Direct naar de inhoud.

Zwartewater

Zwartewaterklooster

Bidden voor het zielenheil
Er zijn maar weinig Nederlandse Benedictijnenkloosters waarvan zo’n duidelijke stichtingsgeschiedenis bekend is als die van Zwartewater. Het ontstaan van het klooster hangt samen met de spanningen tussen regionale machthebbers en hun onderdanen. Het gebied waarin Zwartewater later gevestigd was, behoorde in de dertiende eeuw tot het Sticht Utrecht. Utrechtse bisschoppen probeerden hun gezag politiek en economisch te versterken, wat in grensgebieden tot weerstand leidde. Als belangrijke voorgeschiedenis is de verkiezing van bisschop Dirk van Ahr in 1197, die het Sticht politiek en economisch wist te herstellen. In dezelfde beleidslijn werkte Otto II van Lippe, bisschop van 1215 tot 1227. Otto raakte echter in conflict met de Drenten. In Drenthe had de burggraaf van Coevorden een bijna zelfstandige machtspositie opgebouwd en hij wilde die behouden. Deze burggraaf zocht steun bij de Gelkingen, een partij in Groningen die eveneens tegen de bisschop was.

Gesticht in opdracht van bisschop Wilbrand van Oldenburg

De stichting van Zwartewater

Politieke context en aanleiding

Otto II besloot met militaire middelen zijn gezag te herstellen en trok met een groot leger naar Drenthe. Hij werd daarbij gesteund door invloedrijke edelen, waaronder Gerard IV van Gelre en Gijsbrecht van Amstel, en ridders uit omliggende gebieden (Holland, Gelre, Kleef, en de bisdommen Münster en Keulen). De bisschop leidde de expeditie persoonlijk en trok richting Coevorden, waar de tegenpartij zich had opgesteld. De veldslag eindigde in een ramp: het bisschoppelijke leger werd in de moerassen bij Ane, vlak voor Coevorden, vernietigd. Otto sneuvelde; meerdere edelen raakten gevangen. De datum wordt precies genoemd: 28 juli 1227. Het was duidelijk dat het conflict niet bij deze slag zou blijven. De opvolger van Otto moest vooral iemand zijn die de Drenten kon straffen en politiek-militair kon optreden. Daarom viel de keuze op Wilbrand van Oldenburg, voormalig domproost van Utrecht en toen al bisschop van Paderborn. Wilbrand wordt getypeerd als zowel bekwaam militair als ervaren politicus. Na zijn bevestiging trad Wilbrand hard op tegen Drenthe en bracht het gebied tot onderwerping. Binnen een jaar waren Otto’s dood en de nederlaag gewroken. Een van de vredesvoorwaarden die Wilbrand oplegde, was dat de Drenten een klooster zouden stichten met een dotatie van vijfentwintig prebenden, bedoeld als zieleherdenking (zielenheil) voor Otto en de andere gesneuvelden.

Was Zwartewater het ‘Drentse klooster’

Vredesvoorwaarde van bisschop Wilbrand

Is het klooster dat Wilbrand als vredesvoorwaarde eiste inderdaad gesticht, en is dat klooster identiek aan Zwartewater? Professor Niermeyer meent dat het klooster aanvankelijk in Hardenberg gesticht werd en later naar Zwartewater is verplaatst. Hij baseert zich op een bron waarin de vredesvoorwaarde wordt vermeld. Maar de auteur benadrukt dat deze bron slechts de verplichting noemt en niets zegt over de feitelijke bouwplaats, noch over een latere verplaatsing. Daarbij komt een belangrijk argument: in Wilbrands eigen stichtingsoorkonde van Zwartewater wordt die Drentse verplichting nergens genoemd. Integendeel, Wilbrand presenteert de stichting alsof zij volledig van hemzelf is uitgegaan en in essentie zijn eigen werk was. Daarom lijkt de verplaatsingstheorie onwaarschijnlijk. Het lijkt plausibeler dat Wilbrand het klooster op eigen initiatief tot stand bracht, mogelijk juist omdat de Drenten hun beloften niet nakwamen en de oorlog doorging. In dat geval was de stichting slechts zijdelings verbonden met het eerste vredesverdrag, niet de directe uitvoering ervan.

Klooster ‘Mariënberg’

Wilbrand geeft het klooster de naam Mariënberg. Sommigen zouden op basis van die naam kunnen denken aan de plaats Mariënberg bij Hardenberg, maar de tekst waarschuwt dat dit geen sluitend bewijs is. Bovendien lag het beoogde klooster uit het vredesverdrag volgens de overeenkomst op de plaats van de nederlaag, terwijl ‘Mariënberg’ daar niet mee samenvalt. De naam klinkt wel enigszins ‘vreemd’ in de streek rond Hasselt, wat de twijfel voedt, maar ook dat blijft te vaag. Wat wel vaststaat is dat het klooster in 1244 al op de plek stond waar het historisch bekend is (dus bij Hasselt). Daarom is de conclusie dat het stichtingsverhaal zoals het in de stichtingsoorkonde wordt verteld, het best als uitgangspunt kunnen nemen.

De stichtingsoorkonde: inhoud en betekenis

Stichting op 21 juli 1233

Van de stichtingsoorkonde bestaan twee versies, een korte en een lange, beide gedateerd 21 juli 1233. De korte is waarschijnlijk een samenvatting van de lange. Hoewel de oorkonde veel kenmerken van een officiële stichtingstekst heeft, ontbreken er ook elementen: zij is niet opgesteld op de plaats van de gebeurtenis, maar in Deventer, en de bisschop zelf was niet bij de kerkwijding aanwezig. Die werd verricht door een wijbisschop, Herman van Leal of Dorpat (Estland). Dit wijst erop dat de tekst achteraf is geformaliseerd. De datum 21 juli 1233 is daardoor waarschijnlijk niet de ‘feitelijke’ stichtingsdag, maar wel een moment waarop de stichting officieel werd vastgelegd.

Mons sancte Marie

Bisschop Wilbrand vertelt dat hij in Salland een nieuw klooster heeft gesticht, Mariënberg genoemd (‘Mons sancte Marie’), toegewijd aan Maria en Maria Magdalena. Met de stichting beoogt hij vergeving voor zijn eigen zonden en wil hij bijdragen aan de zielerust van Otto en alle strijders die in de moerassen bij Coevorden en in latere gevechten (Steenwijk, Bakkeveen, Nutspete/Mitspete) zijn gesneuveld. Een geciteerde Latijnse formulering laat zien dat Wilbrand de gesneuvelden ziet als trouwe verdedigers van de Utrechtse kerk en hun dood als verdienstelijk beschouwt. De materiële basis van het klooster bestaat uit meerdere schenkingen. Het domein waarop gebouwd wordt (‘fundus’) is geschonken door Rodolf Lefman van Kotten. De omwonenden stemmen in met de stichting en schenken veertien hoeven. Wilbrand zelf schenkt de tienden die hem uit het veen toekwamen. De auteur merkt op dat, gezien deze concrete bijdragen, men zich kan afvragen hoeveel er nog overbleef van een eventuele Drentse dotatie: de stichting lijkt in elk geval in hoge mate door bisschop en lokale omgeving gedragen.

Bisschoppelijke privileges

Daarnaast verleent Wilbrand privileges: hij neemt de gemeenschap onder bescherming, verleent begrafenisrecht en een eigen begraafplaats (ook voor buitenstaanders mits toestemming van hun eigen pastoor), en geeft de priesters van het convent biecht- en rechtspraakbevoegdheid voor wie tot de ‘familia’ van het klooster behoort. Opmerkelijk is dat de oorkonde niets zegt over het aantal prebenden, terwijl sommige andere teksten dat wel doen. De oorkonde noemt veel getuigen, wat het officiële karakter versterkt.

Een klooster van nonnen met proost en priesters

Wat de bewoners betreft: Wilbrand spreekt van ‘monialen’ (nonnen) van de orde van Sint-Benedictus, met daarnaast een proost (‘prepositus’) en priesters. Dat betekent niet automatisch een dubbelklooster (met monniken en nonnen als gelijkwaardige gemeenschap), zoals bij het naburige Dikninge. De nonnen zijn de eigenlijke bewoonsters; proost en priesters functioneren vooral als kapelaans voor sacramenten en pastorale zorg. Zij leggen wel professie af, maar hun monastieke leven is beperkt. Een pauselijke oorkonde van Innocentius IV uit 1245 spreekt wél over een abt en monniken, maar dat wordt verklaard als een kanselarijtekst met standaardformules die niet precies op Zwartewater toegesneden is. Men hoeft dus geen interne omwenteling te veronderstellen.

Een bisschoppelijk eigenklooster

Alles bij elkaar wekt de indruk dat de stichting vooral Wilbrands werk was, met steun van de omwonenden. Dat maakt het aannemelijk dat Zwartewater in feite een bisschoppelijk eigenklooster was. In latere eeuwen grijpen Utrechtse bisschoppen namelijk herhaaldelijk in, terwijl contact met de orde schaars is en visitatoren soms niet eens worden toegelaten – een situatie die aan Dikninge doet denken. Als aanvullende aanwijzing voor bisschoppelijke betrokkenheid wijst de tekst op latere bevestigingen en beschermingsdocumenten: paus Benedictus XII verleent in 1338 aflaten om het klooster financieel te steunen; het concilie van Bazel stelt in 1434 hoge geestelijken aan als conservatoren. Maar de werkelijk effectieve steun kwam van de eigen Utrechtse bisschop, die herhaaldelijk rechten en bezittingen confirmeerde (onder meer in 1241, 1323 en 1396) en in 1255 de geestelijkheid van Hasselt opdroeg het klooster niet te hinderen in parochiale bedieningen in Rouveen. De bisschoppen hielden dus een waakzaam oog op dit klooster en gaven het vermoedelijk een bijzondere positie.

Het einde

Interne spanningen en economische druk

Het einde van het Zwartewaterklooster valt in de zestiende eeuw. Over deze eeuw zijn slechts losse gegevens bekend, maar zij passen in een algemeen patroon: er is geen totale verloedering, maar ook geen intens geestelijk elan. In de loop van de eeuw zet een ongunstige ontwikkeling in, al blijven de overlevenden tot het einde volhouden. In 1527 ontstaat een conflict tussen de oude proost Johan van Griethuysen en de nieuwe proost Hendrik Zugeroede. De bisschop van Utrecht stelt geestelijken en edelen uit Overijssel aan als scheidsrechters. De oplossing: omdat de nonnen de oude proost niet in het convent willen onderhouden, moet het convent hem elders onderbrengen (bij een pastoor of andere geschikte plaats) en hem jaarlijks veertig Rijnse goudguldens betalen. De oude proost moet op zijn beurt alle registers, sleutels, brieven en het conventszegel overdragen aan de nieuwe proost, evenals alles wat bij de proosdij hoort. Ook moet er een volledige inventaris van alle bezittingen worden opgesteld, waarvoor de oude proost verantwoordelijk wordt gemaakt. Het akkoord zou aan de bisschop ter goedkeuring worden voorgelegd.

Uittreding uit het klooster

Kort daarna verschijnen tekenen des tijds: een non, Henrica Bomens, die als kind aan het klooster was opgedragen, vraagt in Rome ontslag van haar geloften, met als argument dat zij die onder dwang heeft afgelegd. In 1537 krijgt de officiaal van Utrecht opdracht de zaak te onderzoeken, de overste te horen en te beslissen of zij het klooster mag verlaten en mag trouwen en erven. In 1540 meldt de deken van de Dom dat het onderzoek is uitgevoerd, maar de uitkomst blijft onduidelijk. In dezelfde periode wordt de pastoor van Avereest afgezet wegens wangedrag. De tekst benadrukt dat zulke gevallen op zichzelf nog geen bewijs van decadentie zijn, maar dat eerdere problemen (al eind vijftiende eeuw) en hervormingspogingen, plus de proostentwist van 1527, erop wijzen dat er structureel spanning en tekortschietende discipline kan zijn geweest. Daarbovenop verslechtert de economische situatie: in de tweede helft van de zestiende eeuw vraagt het klooster de Staten van Overijssel om hulp. Men klaagt over jaarlijkse bijdragen aan het gewest, groeiende schulden, schade door overvallen en requisities van soldaten en specifieke verliezen in Hasselt. Dit alles wordt gezien als een typisch verschijnsel van de tijd: ook al is de Hervorming nog niet “binnen de grenzen”, de gevolgen zijn al merkbaar.

Opheffing

Na 1579 wordt geen proost meer genoemd. In 1580 volgt in Overijssel de ommekeer die leidt tot opheffing en sluiting van kloosters. Het is niet duidelijk of de religieuzen direct vertrekken, maar in 1582 bevinden zij zich in Hasselt: dertien vrouwen, met dertien dienstmeiden en knechten. In 1588 huren zij een deel van het Maagdenklooster in Hasselt. Daar wonen de overlevenden nog tientallen jaren samen. Hun goederen worden beheerd door een rentmeester onder toezicht van ridderschap en steden; in 1589 legt hij rekening af, waarbij het convent hem nog een aanzienlijk bedrag schuldig is.

Afname van stiftsjuffers

Het aantal jufferen neemt geleidelijk af. De laatste priorin wordt nog in 1619 genoemd, wanneer zij de collatie verleent aan een nieuw beroepen predikant in Rouveen – een teken dat oude rechten soms nog doorwerken in de nieuwe kerkelijke situatie. In 1625 is voor het eerst sprake van niet-katholieke stiftsjuffers. De tekst verklaart dit als een geleidelijke, geweldloze overgang, vergelijkbaar met Weerselo. Omdat de vrouwen vaak van adel of uit de hogere burgerstand kwamen, werden zij ontzien. Voor de ridderschap speelde een dubbel motief: men wilde geen harde maatregelen tegen vrouwen uit eigen kring en men wilde tegelijk de inkomsten reserveren voor dochters uit de eigen stand.

Zwartewaterklooster o

Einde Zwartewater als katholiek Benedictinessenklooster

Naarmate katholieke prebenden vrijkwamen door overlijden, werden ze toegekend aan niet-katholieke adellijke dames. Rond het midden van de zeventiende eeuw is dit proces voltooid: daarmee eindigt de geschiedenis van Zwartewater als katholiek benedictinessenklooster.