweede groep bestaat uit graven zonder bijgaven die chronologisch tussen de oudste graven en de jongste (stenen kerkfase) liggen. Deze graven bevinden zich vaak onder muren van de stenen kerk of buiten de houten voorgangers ervan. De datering is minder precies vast te stellen. Eén graf bevatte Pingsdorfaardewerk uit de tiende tot twaalfde eeuw, wat een globale indicatie geeft. In sommige zones is het moeilijk onderscheid te maken tussen intermediaire en jongste graven, omdat het terrein eeuwenlang als kerkhof in gebruik is geweest. Toch wijst de stratigrafie erop dat deze groep behoort tot de periode tussen de oudste begraafplaats en de bouw van de stenen kerk.

De jongste graven

De jongste graven bevinden zich vooral in het koor en het schip van de stenen kerk. In het koor lagen twee rijen van ongeveer zes graven, die herhaaldelijk werden geopend en opnieuw gebruikt. Dit duidt waarschijnlijk op familiegraven. Sommige graven bevatten fragmenten van gebrandschilderd glas uit de zestiende of zeventiende eeuw, wat wijst op gebruik in de Late Middeleeuwen en daarna. Dieper in het koor zijn graven gevonden met grote ronde gespen uit de Late Middeleeuwen en fragmenten van vensterglas. Deze lagen dicht bij het altaar en kunnen toebehoren aan geestelijken of andere vooraanstaande personen. Buiten de kerk werden eveneens talrijke graven aangetroffen, zonder bijgaven en steeds west-oost georiënteerd. Op basis van het ontbreken van grafgiften worden deze na circa 850 gedateerd.

Kerstening en veranderingen in grafritueel

West-oost begraving als nieuw ritueel

De interpretatie van het grafveld moet worden geplaatst in het kader van de kerstening van Drenthe. Missionaris Willehad was rond 780 actief in de regio. Hoewel het verloop van de kerstening niet precies bekend is, staat vast dat rond 800 het christendom vaste voet kreeg. In de achtste eeuw vond een belangrijke verandering plaats in de graforiëntatie: van zuid-noord naar west-oost. Deze verandering hangt samen met Frankische invloed en ging zelfs vooraf aan de volledige kerstening. Een west-oost gericht graf is dus niet automatisch christelijk. In dezelfde periode veranderde ook het gebruik van bijgaven. Tussen 750 en 850 verdween geleidelijk de gewoonte om grafgiften mee te geven. Eerst verdwenen wapens en ruiteruitrusting; messen, gespen en kralen bleven het langst in gebruik. Het grafveld van Emmen past waarschijnlijk in deze laatste fase. Onder invloed van kerk en Frankische overheid werd begraven bij een kerk gestimuleerd. In wetten van Karel de Grote werd voorgeschreven dat christenen op gewijde begraafplaatsen moesten worden begraven. Hierdoor raakten traditionele heidense grafvelden buiten gebruik.

Heidens of christelijk?

De vraag is of het oudste grafveld van Emmen een voortzetting was van een heidense begraafplaats of een vroege christelijke begraafplaats. Omdat uitsluitend west-oost georiënteerde graven zijn gevonden en geen oudere zuid-noord gerichte graven, lijkt het onwaarschijnlijk dat hier een oud heidens grafveld lag. Bovendien dateren de bijgaven uit de latere fase (eerste helft 9e eeuw). Dit wijst erop dat het grafveld waarschijnlijk al christelijk was. De sleutels, waarvan één met kruisversiering, kunnen wijzen op christelijke symboliek en mogelijk op elitefamilies die het christendom aanhingen.

Grafveld en eerste kerk in Emmen

Samenhang tussen vroege begravingen en de eerste houten kerk
Een belangrijk inzicht is dat een van de grafclusters grotendeels samenvalt met de plattegrond van de eerste houten kerk. De oriëntatie van deze graven komt overeen met die van de kerk, maar wijkt iets af van latere kerkfasen. Dit suggereert een direct verband. Waarschijnlijk bestond eerst het grafveld en werd vervolgens de eerste houten kerk over een deel ervan gebouwd. Mogelijk wilde men daarmee het grafveld wijden of er een officieel christelijk karakter aan geven. Binnen cluster 2 zijn drie generaties te onderscheiden. Mogelijk werden de eerste twee generaties begraven op een gewijde plek in de open lucht. Daarna werd een kerk gebouwd, en de laatste generatie – mogelijk de stichtersfamilie – werd in de kerk zelf begraven, op een prominente plaats bij het altaar. Tot deze laatste groep behoren: een jong meisje met een sleutel als grafgift, een vrouw met sleutel, naaldenkoker en sierschijf, een uitzonderlijk lange man (ca. 2 meter), mogelijk het hoofd van de familie en een kind van 4 à 5 jaar met een mes. Deze prominente begravingen ondersteunen de hypothese dat het hier gaat om een vooraanstaande familie die betrokken was bij de stichting van de eerste kerk.

grafvondsten in Emmen

Graven rond de kerk

Het archeologisch onderzoek onder de Grote Kerk van Emmen toont een continu gebruik van het terrein als begraafplaats vanaf de eerste helft van de negende eeuw tot in de Late Middeleeuwen en daarna. Het oudste grafveld dateert waarschijnlijk uit de vroege christelijke periode en vertoont kenmerken van een elitebegraafplaats. De bouw van de eerste houten kerk lijkt direct verbonden met dit grafveld, mogelijk als initiatief van een invloedrijke familie. Het grafveld van Emmen vormt daarmee een belangrijk voorbeeld van de overgang van heidense naar christelijke grafrituelen in Drenthe en illustreert hoe lokale elites een rol speelden in de vroege kerstening en kerkstichting in Noord-Nederland.