Hardenberg

Kasteel Hardenberg
Ten westen van Nijenstede
In 1230 bouwde de Utrechtse bisschop Wilbrand van Oldenburg even ten westen van het stadje Nijenstede het kasteel Hardenberg op een rivierduin langs de Vecht. Dit kasteel werd aan de noord- en westzijde afgeschermd door de rivier en aan de overige zijden door een gegraven slotgracht. Voor de bisschop was het kasteel een belangrijke versterking, want zijn vijand Rudolf van Koevorden – die in 1227 de vorige bisschop had verslagen in de slag bij Ane – had in 1229 het kasteel van Coevorden weer in bezit gekregen. Om de bouw van het slot Hardenberg mogelijk te maken ontving de bisschop financiële hulp van de burgers van Zwolle en als dank voor hun bijdrage schonk de bisschop in augustus 1230 de plaats Zwolle stadsrechten. In 1233 werd in een oorkonde de ridder Wenemarus van Hardenberch genoemd. Waarschijnlijk was hij de kastelein van het nieuwe kasteel.
Bisschoppelijke versterking om Coevorden te bedwingen
Bouw van een nieuwe burcht 1354
Bisschop Jan van Arkel verving in 1354 het slot door een nieuwe burcht. Vier jaar later liet hij de kasteelheuvel afvlakken waardoor er ruimte ontstond voor de bouw van een ovalen stenen muur om het kasteel heen, met torens en blokhuizen. De zo ontstane vesting had een afmeting van 125 bij 60 meter. Dit bleek groot genoeg om ruimte te bieden aan bewoning en er verhuisden steeds meer inwoners vanuit Nijenstede naar de veilige vesting Hardenberg, waardoor er binnen de vestingmuren een nieuw stadje ontstond, het latere Hardenberg. In 1386 zou bisschop Floris van Wevelinkhoven het kasteel laten verbouwen tot een aangename residentie. Tevens bouwde hij een nieuwe ringmuur rondom de bestaande vesting, waardoor Hardenberg een oppervlak van 165 bij 135 meter kreeg. Hij kon dit alles betalen dankzij verbeurd verklaarde goederen van opstandige Friezen. De bisschop zou in 1393, op Goede Vrijdag, op het kasteel komen te overlijden.
Het verdwijnen van de vesting
Overbodig geworden verdedigingswerk
In de vijftiende eeuw werd Hardenberg niet meer als grensvesting vermeld, in tegenstelling tot de kastelen Arkelstein, Coevorden en Holten. Waarschijnlijk was de vesting Hardenberg overbodig geworden vanwege het nabijgelegen Coevorden en de verdedigingswerken bij Venebrugge en Brucht. Wel diende Hardenberg nog als verblijfplaats voor de bisschop. In 1462 en 1470 verpachtte bisschop David van Bourgondië zowel het kasteel als de tol van Hardenberg. Er kwam in 1518 een einde aan het slot toen bisschop Filips van Bourgondië de opdracht gaf om het te slopen. Ook de als stadsmuur fungerende vestingmuur moest er aan geloven: deze werd in hoogte gehalveerd, om in 1523 alsnog te worden afgebroken. Overigens zou er in 1573 nog wel een deel van de muur overeind hebben gestaan.
Restanten van stadsmuur ontdekt 1959
In 1959 kwam bij bouwwerkzaamheden aan het postkantoor een deel van de vestingmuur tevoorschijn. Het bleek niet mogelijk om de aangetroffen muur te behouden, maar na het afbreken van twee bouwvallige huisjes werd een aangrenzend deel van de muur blootgelegd en in de jaren 1961-1962 gerestaureerd. Sinds 1973 is deze dertien meter lange muur een rijksmonument. De muur is opgetrokken met blokken ijzeroer, afkomstig uit het Vechtdal. Van de muur is alleen de kern van onbehakte blokken steen behouden gebleven: het gladde buitenwerk van behakte blokken is verdwenen. Bij de restauratie is dit buitenwerk overigens opnieuw aangebracht met nieuwe blokken ijzeroer. De ouderdom van de muur wordt geschat op de veertiende eeuw. Zowel Jan van Arkel als Floris van Wevelinkhoven kunnen de bouwheer zijn geweest. Ook nadien zijn nog delen van de muur aangetroffen, zoals in 2019 en 2020.
Stadsrechten voor Hardenberg
Rechten gingen over van Nijenstede 1362
De Utrechtse bisschop Jan van Arkel zette in 1362, op de zondag na St. Lambertusdag, de oude rechten en privileges van Nijenstede over naar de nieuwe nederzetting Hardenberg en verleende haar tevens stadsrechten. In de akte van stadsrechten verklaart de bisschop een sterkte te hebben gebouwd in Herdenberch: ‘dat wi […] ene veste getimmert hbbhen ten Herdenberch’. Hij vernieuwt alle stadsrechten die door zijn voorgangers aan Nijenstede zijn verleend en verlegt deze naar Herdenberch, binnen de veste. Bovendien geeft hij aan de (huidige of toekomstige) inwoners dezelfde rechten als de Zwollenaren bezitten: ‘Ende hebben alsulc vriheit ende statrecht als onse voervadere Bisscope Tutrecht dien god ghenedich si tot Niensteden ghegheven ende gheleghet hadden, vernuwet ende verleghet ten Herdenberch binnen der veste voerscreven. Ende gheven voer ons ende voer onse nacomelinghe bisscope Tutrecht allen den burgheren die binnen den Herdenberch nu wonachtich zijn, oft namaels wonen zullen inder tijt al recht ende vriheit also als onse stat van zwolle van onsen voervaderen, ende van ons heeft, mit anders sulken punten als hier na bescreven staet.’
Rechten op week- en jaarmarkten
De burgers kiezen de schepenen die tevens het keurrecht krijgen: ‘Voert willen wy dat die borghere al Jaer up sinte Peters dach ad Cathedram Schepene kiesen ende eeden, ende waer dat zake dat den meere deel van den borgheren dochte dat die Schepene oft enich van den schepenen onser stat nutter waren ghehouden langher dan een Jaer, so moghen si al Jaer die selve weder in kiesen die hem daer toe nutte dunken wesen, ende die andere sullen ontset wesen wanneer hoer een Jaer wt is daer si to ghecoren waren.’ Ook wordt het recht op een weekmarkt (op woensdag) en vier jaarmarkten verleend: ‘Voert sullen si al woensdaghe weeke marct hebben. Voert gheve wy hum Jaerlix vier vrye Jaermarct. Die yerste sal wesen op Sinte Ghierden dach te halve merte. Die andere des Sonendaghes voer Sinte Walburghen dach. Die derde op Sinte Peters dach ad vincula. Die vierde op Sinte Victoers dach inde hervest. Ende die vriheyt van den marcten sal duren achte daghe voer ende achte daghe na. Ende die crame zullen vier daghe staen nae elken dach voerscreven.’
Hulp en afdrachten aan de bisschop
Wel moeten de burgers van Hardenberg de bisschop helpen tegen vijanden: ‘Voert zullen die ghemeyne burghere van den Herdenberch onse lant helpen beschermen ende onse viande weren ende ons dienen in onse orloghen nae hoere bester macht behoudelix dat die stat ten Herdenberch wael bewaert blive.’ En uiteraard moet er belasting worden afgedragen: ‘Voert zullen die burghere van den Herdenberch ons ende onse nacomelinghen Jaerlix onse bede betalen also als die burghere van Niensteden van ouds te betalen plaghen. Ende daer mede sal al der burghere goet ten Herdenberch si zijn hoerachtig ofte vry ofte te wat rechte dat si ons oft yemant hoeren moeghen, roerende oft onrorende, dat si binnen der vesten hebben quyt ende vri wesen van alre onrechter bede ofte scattinghe, behoudelix ons ende aller mallic anders als rechts van onsen oft horen hoerachteghen luden.’ De burgers en keuters moeten verder jaarlijks een erfpacht afdragen aan de bisschop: ‘Voert want al die burghere van den Herdenberch op onse eyghen erve sitten ende wonachtich sijn ende onse koeters sijn ende ons daer Jaerlix enen erfpacht af gheven, so gheven wy hum ende waren si vn onser weghen, te water, te weyde, te turve, ende te twn houte in allen marken die op der Vecht stroem ligghen ofte daer bi daer wi in ghewaert sijn.’
Kerk verhuisde van Nijenstede naar Hardenberg
De kerspelkerk wordt verplaatst van Nijenstede naar Hardenberg: ‘Voert sal die kerspelkerke mit hoeren to behoren die te Niensteden was, voertmeer binnen den Herdenberch wesen. Ende men sal al die doden daer brenghen ofte begaen. Ende voert opt oude kerchof te Niensteden graven tot alre tijt als men van noetsweghen to brenghen mach.’ Twee jaar later gaf keizer Karel IV toestemming om in Hardenberg een tol te vestigen. Met de tolopbrengsten kon de vesting van Hardenberg – die de grenzen van Overijssel bewaakte – worden onderhouden. Volgens berichten uit kronieken bouwde bisschop Floris van Wevelinchoven in 1386 een nieuw slot te Hardenberg: ‘Dese bisschop Florens […] dede tymmeren te Hardenberch een casteel van stene, een toern ende slaepcamer, ende een groote stallaedse wel van tweehondert peerden. Hij dede Herdenberch ende Ommen alomme mueren mit stenen’.
Stadsmuur
Restanten uit de 14e eeuw
Op 24 september 1959 kwam bij bouwwerkzaamheden aan het postkantoor een deel van de vestingmuur van Hardenberg tevoorschijn. Het bleek niet mogelijk om de aangetroffen muur te behouden, maar na het afbreken van twee bouwvallige huisjes werd een aangrenzend deel van de muur blootgelegd en in de jaren 1961-1962 gerestaureerd. Sinds 1973 is deze dertien meter lange muur een rijksmonument. De muur is opgetrokken met blokken ijzeroer, afkomstig uit het Vechtdal. Van de muur is alleen de kern van onbehakte blokken steen behouden gebleven: het gladde buitenwerk van behakte blokken is verdwenen. Bij de restauratie is dit buitenwerk overigens opnieuw aangebracht met nieuwe blokken ijzeroer. De ouderdom van de muur wordt geschat op de veertiende eeuw. Zowel Jan van Arkel als Floris van Wevelinkhoven kunnen de bouwheer zijn geweest.

Voormalige stadsmuren Hardenberg
In april 2020 werd bij sloopwerkzaamheden in de Voorstraat te Hardenberg muurwerk aangetroffen. Dit muurwerk heeft waarschijnlijk deel uitgemaakt van de middeleeuwse stadsverdediging van Hardenberg. Op basis van baksteenformaten en metselverband is de muur te dateren in de late veertiende tot vroege zestiende eeuw. Mogelijk heeft de muur deel uitgemaakt van de stenen ommuring, die bisschop Floris van Wevelinckhoven in 1386 liet aanleggen. De muur lijkt in het talud aan de binnenzijde van een reeds eerder aangelegd stadsgracht te zijn gezet. Als deel van de ommuring van de stad zal het bovengrondse deel van de muur afgebroken zijn toen de stad in 1518 werd ‘ontvest’. De gracht, die volgens de kaart van Jacob van Deventer rond 1560 nog open lag, lijkt gedurende de Tachtigjarige Oorlog, waarschijnlijk in het eerste kwart van de zeventiende eeuw te zijn gedempt.


Einde kasteel en stadsmuren
Na het overlijden van bisschop Floris van Wevelinchoven in 1393 vinden we het slot Hardenberg niet meer vermeld onder de belangrijke grensversterkingen. De bisschoppen onderhielden aan het begin van de vijftiende eeuw twee verdedigingswerken aan op korte afstand van Hardenberg: de ‘berchvrede’ te Venebrugge aan de weg naar de graafschap Bentheim en de ‘berchvrede die Slynghe’ aan de Vecht bij de buurtschap Brucht. Toch bleef het een verblijfplaats voor de bisschop, o.a. in 1450. Bisschop David van Bourgondiën verpachtte het slot en de tol van Hardenberg in 1462 en 1470. In 1497 werd Hardenberg geteisterd door een stadsbrand. In 1518 werden Hardenberg, Ommen en de kleine steden van Twente ontmanteld. ‘Ten Hardenberch bleeft staende die mure omtrent halver hoogte, maer int jaer 1523 werde dat overblijfsel der zelver van die Gelderschen ende Drentekers ondergraven ende ter gronde nedergeworpen’. Waarschijnlijk is ook het slot in diezelfde tijd ten gronde gegaan. In 1708 werd een groot deel van Hardenberg opnieuw door een brand verwoest.
