Direct naar de inhoud.

Drenthe 1228

Een nieuwe bisschop

Na de dood van bisschop Otto II van Lippe tijdens de slag bij Ane op 28 juli 1227 werd al snel een nieuwe bisschop gekozen. De nieuwe kerkelijke en wereldlijke vorst werd Wilbrand van Oldenburg, een broer van de graaf van Oldenburg. Zijn eerste taak was het wreken van de zielen van zijn voorganger Otto II en de gesneuvelden door de kastelein van Coevorden, nog steeds Rudolf II van Coevorden, stevig te straffen. De bisschop en de zijnen trekken ten velde tegen hem en bij Peize werd het een overwinning. Vele Gelkingen werden gevangen genomen en een deel van de Drenthen werd vermoord en geradbraakt. Het hoofddoel was echter nog niet bereikt. Rudolf van Coevorden was nog niet gevangen genomen. De bisschop vraagt steun aan de keizer en de paus, die aflaten uitreikten aan allen die deelnamen aan de grote kruistocht tegen Rudolf van Coevorden. Met een in die tijd immens leger trekt de bisschop in 1228 ten strijde. Bisschop Wilbrand splitst zijn leger op in zes groepen, die van zes zijden Drenthe binnenvielen.

Inval in Drenthe door zes legers

Steun door Frieze vrije mannen

Opvallend is dat bisschop Wilbrand van Oldenburg in 1228 veel steun ontvangt van Friezen bij de militaire acties tegen Drenthe, zowel uit het huidige Friesland als uit de Groninger Ommelanden. De kroniekschrijver, zelf een Fries, spreekt met grote bewondering over hun inzet. Volgens hem waren de Friezen vrije mannen die niet verplicht waren om militaire steun te verlenen. Ze stonden immers niet onder een feodale heer. Toch namen ze deel aan de strijd uit religieuze overtuiging en medeleven, mede omdat hun deelname werd aangemoedigd door de belofte van een kerkelijke aflaat. Daarnaast werden ze opgeroepen door geestelijken zoals pastoors, dekens, monniken, priesters en abten. Dit wijst op een sterk en levendig rooms-katholiek religieus leven onder de Friezen in de middeleeuwen, dat pas in de zestiende eeuw tijdens de Tachtigjarige Oorlog drastisch zou veranderen. In oktober 1228 worden zes legers verzameld op verschillende plaatsen om Drenthe vanuit meerdere richtingen aan te vallen. Vanuit Groningen trekken Friezen en krijgers uit Bentheim Drenthe binnen om de motteburcht Nutspete, gelegen tussen Glimmen en Noordlaren, aan te vallen. Dit is het enige punt waar de Drenten succesvol weerstand bieden. Op andere plaatsen hebben zij minder geluk.

Aanvallen vanuit Oldeberkoop

Drentse gijzelaars

Bij Bakkeveen trekken Friese strijders uit Westergo het land binnen, steken huizen in brand en keren met buit terug naar huis. Bij Oldeberkoop vallen Friezen uit Staveren en uit het gebied van de Lende (Linde) Drenthe binnen. Hun aanval is zo krachtig dat de Drenten gijzelaars aanbieden om de bisschop en de kerk genoegdoening te geven. Ondertussen plunderen Twentse ridders bij Coevorden het gebied rond Emmen en branden het plat. Vanuit Ommen trekken ridders uit Salland via moerassen bij Avereest naar het gebied rond Ruinen om ook daar brand te stichten. De bisschop zelf trekt vanuit Steenwijk naar Uffelte en valt vervolgens Ansen aan. Het Drentse leger slaat op de vlucht, waarna het dorp volledig wordt verwoest.

Verwoesting van boerderijen

De kroniekschrijver is soms onduidelijk in zijn beschrijvingen. Zo lijkt het bij Oldeberkoop alsof er een veldslag plaatsvond, maar in werkelijkheid ging het waarschijnlijk vooral om plunderingen en brandstichtingen, vergelijkbaar met wat bij Emmen en Ruinen gebeurde. Boerderijen werden verwoest en vee werd buitgemaakt, een gebruikelijke praktijk in middeleeuwse oorlogvoering. De Drentse bevolking vluchtte vermoedelijk voor de aanvallers. Dorpsoudsten zouden uiteindelijk de overgave hebben geregeld door gijzelaars aan te bieden, die waarschijnlijk naar de bisschoppelijke burcht in Vollenhove werden gebracht.

Veranderingen in regionale verhoudingen

Hoewel niet precies bekend is welke dorpen vanuit Oldeberkoop werden aangevallen, wordt vermoed dat de Friese troepen via Makkinga richting Oosterwolde en Appelscha trokken. Opmerkelijk is dat Friezen uit het gebied van de Lende (Linde) deelnamen aan de plunderingen van Drentse dorpen die zich ongeveer een eeuw later juist bij de Friezen van Stellingwerf zouden aansluiten. Dit illustreert hoe politieke en regionale verhoudingen in de middeleeuwen konden veranderen.

Straffen die opgelegd werden aan de Drenten

Rudolf had zelf zijn leger ook opgesplitst, maar dit was niet opgewassen tegen het grote bisschoppelijke leger. Rudolf, die inzag dat hij aan de verliezende hand was, gaf zich op 10 oktober 1228 over. Hij en de Drenthen gaven veertig gijzelaars te Vollenhove. Onder zekere voorwaarden worden Rudolf, zijn broers Hendrik en Godefried en hun vrienden Menso en Hendrik van Gravestorp uit de ban gedaan:

  1. Rudolph van Covorden sal op staende voet overleveren het Kasteel tot Covorden, en het Huys te Laer, gheleghen in de Graefsschap Benthem;
  2. Sal mede quiteren al zijn recht, dat hy heeft in de Landtschap Drenth;
  3. Sal aen den Bisschop betalen drie duysent Marck, voor de schade die hy den Bisschop aengedaen heeft;
  4. Sal op zijn kosten werven hondert Ruyters, om die te senden in Lijflandt, om onder Christen Heeren te dienen tegen d’ongeloovige Heydens;
  5. Sal op ’t swarte Water by Swolle een Klooster stichten van vijfentwintigh Baghijnen, van S. Benedictus orde;
  6. Sal op de plaets, genaamt de Mommerijten, daer den Bisschop dootgeslagen is, tot versoeninge des dootslachs, fonderen een Collegium van vijfentwintigh Canoniken.

Eylard van Bentheim, burggraaf van Coevorden 1227-1229

Eylard van Bentheim werd door de bisschop aangesteld als kastelein van Coevorden. Rudolf, die het niet kon verkroppen dat hij zijn bezit kwijt was geraakt, nam op 3 september 1229 bij verrassing het slot weer in, geholpen door een bediende van Eylard die hij daarvoor omgekocht had. Bisschop Willebrand rustte zich weer uit voor een strijd tegen de kastelein van Coevorden. Deze voorzag dat hij nu voorgoed het onderspit zou delven en sloot daarom met de vijand, die zich op het kasteel te Hardenberg ophield, een wapenstilstand van 15 dagen.

Wilbrand van Oldenburg, bisschop van Utrecht 1227-1233

Familie met kerkelijke functies

Wilbrand van Oldenburg werd vóór 1180 geboren als zoon van Hendrik II van Oldenburg-Wildeshausen en Beatrix van Hallermund. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde Wilbrand I van Loccum-Hallermund. Die liet in 1163 op zijn eigendommen te Loccum een Cisterciënzerklooster stichten. Kleinzoon Wilbrand was bisschop van Paderborn (1225-1227) en van Utrecht (1227-1233). Zijn oom Gerhard van Oldenburg was bisschop van Osnabrück (1192-1216) en vervolgens aartsbisschop van Bremen (1216-1219). Hij was bovendien verwant aan de graven van Holland en Gelre. Wilbrands oudere broers Burchard en Hendrik III van Oldenburg kwamen in 1134 om in de kruistocht tegen de Stedingers. Zijn broer Engelmar was proost te Munster.

Succesvolle kerkelijke carrière

In 1211-1212 ondernam Wilbrand von Oldenburg als domkanunnik van Hildesheim in opdracht van keizer Otto IV een reis naar het Heilig Land om de Vijfde Kruistocht voor te bereiden. Hij werd onder meer begeleid door de hoogmeester van de Duitse Orde, Herman van Salza. Wilbrand werd vervolgens domproost in Hildesheim, domproost in Utrecht en proost van Sankt Nicolai in Maagdenburg. Als gezant van keizer Frederik II vertoefde hij in de volgende jaren echter vooral in Italië. In 1225 werd Wilbrand tot bisschop van Paderborn gewijd, waar hij met succes de opstandige adel bestreed. In 1226 werd hij bovendien tijdelijk belast met het bestuur van de bisdommen Münster en Osnabrück, nadat daar de bisschoppen waren afgezet vanwege hun medeplichtigheid aan de moord op aartsbisschop Engelbert van Keulen.

Opvolger van Otto II van Lippe

In 1227 werd Wilbrand door paus Gregorius IX vanwege zijn militaire ervaring overgeplaatst naar Utrecht als opvolger van bisschop Otto van Lippe, die gesneuveld was in de slag bij Ane. Tijdens de slag werden Gijsbert van Amstel en Gerard V van Gelre gevangengenomen door de Drenten en overgebracht naar het kasteel in Coevorden. Op 1 oktober 1227 werd door de roomse koning Hendrik VII van Hohenstaufen (1220-1235) bevel gegeven om de gevangenen vrij te laten, waarbij waarschijnlijk losgeld werd betaald. Gijsbert en Gerard V lieten in de kapittelzaal van de kerk in Utrecht hun verwondingen zien. Met hun handen ten hemel geheven jammerden, kermden, huilden en smeekten ze om wraak en gaven ze de raad om Wilbrand van Oldenburg tot de nieuwe bisschop van Utrecht te verkiezen.

Otto van Lippe 1228

Orde op zaken in Drenthe

De opdracht aan Wilbrand van Oldenburg was om orde op zaken te stellen in het opstandige Oversticht. Na een mislukte poging om Coevorden onder controle te krijgen met steun van de Friezen in de Fries-Drentse oorlog, versloeg Wilbrand de Drenten bij Peize. De Drentse aanvoerder Rudolf II van Coevorden werd door Wilbrand uitgenodigd tot onderhandelingen op kasteel Hardenberg. Daar werd Rudolf echter gevangengenomen en door middel van radbraken vermoord. Zijn lichaam werd vervolgens op een spies tentoongesteld aan het volk. Dit kasteel had Wilbrand zelf laten bouwen om als sterke bescherming te dienen tegen de Drenthen, in plaats van het kwetsbare stadje Nijenstede. In 1230 verleende de bisschop stadsrechten aan Zwolle als dank voor de hulp bij de versterking van kasteel Hardenberg. Wilbrand overleed op 26 juli 1233 in Zwolle en werd in de Sint-Servaasabdij in Utrecht begraven.